Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ9387

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
05/502155-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging in het uitgaansleven: Gevangenisstraf van 1maand voorwaardelijk en een werkstraf van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/502155-09

Datum zitting : 22 september 2009

Datum uitspraak : 6 oktober 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 05 december 2008 te Westervoort met een ander of anderen,

althans alleen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor

het publiek toegankelijke ruimte, te weten café "Local" gelegen aan het

Dorpsplein 12 te Westervoort, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen P. [slachtoffer1] en/of W.S. [slachtoffer2] en/of M. [slachtoffer3] en/of een of meer

andere bezoeker(s) van dat café, welk geweld bestond uit eenmaal en/of

meermalen duwen en/of trekken en/of slaan en/of stompen en/of schoppen van een

of meer van die perso(o)n(en);

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 22 september 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 80 uren werkstraf subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

Verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

3.1 verweer inzake de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van verdachte

Door verdachte is aangevoerd dat bij de vechtpartij in café “Local” (ook) door anderen, met name door [slachtoffer3] en de Turkse man genaamd “[naam1]”of “[naam2]”, geweld is uitgeoefend. In verhouding tot het door die anderen uitgeoefende geweld zijn de aan verdachte verweten gedragingen slechts beperkt. De officier van justitie heeft die anderen echter niet vervolgd. Alleen verdachte en de tot zijn groep behorende medeverdachten staan terecht. Hiermee heeft de officier gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bevestigd dat [slachtoffer3] en de door de verdediging genoemde Turkse man niet zijn vervolgd. Bij de door het openbaar ministerie te nemen beslissingen over het al dan niet vervolgen van een persoon heeft het openbaar ministerie, gelet op het opportuniteitsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering, een ruime discretionaire bevoegdheid. Daarbij worden de omstandigheden van het geval en de verschillende belangen betrokken. De enkele omstandigheid dat voornoemde twee personen niet zijn vervolgd, brengt niet met zich dat het wel vervolgen van verdachte een schending oplevert van een beginsel van een goede procesorde. Het niet-ontvankelijkheidsverweer moet daarom worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat het openbaar ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid, met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat in deze procedure niet de vraag ter beoordeling voorligt of het openbaar ministerie tot het vervolgen van de door de verdediging genoemde [slachtoffer3] en “[naam1]” of “[naam2]” had moeten overgaan. Het gaat hier om de vraag of verdachte in deze zaak had mogen worden vervolgd en met name of het niet vervolgen van deze personen betekent dat het wél vervolgen van verdachte een schending van een beginsel van een goede procesorde oplevert, waarbij kennelijk gedoeld wordt op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan bijvoorbeeld worden gesproken bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Die heeft zich in het onderhavige geval niet voorgedaan. De enkele omstandigheid dat ten aanzien van een tweetal personen die in de ogen van verdachte een ernstiger strafbaar feit hebben begaan - in het midden gelaten of voldoende aannemelijk is dat dit standpunt juist is - niet tot vervolging is overgegaan, betekent niet dat met het wel vervolgen van verdachte het gelijkheidsbeginsel of een ander beginsel van goede procesorde is geschonden. Er is immers geen rechtsregel die of beginsel dat met zich brengt dat enkel of met name de ernst van het misdrijf waarvan iemand wordt verdacht bij de vervolgingsbeslissing voor het openbaar ministerie bepalend zou moeten zijn. Dat de gestelde strafbare feiten van die twee personen zouden zijn gepleegd tijdens dezelfde caféruzie als waarin de aan verdachte tenlastegelegde feiten zouden hebben plaatsgevonden, doet daar niet aan af. Andere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat een beginsel van behoorlijke proces-orde is geschonden zijn niet aangevoerd of gebleken.

3.2 Het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het navolgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 5 december 2008 is verdachte met zijn broer [medeverdachte1] en zijn vrienden [medeverdachte2], [medeverdachte3] en [medeverdachte4] naar café “Local”, gelegen aan het Dorpsplein 12 te Westervoort gegaan. [medeverdachte1] was verkleed als Sinterklaas, de anderen als zwarte piet. In het café hebben verdachte en zijn vrienden pepernoten rondgestrooid, hetgeen door één bezoeker niet op prijs werd gesteld. Hierdoor ontstond een woordenwisseling die uiteindelijk uitmondde in een vechtpartij. Tijdens deze vechtpartij is geweld gebruikt jegens een turkse jongen genaamd [naam1], bestaande uit duwen, slaan, stompen en schoppen en jegens M.[slachtoffer3], bestaande uit slaan en stompen .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Volgens de officier van justitie blijkt uit de bewijsmiddelen waaronder de camerabeelden die terechtzitting zijn bekeken voldoende duidelijk dat verdachte samen met zijn medeverdachten openlijk geweld heeft gepleegd tegen P. [slachtoffer1], W. [slachtoffer2], M. [slachtoffer3] en de Turkse man “[naam1]”, bestaande uit het duwen en/of trekken en/of stompen en/of slaan en/of trappen van deze personen.

