Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ9443

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
05/502157-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake van openlijke geweldpleging gepleegd in een café. Aan verdachte is een werkstraf opgelegd van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/502157-09

Datum zitting : 22 september 2009

Datum uitspraak : 6 oktober 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 05 december 2008 te Westervoort met een ander of anderen,

op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek

toegankelijke ruimte, te weten café "Local" gelegen aan het

Dorpsplein 12 te Westervoort, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen P. [slachtoffer1] en/of W.S. [slachtoffer2] en/of M. [slachtoffer3] en/of een of meer

andere bezoeker(s) van dat café, welk geweld bestond uit eenmaal en/of

meermalen duwen en/of trekken en/of slaan en/of stompen en/of schoppen van een

of meer van die perso(o)n(en);

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 22 september 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij zijn verdachte en zijn raadsman, mr. M.W.G.J. IJsseldijk verschenen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

3.1 Verweer inzake de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat bij de vechtpartij in café “Local” (ook) door anderen, met name door [slachtoffer3] en de Turkse man genaamd “[naam]”of “[naam]”, geweld is uitgeoefend. In verhouding tot het door die anderen uitgeoefende geweld zijn de aan verdachte verweten gedragingen slechts beperkt. De officier van justitie heeft die anderen echter niet vervolgd. Alleen verdachte en de tot zijn groep behorende medeverdachten staan terecht. Hiermee heeft de officier gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bevestigd dat [slachtoffer3] en de door de verdediging genoemde Turkse man niet zijn vervolgd. Bij de door het openbaar ministerie te nemen beslissingen over het al dan niet vervolgen van een persoon heeft het openbaar ministerie, gelet op het opportuniteitsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering, een ruime discretionaire bevoegdheid. Daarbij worden de omstandigheden van het geval en de verschillende belangen betrokken. De enkele omstandigheid dat voornoemde twee personen niet zijn vervolgd, brengt niet met zich dat het wel vervolgen van verdachte een schending oplevert van een beginsel van een goede procesorde. Het niet-ontvankelijkheidsverweer moet daarom worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat het openbaar ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid, met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat in deze procedure niet de vraag ter beoordeling voorligt of het openbaar ministerie tot het vervolgen van de door de verdediging genoemde [slachtoffer3] en “[naam]” of “[naam]” had moeten overgaan. Het gaat hier om de vraag of verdachte in deze zaak had mogen worden vervolgd en met name of het niet vervolgen van deze personen betekent dat het wél vervolgen van verdachte een schending van een beginsel van een goede procesorde oplevert, waarbij kennelijk gedoeld wordt op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan bijvoorbeeld worden gesproken bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Die heeft zich in het onderhavige geval niet voorgedaan. De enkele omstandigheid dat ten aanzien van een tweetal personen die in de ogen van verdachte een ernstiger strafbaar feit hebben begaan - in het midden gelaten of voldoende aannemelijk is dat dit standpunt juist is - niet tot vervolging is overgegaan, betekent niet dat met het wel vervolgen van verdachte het gelijkheidsbeginsel of een ander beginsel van goede procesorde is geschonden. Er is immers geen rechtsregel die of beginsel dat met zich brengt dat enkel of met name de ernst van het misdrijf waarvan iemand wordt verdacht bij de vervolgingsbeslissing voor het openbaar ministerie bepalend zou moeten zijn. Dat de gestelde strafbare feiten van die twee personen zouden zijn gepleegd tijdens dezelfde caféruzie als waarin de aan verdachte tenlastegelegde feiten zouden hebben plaatsgevonden, doet daar niet aan af. Andere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat een beginsel van behoorlijke proces-orde is geschonden zijn niet aangevoerd of gebleken.

