Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ9058

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/3128
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM3261, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan een maatschap is een boete op grond van de WAV opgelegd. De rechtbank stelt op grond van de stukken vast, dat de maatschap per 31 mei 2007 volledig is opgehouden te bestaan en dat dit ten tijde van het besluit van 21 februari 2008, waarbij aan de maatschap de onderhavige boete is opgelegd, bij verweerder ook bekend was.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat verweerder niet meer bevoegd was om op grond van de Wav aan de maatschap een boete op te leggen. De stelling van verweerders gemachtigde ter zitting, dat de boete als een schuld op de maten afzonderlijk dan wel op de besloten vennootschap is overgegaan, volgt de rechtbank niet. Omdat de boete niet meer aan de maatschap kon worden opgelegd, kan ook geen sprake zijn van het overgaan van een schuld op de maten dan wel de besloten vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/3128

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 13 mei 2009

inzake

[maat 1] en [maat 2] als maten van de voormalige [maatschap] h.o.d.n. [kwekerij], voorheen gevestigd te Bruchem,

Janity Flowers B.V., gevestigd te Bruchem,

allen vertegenwoordigd door mr. F.C.J.J. Jessen,

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 mei 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2008 heeft verweerder aan de [maatschap] h.o.d.n. [kwekerij] (hierna: de maatschap) een boete van € 38.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) en artikel 15, tweede en derde lid, van de Wav.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door de maatschap tegen het besluit van 21 februari 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is door eisers beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 februari 2009. Eisers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.N. Vrijman.

3. Overwegingen

De rechtbank stelt vast dat alleen de maatschap bij schrijven van 17 maart 2008 bezwaar bij verweerder heeft gemaakt tegen het besluit van 21 februari 2008 en dat Janity Flowers B.V. ook niet anderszins tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt. Het is de rechtbank niet gebleken dat Janity Flowers B.V. redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het besluit van 21 februari 2008. Janity Flowers B.V heeft dan ook ten onrechte de bezwaarschriftprocedure overgeslagen. De rechtbank zal - gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb - het beroep van Janity Flowers B.V. niet-ontvankelijk verklaren.

Aan het opleggen van de boete heeft verweerder het op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte door inspecteurs van de arbeidsinspectie opgestelde boeterapport van 20 november 2007 ten grondslag gelegd. Uit dat boeterapport blijkt dat op 18 april 2007 door de arbeidsinspectie in het kader van de Wav controle is uitgeoefend bij de maatschap. Volgens het boeterapport hebben de inspecteurs vier personen van Turkse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) aangetroffen die aldaar werkzaamheden verrichtten ten behoeve van de maatschap. Voor de tewerkstelling van deze vreemdelingen waren geen vergunningen afgegeven. Daarnaast is gebleken, dat een kopie van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen in de administratie ontbrak.

Eisers kunnen zich niet met de boeteoplegging verenigen. Op de namens hen aangevoerde gronden zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wav wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Wav kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, indien een beboetbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, de boete worden opgelegd aan:

1°. de rechtspersoon, of

2°. degene die opdracht heeft gegeven tot een handelen of nalaten waardoor in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit deze wet is gehandeld alsmede tegen hem die feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedraging, of

3°. de onder 1° en 2° genoemde tezamen.

Het derde lid van dit artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat voor de toepassing van het eerste en tweede lid de maatschap met een rechtspersoon gelijk wordt gesteld.

Ingevolge artikel 19b, eerste lid, van de Wav wordt geen boete opgelegd indien degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet is overleden.

De rechtbank stelt voorop, dat voor een rechtspersoon of een ingevolge artikel 18a, derde lid, van de Wav daarmee gelijkgestelde entiteit, anders dan voor natuurlijke personen in artikel 19b, eerste lid, van de Wav het geval is, wettelijk niet is geregeld dat een boete niet meer kan worden opgelegd wanneer aan het bestaan van de rechtspersoon of de daarmee gelijkgestelde entiteit een einde is gekomen. Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 523, nr. 3, p. 17) bij artikel 19b van de Wav is deze bepaling in navolging van artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de Wav opgenomen.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR) in gevallen als de onderhavige (zie onder meer de arresten van 24 september 2002, LJN: AE0553 en 15 oktober 2002, LJN: AE6870) moet het recht tot strafvordering tegen een rechtspersoon of een voor de toepassing van artikel 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit als vervallen worden beschouwd, indien op het tijdstip dat een vervolging wordt aangevangen voor derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het handelsregister) dat een rechtspersoon of een daarmee gelijkgestelde entiteit is ontbonden dan wel is opgehouden te bestaan.

Gelet op het vorenstaande hierop dient naar het oordeel van de rechtbank in navolging van de jurisprudentie van de HR bij het aan artikel 69 Sr en artikel 19b van de Wav ten grondslag liggende beginsel te worden aangesloten. Hieruit volgt dat aan een rechtspersoon of een op grond van artikel 18a, derde lid, van de Wav daarmee gelijkgestelde entiteit geen boete kan worden opgelegd wanneer voor derden kenbaar is dat deze rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit – in casu: de maatschap – is ontbonden dan wel is opgehouden te bestaan.

De rechtbank stelt op grond van de stukken vast, dat de maatschap per 31 mei 2007 volledig is opgehouden te bestaan en dat dit ten tijde van het besluit van 21 februari 2008, waarbij aan de maatschap de onderhavige boete is opgelegd, bij verweerder ook bekend was. Uit een uittreksel van het handelsregister blijkt dat de besloten vennootschap op 31 mei 2007 is opgericht en eisers hebben verweerder in de zienswijze van 7 februari 2008 gemeld, dat de maatschap in een besloten vennootschap is omgezet. Het namens verweerder ter zitting ingenomen standpunt, dat voor verweerder niet kenbaar was dat de maatschap niet meer bestond, treft dan ook geen doel.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat verweerder niet meer bevoegd was om op grond van de Wav aan de maatschap een boete op te leggen. De stelling van verweerders gemachtigde ter zitting, dat de boete als een schuld op de maten afzonderlijk dan wel op de besloten vennootschap is overgegaan, volgt de rechtbank niet. Omdat de boete niet meer aan de maatschap kon worden opgelegd, kan ook geen sprake zijn van het overgaan van een schuld op de maten dan wel de besloten vennootschap.

Nu verweerder gelet op het bovenstaande niet bevoegd was tot het opleggen van de onderhavige boete aan de maatschap, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 21 februari 2008 te herroepen.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eisers om vergoeding van de kosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken overweegt de rechtbank als volgt. Uit het voorgaande vloeit voort dat de herroeping het gevolg is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, waarbij 1 punt staat voor € 322).

De rechtbank acht eveneens termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ingediend door Janity Flowers B.V. niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep ingediend door eisers gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

herroept het besluit van 21 februari 2008;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep ten bedrage van € 1288 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 288 aan hen vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 13 mei 2009