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft die bewuste avond bij binnenkomst in café Local met pepernoten gegooid. Verdachte zou daarna door een andere bezoeker van het café zijn aangesproken, (de rechtbank begrijpt dat verdachte daarmee doelt op: de Turkse jongen, “[naam1]” of “[naam2]”) omdat die er niet van gediend was dat er pepernoten tegen zijn hoofd werden gegooid. Verdachte heeft vervolgens geprobeerd de boel te sussen en wilde de Turkse jongen – als verzoenend gebaar – een aai over zijn bol geven – waarna de Turkse jongen zijn arm omdraaide. Vervolgens begon iedereen te duwen en te trekken, aldus verdachte. Verdachte heeft aangevoerd dat hij op 5 december 2008 weliswaar bij de ruzie in café Local aanwezig was, maar daarbij geen geweld (in de vorm van duwen en/of trekken en/of/schoppen en/of slaan) heeft gebruikt jegens P. [slachtoffer1] en/of W. [slachtoffer2] en/of M. [slachtoffer3] dan wel tegen enig andere bezoeker van café Local. De verklaringen van aangeefsters P. [slachtoffer1] en W. [slachtoffer2] en aangever M. [slachtoffer3] zijn in strijd met hetgeen feitelijk de betreffende avond is gebeurd, aldus verdachte. Nu onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is voor de openlijke geweldpleging dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft verdachte betoogd dat hij weliswaar een duwende beweging heeft gemaakt in de richting van de Turkse man, “[naam1]”, maar dat dit noodzakelijk was om zich zelf te verdedigen tegen de agressieve houding van “[naam1]”. Verdachte heeft daarbij gesteld dat deze “[naam1]” wordt gezien als een “lastig” persoon die zich in het verleden al vaker vervelend heeft misdragen in café “Local” en ruzie heeft gezocht met andere (café)bezoekers. Die avond gedroeg “[naam1]” zich wederom vervelend en wilde het café niet verlaten ondanks het feit dat de uitbater [naam] dit diverse malen aan hem had gevraagd. De omstandigheid dat “[naam1]” een “lastig persoon” is, die vaak ruzie zoekt en voor problemen zorgt in het café, is mede de aanleiding geweest om hem een duw te geven, aldus verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig genaakt aan hetgeen hem tenlaste is gelegd.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier, naast de aangiftes van P. [slachtoffer1], W. [slachtoffer2] en M. [slachtoffer3], de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2], [medeverdachte3] en [medeverdachte4] en verklaringen van verdachte bevinden. Daarnaast zijn in het dossier getuigenverklaringen aanwezig van H. [getuige1], K. [getuige2] en G. [slachtoffer1]. De beheerder van café Local, de heer [naam], heeft camerabeelden van de vechtpartij aan de politie ter beschikking gesteld. Deze camerabeelden en het proces-verbaal dat is opgemaakt naar aanleiding van het uitlezen van de beelden zijn eveneens aan het dossier gevoegd.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat de verklaringen van verdachte en van zijn medeverdachten over het ontstaan en verloop van de vechtpartij in café “Local” op de avond van 5 december 2008, op wezenlijke punten verschillen met de verklaringen die zijn afgelegd door de groep van aangeefster P. [slachtoffer1]. Gelet hierop zal de rechtbank – met betrekking tot de vraag wat zich nu feitelijk heeft afgespeeld in café Local – een belangrijk gewicht toekennen aan de camerabeelden die zijn gemaakt van die bewuste avond en die de rechtbank tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft bekeken.

Anders dan de officier van justitie heeft gesteld kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen P. [slachtoffer1] en W. [slachtoffer2]. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

P. [slachtoffer1] verklaart in haar aangifte dat zij ten tijde van de vechtpartij een trap in haar buik heeft gekregen van verdachte, waarna zij achteruit tegen een wand is aangevallen.

W.S. [slachtoffer2] stelt in haar aangifte dat verdachte rechtstreeks op P. [slachtoffer1] afrende en dat hij haar met zijn rechterbeen een schop in haar buik heeft gegeven. [slachtoffer2] heeft verder verklaard dat verdachte daarna met zijn rechterbeen tegen haar linkerhand schopte. Verdachte ontkent beide vrouwen een trap te hebben gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank valt op de camerabeelden die ter terechtzitting zijn getoond evenmin waar te nemen dat verdachte trappen heeft gegeven noch enig ander geweld als genoemd in de tenlastelegging heeft gepleegd tegen de beide aangeefsters. Voor zover de officier van justitie heeft beoogd te stellen dat het gepleegde geweld heeft bestaan uit het duwen van P. [slachtoffer1] door verdachte gaat de rechtbank daaraan voorbij nu van dit duwen niet blijkt uit de aangifte van P. [slachtoffer1] en voorts uit de camerabeelden evenmin blijkt door welke oorzaak P. [slachtoffer1] ten val is gekomen. Het is evenwel goed mogelijk dat zij haar evenwicht heeft verloren en tegen de wand is aangevallen, als gevolg van het duw- en trekwerk met de cafébezoekers om haar heen of doordat iemand tegen haar aanviel of stootte.

