Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ9035

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
625394 HA VERZ 09-5164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat werkgeefster zich, achteraf gezien, vergist zou hebben toen zij werknemer wegens een dringende reden ontslag gaf, staat het oordeel dat er geen basis meer is voor verdere samenwerking niet in de weg. Voorwaardelijk ontbindingsverzoek wordt toegewezen, verzochte vergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 186
AR-Updates.nl 2009-0725
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Tiel

zaakgegevens 625394 \ HA VERZ 09-5164 \ 51 WHvE/Th

uitspraak van 16 september 2009

beschikking

in de zaak van

de besloten vennootschap Internationaal Verhuis- en Transportbedrijf

Jan de Lely B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Geldermalsen

verzoekende partij

gemachtigde mr. A. Mooiweer

en

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. G.W. Boogaard

1. De procedure

1.1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 juli 2009, verzoekt de besloten vennootschap Internationaal Verhuis- en Transportbedrijf Jan de Lely B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Geldermalsen, hierna te noemen De Lely, de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [verweerder], wonende te [woonplaats] aan [straatnaam en nummer], voorwaardelijk te ontbinden op de in het inleidend verzoekschrift omschreven gronden.

De gemachtigde van De Lely is mevrouw A. Mooiweer, medewerkster van ARAG Nederland Algemene Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., kantoorhoudende te Leusden (Postbus 230, 3830 AE Leusden).

1.2. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie op 28 augustus 2009. Zijn gemachtigde is mr. G.W. Boogaard, advocaat te Leerdam, aldaar kantoorhoudende aan het Oranjeplein 2.

[verweerder] concludeert tot afwijzing van het voorwaardelijk ontbindingsverzoek; subsidiair, voor het geval de kantonrechter de ontbinding mocht uitspreken, maakt [verweerder] aanspraak op een vergoeding conform de kantonrechtersformule met toepassing van correctiefactor 2.

1.3. Ter zitting d.d. 2 september 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het verzoekschrift en het verweerschrift. Verwezen wordt naar de aantekeningen die de griffier van de mondelinge behandeling heeft gemaakt, waaraan gehecht de pleitnotitie van de gemachtigde van De Lely. [verweerder] heeft De Lely in kort geding gedagvaard. Hij vordert onder meer doorbetaling van het hem toekomende loon vanaf de datum van ontslag tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. De behandeling van het kort geding heeft tegelijkertijd met de behandeling van het onderhavige verzoekschrift/verweerschrift plaatsgevonden.

1.4. De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. Het verzoek, het verweer en de beoordeling daarvan

2.1. Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

a. [verweerder] (geboren op [dag en maand] 1952) is op 1 februari 2005 bij [naam rechtsvoorganger], rechtsvoorganger van de Lely, in dienst getreden in de functie van internationaal chauffeur. Het overeengekomen salaris bedraagt € 2.280,01 bruto per vier weken exclusief 8% vakantietoeslag en de overuren.

b. Op maandag 9 maart 2009 zou [verweerder] de rit van Zevenaar (opdrachtgever [naam opdrachtgever]) naar Le Mans rijden. Het betrof het vervoer van een kostbare vracht sigaretten met een waarde van ongeveer € 3.000.000,00.

De Lely legt zich toe op het verzorgen van transporten in het hogere marktsegment.

c. [verweerder] is op maandagochtend 9 maart 2009 om 6.30 uur van het terrein van De Lely vertrokken. Omstreeks 9.00-9.30 uur is De Lely door [naam opdrachtgever] te Zevenaar gebeld met de mededeling dat [verweerder] niet mag vertrekken, omdat hij sterk naar alcohol ruikt. De Lely heeft op dat moment [verweerder] direct telefonisch meegedeeld dat hij op staande voet is ontslagen. Een collega van [verweerder], [naam collega], is samen met de directeur van De Lely naar Zevenaar gereden om de rit van [verweerder] over te nemen en ook om [verweerder] op te halen.

d. De ontslagbrief d.d. 9 maart 2009, in afschrift gehecht aan het inleidend verzoekschrift, luidt als volgt:

“Geachte heer [verweerder],

U bent heden op staande voet ontslagen. Deze ochtend arriveerde u m 8.00 uur met de vrachtauto in Zevenaar bij de klant [naam opdrachtgever] onder invloed van alcohol.