3.2 Het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het navolgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 5 december 2008 is verdachte met zijn vrienden [medeverdachte1], [medeverdachte2], [medeverdachte3] en [medeverdachte4] naar café “Local”, gelegen aan het Dorpsplein 12 te Westervoort gegaan. [medeverdachte1] was verkleed als Sinterklaas, de anderen als zwarte piet. In het café hebben verdachte en zijn vrienden pepernoten rondgestrooid, hetgeen door één bezoeker niet op prijs werd gesteld. Hierdoor ontstond een woordenwisseling die uiteindelijk uitmondde in een vechtpartij. Tijdens deze vechtpartij is geweld gebruikt jegens een turkse jongen genaamd [naam], bestaande uit duwen, slaan, stompen en schoppen en jegens M.[slachtoffer3], bestaande uit slaan en stompen .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Volgens de officier van justitie blijkt uit de bewijsmiddelen waaronder de camerabeelden die terechtzitting zijn bekeken voldoende duidelijk dat verdachte samen met zijn medeverdachten openlijk geweld heeft gepleegd tegen P. [slachtoffer1], W. [slachtoffer2], M. [slachtoffer3] en de Turkse man “[naam]”, bestaande uit het duwen en/of trekken en/of stompen en/of slaan en/of trappen van deze personen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte weliswaar bij de vechtpartij in het café aanwezig was, maar dat uit de camerabeelden niet blijkt hij ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld. Uit de camerabeelden valt veeleer af te leiden dat verdachte heeft geprobeerd om een aantal vechtende mensen uit elkaar te halen/ trekken. Op de camerabeelden valt verder slechts waar te nemen dat verdachte – tijdens de vechtpartij – twee keer een slaande beweging in de lucht maakt. Het maken van een slaande beweging wordt echter niet op de dagvaarding vermeld. Nu verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan de gedragingen die ingevolge de dagvaarding aan verdachte ten laste zijn gelegd, dient verdachte van de openlijke geweldpleging te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig genaakt aan hetgeen hem tenlaste is gelegd.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier, naast de aangiftes van P. [slachtoffer1], W. [slachtoffer2] en M. [slachtoffer3], de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2], [medeverdachte3], [medeverdachte4] en een verklaring van verdachte bevinden. Daarnaast zijn in het dossier getuigenverklaringen aanwezig van [getuige1], [getuige2] en [getuige3]. De beheerder van café “Local”, de heer [naam], heeft camerabeelden van de vechtpartij aan de politie ter beschikking gesteld. Deze camerabeelden en het proces-verbaal dat is opgemaakt naar aanleiding van het uitlezen van de beelden zijn eveneens aan het dossier gevoegd.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat de verklaringen van verdachte en van zijn medeverdachten over het ontstaan en verloop van de vechtpartij in café “Local” op de avond van 5 december 2008, op wezenlijke punten verschillen met de verklaringen die zijn afgelegd door de groep van aangeefster P. [slachtoffer1]. Gelet hierop zal de rechtbank – met betrekking tot de vraag wat zich nu feitelijk heeft afgespeeld in café Local – een belangrijk gewicht toekennen aan de camerabeelden die zijn gemaakt van die bewuste avond en die de rechtbank tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft bekeken.

Anders dan de officier van justitie heeft gesteld kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen P. [slachtoffer1] en W. [slachtoffer2]. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

P. [slachtoffer1] verklaart in haar aangifte dat zij ten tijde van de vechtpartij een trap in haar buik heeft gekregen van [medeverdachte1], waarna zij achteruit tegen een wand is aangevallen.