Ook van ander geweld jegens P. [slachtoffer1] en W. [slachtoffer2] is in het dossier geen bewijs aanwezig.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen M. [slachtoffer3] en de Turkse man, [naam1]. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het initiatief van de openlijke geweldpleging afkomstig van verdachte en medeverdachte [medeverdachte4] waarbij al snel over en weer geduwd, getrokken, geslagen en getrapt werd tussen de groep van verdachte en zijn medeverdachten enerzijds en de groep van M. [slachtoffer3] en de Turkse man anderzijds. De rechtbank baseert zich hierbij op de camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte de pols vastpakt van [naam1]. Laatstgenoemde pakt als reactie daarop de arm van verdachte vast en draait deze om, hetgeen aanleiding geeft voor medeverdachte Van Beek om een tik uit te delen aan [naam1]. De rechtbank neemt op de beelden verder waar dat verdachte even later met M. [slachtoffer3] aan het praten is, hem daarna een duw geeft en hem vervolgens slaat. Voorts valt op de beelden te zien dat verdachte zich (terug) verplaatst in het café in de richting van [naam1]. Aangezien verdachte vlak daarvoor reeds een aanvaring heeft gehad met deze [naam1], trekt de rechtbank hieruit de conclusie dat verdachte de confrontatie bewust opzocht met alle gevolgen van dien. Op de beelden is verder te zien dat, op het moment dat verdachte opnieuw tegenover [naam1] staat, hij hem een duw geeft. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de hiervoor beschreven gedragingen een significante bijdrage heeft geleverd aan het in vereniging plegen van openlijk geweld tegen M. [slachtoffer3] en de Turkse man, [naam1].

Het subsidiaire standpunt van verdachte wordt door de rechtbank opgevat als een beroep op noodweer. De rechtbank zal dit verweer onder punt 4b “ de strafbaarheid van het feit” bespreken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 05 december 2008 te Westervoort met anderen, in een voor

het publiek toegankelijke ruimte, te weten café "Local" gelegen aan het

Dorpsplein 12 te Westervoort, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen M. [slachtoffer3] en/of een andere bezoeker van dat café, welk geweld bestond uit eenmaal en/of

meermalen duwen en/of slaan en/of stompen en/of schoppen van die personen;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

4b. De strafbaarheid van het feit

Ten aanzien van het beroep van verdachte op noodweer overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 41 van het wetboek van Strafrecht is een persoon niet strafbaar indien hij een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank is van oordeel dat uit de camerabeelden niet is gebleken dat – op het moment dat verdachte [naam1] een duw gaf – sprake is geweest van enige wederrechtelijke aanranding. Bovendien blijkt uit de beelden dat verdachte niet enkel heeft geduwd maar dat hij – zoals de rechtbank reeds onder punt 3.2 heeft overwogen – daarvoor ook al andere geweldshandelingen heeft verricht tegen M. [slachtoffer3] en [naam1]. Het standpunt van verdachte dat het geven van de duw kan worden gerechtvaardigd door het feit dat [naam1] een “lastig persoon” is volgt de rechtbank niet. Immers de enkele omstandigheid dat [naam1] bekend staat als “lastig en/of vervelend”, maakt niet dat sprake is van een noodweersituatie. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep op noodweer verwerpen.

Het feit is derhalve strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 5 augustus 2009.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De rechtbank acht de openlijke geweldpleging een ernstig feit. De rechtbank neemt bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking dat verdachte en zijn medeverdachten onder invloed van alcohol in een uitgaansgelegengeid de confrontatie hebben opgezocht en fysiek geweld hebben gebruikt. Het betreft hier zogenaamd uitgaansgeweld hetgeen de gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen en bij de slachtoffers in het bijzonder oproept. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie eerder in aanraking is geweest met politie en justitie terzake van geweldsdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er desondanks niet van kunnen weerhouden wederom een geweldsdelict te begaan. Daarnaast zal de rechtbank in het nadeel van verdachte laten meewegen dat hij één van de initiatiefnemers is geweest van en een belangrijk aandeel heeft geleverd aan het gepleegde openlijke geweld. Gelet op het voorgaande, alsmede gezien de straffen die in vergelijkbare gevallen van openlijk geweld plegen te worden opgelegd, acht de rechtbank in dit geval een werkstraf een passende sanctie voor het bewezen verklaarde feit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd als stok achter de deur verdachte ervan te weerhouden om dergelijke feiten te plegen.

De rechtbank houdt bij het opleggen van te melden straf op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met de straf die verdachte is opgelegd bij vonnis van 28 januari 2009 van de kantonrechter te Arnhem (met parketnummer 05-571167-07).

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 62, 63 en artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

A. Een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. Het verrichten van een werkstraf gedurende 60 ( zestig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 30 (dertig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 2(twee) uren, zijnde 1 (dag) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen , als voorzitter,

mr. M.M.L.A.T. Doll rechter,

mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg,, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.L.D. Koning-van As, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2009.