Onder invloed rijden is ten strengste verboden en hierop volgt direct ontslag op staande voet.

Wij verwijzen u naar ons schrijven d.d. 13 maart 2008 waarna wij u nog eenmaal een kans hebben gegeven.

Wij zullen uw eindafrekening maken. Tevens zullen de kosten, welke extra gemaakt wordt door uw toedoen, in mindering worden gebracht op uw salaris.

Een klant krijgen in onze branche is al moeilijk genoeg in deze tijd.

De directie heeft moeten praten als brugman om deze klant tevreden te stellen. Deze vracht is een hoogwaardige lading, u wel bekend.

Het kan zijn dat er sancties komen van de opdrachtgever. Deze zullen voor uw rekening komen.

Hoogachtend,

Jan de Lely B.V.

[naam ondertekenaar]”

d. Er is op dezelfde dag ook een bericht binnengekomen van de opdrachtgever van De Lely, [naam opdrachtgever 2] te Madrid, dat als productie 2 aan het inleidend verzoekschrift is gehecht. [persoon x] van [naam opdrachtgever 2] bericht Jan de Lely.:

“Dear sirs,

Incident at our client [naam opdrachtgever] in Zevenaar d.d. 09-03-09 with truck [kenteken] and driver mr. [voornamen] [verweerder].

This person arrived at 09-03-09 to load in Zevenaar with very strong alcohol smell around him. We didn’t accept this truckdriver to work for us and you send a new driver to continue the transport.

We will not accept mr. [verweerder] to drive anymore for our company or for our clients.

We had a delay in loading and delivery and will charge these costs to you.

We will not accept to happen again and the firm Jan de Lely received a bad point on this event.

Yours faithfully,

[naam opdrachtgever 2] S.A.

[persoon x]”

e. [verweerder] heeft een beroep gedaan op de nietigheid van het aan hem gegeven ontslag op staande voet.

3. De Lely verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voorwaardelijk te ontbinden, voor het geval er nog een arbeidsovereenkomst mocht blijken te bestaan, primair wegens dringende redenen, subsidiair wegens verandering van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW. Voor wat betreft de gronden van het verzoek wordt verwezen naar het inleidend verzoekschrift.

Ter toelichting met betrekking tot de subsidiaire grondslag is gesteld dat De Lely geen vertrouwen meer heeft in verdere samenwerking met [verweerder]. In het verzoekschrift maakt zij melding van eerdere voorvallen waarbij onder andere het alcoholgebruik van [verweerder] onderwerp van discussie is geweest. Voor De Lely is naar aanleiding van de gebeurtenissen van 9 maart 2009 de maat vol.

De Lely heeft ter zitting nog toegelicht dat, gelet op de toenemende concurrentie in de transportwereld, zij zich meer toelegt op het hogere marktsegment. Daarbij gaat het om waardevolle transporten. Opdrachtgevers stellen hoge eisen aan de kwaliteit van het transport. [naam opdrachtgever] is een belangrijke opdrachtgever voor

De Lely. De directeur van De Lely is kort na het voorval van 9 maart 2009 naar Madrid afgereisd, daar [naam opdrachtgever] dreigde de relatie met De Lely vanwege de gebeurtenissen van 9 maart 2009 te beëindigen.

4. [verweerder] heeft het voorwaardelijk ontbindingsverzoek betwist. Betwist wordt dat er sprake was van gebruik van alcohol op maandag 9 maart 2009. Aangevoerd wordt dat hij in Zevenaar onwel was geworden en om een arts had gevraagd, hetgeen hem geweigerd zou zijn. [verweerder] voert verder aan dat hij vanuit Zevenaar zich ziek heeft gemeld bij De Lely en de Lely heeft laten weten dat hij niet tot rijden in staat was. Korte tijd na het ontslag is bij [verweerder] een geperforeerde long geconstateerd, waarvoor hij ook in het ziekenhuis is opgenomen. De vermeende alcohollucht zou volgens [verweerder] te herleiden zijn tot een slechte adem als gevolg (naar later is vastgesteld) van de geperforeerde long.