W.S. [slachtoffer2] stelt in haar aangifte dat [medeverdachte1] rechtstreeks op P. [slachtoffer1] afrende en dat hij haar met zijn rechterbeen een schop in haar buik heeft gegeven. [slachtoffer2] heeft verder verklaard dat [medeverdachte1] daarna met zijn rechterbeen tegen haar linkerhand schopte. [medeverdachte1] ontkent beide vrouwen een trap te hebben gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank valt op de camerabeelden die ter terechtzitting zijn getoond evenmin waar te nemen dat [medeverdachte1] trappen heeft gegeven noch enig ander geweld als genoemd in de tenlastelegging heeft gepleegd tegen de beide aangeefsters. Voor zover de officier van justitie heeft beoogd te stellen dat het gepleegde geweld heeft bestaan uit het duwen van P. [slachtoffer1] door [medeverdachte1] gaat de rechtbank daaraan voorbij nu van dit duwen niet blijkt uit de aangifte van P. [slachtoffer1] en voorts uit de camerabeelden evenmin blijkt door welke oorzaak [slachtoffer1] ten val is gekomen. Het is evenwel goed mogelijk dat zij haar evenwicht heeft verloren en tegen de wand is aangevallen, als gevolg van het duw- en trekwerk van [slachtoffer1] met de cafébezoekers om haar heen of doordat iemand tegen haar aanviel of stootte. Ook van ander geweld jegens P. [slachtoffer1] en W. [slachtoffer2] is in het dossier geen bewijs aanwezig.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen M. [slachtoffer3] en de Turkse man, [naam]. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het initiatief van de openlijke geweldpleging afkomstig van medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte3] waarbij al snel over en weer geduwd, getrokken, geslagen en getrapt werd tussen de groep waar verdachte deel van uitmaakte enerzijds en de groep van M. [slachtoffer3] en de Turkse man anderzijds.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet veel meer kan herinneren van wat er precies op 5 december 2008 in café “Local” is gebeurd. Verdachte erkent betreffende avond onder invloed van alcohol en drugs te zijn geweest. De rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat verdachte in eerste instantie vriendschappelijk aan het stoeien is met een andere medeverdachte. Vervolgens valt op de beelden duidelijk te zien dat verdachte in de richting van de Turkse man loopt en derhalve de confrontatie opzoekt. Daarbij probeert verdachte om de Turkse man te slaan – op de beelden is te zien dat verdachte een slaande beweging in de lucht maakt – en dat hij dit daarna nog een keer probeert. Verder is op de camerabeelden waarneembaar dat verdachte tot twee maal toe probeert om de Turkse man een duw te geven; hierna gaat verdachte nog een keer kijken bij de Turkse man – die inmiddels op de grond ligt – en wordt dan uiteindelijk weggetrokken door één van de andere Pieten (medeverdachte). De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de hiervoor beschreven gedragingen een significante bijdrage heeft geleverd aan het in vereniging plegen van openlijk geweld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 05 december 2008 te Westervoort met anderen, in een voor

het publiek toegankelijke ruimte, te weten café "Local" gelegen aan het

Dorpsplein 12 te Westervoort, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen M. [slachtoffer3] en/of een andere bezoeker van dat café, welk geweld bestond uit eenmaal en/of

meermalen duwen en/of slaan en/of stompen en/of schoppen van die personen;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 5 augustus 2009.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De raadsman van verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat verdachte verblijft in het Safehouse in Amsterdam. Dit is een vorm van begeleid wonen. Verdachte bevindt zich momenteel in een schuldsaneringstraject. Het opleggen van een geldboete zal volgens de raadsman niet bijdragen aan het oplossen van de problemen die verdachte heeft. De raadsman heeft om die reden verzocht om – in het geval het tenlastegelegde feit bewezen wordt verklaard – een werkstraf aan verdachte op te leggen in plaats van een geldboete zoals de officier van justitie heeft gevorderd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De rechtbank acht de openlijke geweldpleging een ernstig feit. De rechtbank neemt bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking dat verdachte en zijn medeverdachten onder invloed van alcohol in een uitgaansgelegenheid de confrontatie hebben opgezocht en fysiek geweld hebben gebruikt tegen de slachtoffers. Het betreft hier zogenaamd uitgaansgeweld hetgeen de gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder oproept. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een geldboete geen passende straf, nog daargelaten dat verdachte zich momenteel in een schuldsaneringstraject bevindt en om die reden niet in staat is een geldboete te betalen.

De rechtbank zal derhalve een andere, hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Gelet op het voorgaande alsmede gezien de straffen die in vergelijkbare gevallen van openlijk geweld plegen te worden opgelegd, acht de rechtbank in dit geval een werkstraf een passende sanctie voor het bewezen verklaarde feit. Voor wat betreft de duur van de op te leggen werkstraf laat de rechtbank meewegen dat verdachte een minder groot aandeel heeft geleverd aan het gepleegde openlijke geweld dan zijn medeverdachten [medeverdachte2], [medeverdachte1] en [medeverdachte3]. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht een deels voorwaardelijke werkstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat een (deels) voorwaardelijke werkstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Bepaalt dat van deze werkstraf 30 (dertig) uren subsidiair 15 dagen hechtenis niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat het onvoorwaardelijk deel van deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen , als voorzitter,

mr. M.M.L.A.T. Doll rechter,

mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg,, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.L.D. Koning-van As, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2009.