Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ9147

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
10/60004-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Megastrafzaak. Onbevoegdverklaring rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Arnhem. Al eerder had het gerechtshof geoordeeld dat de vervolging van verdachte is aangevangen bij de rechtbank Arnhem door het aldaar indienen van de vordering tot inbewaringstelling. De vervolging vangt niet aan met het uitbrengen van de dagvaarding bij de rechtbank Rotterdam zoals door de officier is gesteld. Ook heeft het openbaar ministerie geen keuze om voor een andere rechtbank te dagvaarden indien de vervolging al bij de rechtbank Arnhem is aangevangen. Nu een andere rechtbank bevoegd is acht de rechtbank termen aanwezig om de de voorlopige hechtenis van kracht te laten blijven voor de duur van 6 dagen ook al is deze termijn bij de eerdere onbevoegverklaring al verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM, ZITTING HOUDENDE TE ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 10/600004-08

Datum zitting : 23 september 2009

Datum uitspraak : 25 september 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

verblijvende : PI Vrouwen, Breda te Breda,

adres : Kloosterlaan 172.

raadsman : mr. L.J.B.G van Kleef, kantoorhoudende te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte worden de feiten tenlastegelegd zoals omschreven in de dagvaarding waarvan een copie aan dit vonnis is gehecht.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 23 september 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Als uitdrukkelijk gemachtigd raadsman van verdachte is verschenen mr. L.J.B.G van Kleef voornoemd.

3. Beslissing inzake de bevoegdheid van de rechtbank

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het navolgende preliminair verweer gevoerd. Op grond van de beslissing van het gerechtshof te ‘s Gravenhage zitting houdende te Arnhem, van 20 augustus 2009 is de rechtbank Rotterdam zitting houdende te Arnhem onbevoegd om van de zaak tegen verdachte kennis te nemen. De verdediging heeft de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Arnhem verzocht zich onbevoegd te verklaren.

Voorts heeft de verdediging verzocht om, ingeval van onbevoegdverklaring, het bevel voorlopige hechtenis op te heffen en de officier van justitie geen termijn van zes dagen te vergunnen ex artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij heeft de verdediging er op gewezen dat artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering in deze zaak al eerder is toegepast bij beslissing van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage d.d. 20 augustus 2009 en dat er geen aanleiding bestaat nogmaals een dergelijke beslissing te nemen.

Standpunt officier van justitie

Het Landelijk Parket heeft bij het uitbrengen van de dagvaarding de keuze waar zij de zaak zal aanbrengen. De oorsprong van onderzoek Doomer ligt weliswaar in het Arnhemse onderzoek Windhalm, doch de relatieve competentie moet worden beoordeeld naar het tijdstip van dagvaarding, zijnde het moment van de aanvang van de vervolging. Nu de officier van justitie bij het landelijk parket met de vervolging is belast is de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Arnhem bevoegd.

Indien en voor zover de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Arnhem onbevoegd is kennis te nemen van de onderhavige strafzaak heeft de officier van justitie betoogd dat thans sprake is van een uitzonderlijke situatie zodat artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering toepassing dient te vinden, ook al heeft het Gerechtshof ‘s-Gravenhage eerder in deze zaak het bepaalde in dit artikel van toepassing verklaard.

Beoordeling van de standpunten

De vraag of de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Arnhem, in dezen bevoegd is moet beoordeeld worden naar het moment van aanvang van de vervolging tegen verdachte. Dit moment is niet, zoals door de officier van justitie gesteld, het moment van dagvaarden maar het moment waarop door de officier van justitie de vordering inbewaringstelling bij de rechter-commissaris is ingediend. Dit is namelijk het eerste moment dat de feiten waarvan verdachte wordt verdacht aan de kennisneming van een rechter zijn onderworpen.

Deze vordering inbewaringstelling is op 26 juni 2009 ingediend door de officier van justitie van het Landelijk Parket. Uit de vordering blijkt niet tot welke rechter-commissaris de vordering is gericht, maar blijkens een daarop geplaatste stempel is deze op genoemde datum ingekomen bij het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Arnhem. Waar niet anders is gebleken gaat de rechtbank er dan ook van uit dat het de intentie van de officier van justitie is geweest de rechter-commissaris in de rechtbank Arnhem te adiëren.

Blijkens de vordering wordt verdachte onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, waarbij als één van de pleegplaatsen Zwartebroek, gemeente Barneveld is vermeld. Aangezien deze plaats is gelegen binnen het rechtsgebied van de rechtbank te Arnhem is deze rechtbank, en als afgeleide daarvan de rechter-commissaris binnen deze rechtbank, bevoegd van de feiten in de vordering kennis te nemen. De rechter-commissaris heeft daarom de inbewaringstelling bevolen en is hiertoe ook bevoegd geweest.

De rechtbank is van oordeel dat een éénmaal aangevangen vervolging bij de rechtbank Arnhem in beginsel ook daar dient te worden voortgezet, zulks zolang die bevoegdheid niet krachtens een wettelijke bepaling komt te vervallen. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. De stelling van de officier van justitie dat zij bevoegd is in een later stadium voor een ander forum te mogen dagvaarden is dan ook onjuist.

Het vorenstaande betekent dat het preliminair verweer betreffende de bevoegdheid gegrond is, nu de rechtbank Arnhem in dezen de bevoegde rechtbank is en dat, waar verdachte thans is gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, deze rechtbank zich onbevoegd zal verklaren.

Nu een andere rechtbank bevoegd is zijn er termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en te bepalen dat de voorlopige hechtenis nog van kracht zal blijven voor een periode van zes dagen na het onherroepelijk worden van deze beslissing. Het openbaar ministerie kan aldus bij de wel bevoegde rechter een nieuwe titel voor voorlopige hechtenis zien te verkrijgen. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen nu in de gegeven situatie het algemeen belang, gezien de ernst van de feiten, zich verzet tegen tussentijdse invrijheidsstelling van verdachte in afwachting van een beslissing omtrent het voorarrest van een bevoegde rechter. Hiertegenover legt de omstandigheid dat in de zaak van verdachte in de fase van het voorarrest al eerder eenzelfde beslissing is genomen door het Gerechtshof ’s-Gravenhage onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

4. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart zich onbevoegd om van de onderhavige strafzaak kennis te nemen.

Bepaalt dat het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte nog zes dagen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak van kracht zal blijven.

Aldus gewezen door:

mrs. E.A.A.M. Pfeil (voorzitter), A.M. van Gorp en J.A.P. Bakker,

in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2009.