[verweerder] plaatst voorts kritische kanttekeningen bij de eerdere voorvallen waarvan

De Lely in haar verzoekschrift melding maakt.

5. De kantonrechter wijst het voorwaardelijk ontbindingsverzoek toe op de subsidiaire grondslag. Voldoende aannemelijk is geworden dat door de gebeurtenissen van

9 maart 2009 er geen enkel vertrouwen meer is in verdere samenwerking met [verweerder]. Deze gewijzigde omstandigheid valt volledig aan [verweerder] toe te rekenen. Om die reden brengt de billijkheid niet met zich mee dat aan [verweerder] een vergoeding moet worden toegekend.

Nog daargelaten dat [verweerder] zijn verweer - dat er op 9 maart 2009 geen sprake is geweest van alcoholgebruik en dat hij dus niet onder invloed van alcohol was toen hij naar Zevenaar was vertrokken om de aan hem gegeven opdracht ten behoeve van [naam opdrachtgever] uit te voeren en dat de vermeende alcohollucht te herleiden zou zijn tot de geperforeerde long, zoals enige tijd later bij hem is geconstateerd - op geen enkele wijze met stukken is onderbouwd (een verklaring van een arts die een en ander zou kunnen bevestigen – de oorzaak van de vermeende alcohollucht – is niet in het geding gebracht) is de kantonrechter van oordeel dat, ook al zou achteraf niet met zekerheid zijn vast te stellen dat er daadwerkelijk sprake was van alcoholgebruik op de bewuste ochtend van 9 maart 2009, dat gegeven niet in de weg behoeft te staan aan de vaststelling in rechte dat er in ieder geval geen basis meer is voor verdere samenwerking tussen partijen vanwege het ontbreken van vertrouwen van De Lely in [verweerder].

Niet is aangevoerd of anderszins in dit proces gebleken dat [verweerder], toen hij vanwege het vermeende alcoholgebruik door medewerkers van [naam opdrachtgever] werd aangesproken, betwist heeft dat er sprake was van alcoholgebruik.

Ook is niet gebleken dat [verweerder] heeft aangevoerd dat er van alcoholgebruik geen sprake was op het moment dat hij van De Lely ontslag op staande voet kreeg. Voor De Lely was dan ook geen grond aanwezig om aan de juistheid van haar bevindingen (en die van anderen, onder wie haar opdrachtgever) te twijfelen. Uitgaande van de lezing van [verweerder], kan [verweerder] worden toegerekend dat hij De Lely te lang in het ongewisse heeft gelaten omtrent de oorzaak van de alcohollucht, die anderen hadden geconstateerd. Eerst in het verweerschrift wordt van deze vermeende oorzaak gewag gemaakt. Ook dat valt [verweerder] toe te rekenen.

De overige voorvallen waarvan De Lely in het verzoekschrift melding maakt spelen in de oordeelsvorming van de kantonrechter in deze zaak geen rol.

Het ontbindingsverzoek wordt toegewezen op de subsidiaire grondslag, waarbij de kantonrechter zich beperkt tot de gebeurtenissen van 9 maart 2009. Hiervoor heeft de kantonrechter reeds geoordeeld dat het enkele feit, dat De Lely zich in de oorzaak van de vermeende alcohollucht zou hebben vergist – hetgeen overigens geenszins aannemelijk is geworden – het oordeel dat er geen basis meer is voor verdere samenwerking tussen partijen niet in de weg staat.

Wel is er voor de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

3. De beschikking

De kantonrechter,

3.1. wijst het voorwaardelijk ontbindingsverzoek met onmiddellijke ingang toe op grond van verandering van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW;

3.2. wijst de verzochte vergoeding af;

3.3. compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2009.