Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ8847

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
183879
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wilsvertrouwensleer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 459
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183879 / HA ZA 09-702

Vonnis in verzet van 16 september 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in het verzet,

advocaat mr. M.E.W. van Schaijk te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELA UITVAARTVERZORGING B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. F.J. van Rossem te Oss.

Partijen zullen hierna Dela en [eiser in het verzet] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 mei 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 7 augustus 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 6 april 2007 is [[[ ] [betrokkene], die gedurende vier à vijf jaar de kostganger was van [eiser in het verzet] en zijn echtgenote, in het ziekenhuis overleden.

2.2. Aangezien [betrokkene] geen contact meer had en wilde met zijn familie, heeft [eiser in het verzet] in de administratie van [betrokkene] gezocht naar de benodigde papieren in verband met het overlijden. [eiser in het verzet] heeft toen een polisblad aangetroffen waaruit bleek dat [betrokkene] met ingang van 1 maart 2007 een ‘Dela Uitvaartverzekering’ had afgesloten.

2.3. [eiser in het verzet] heeft na de vondst van de polis contact opgenomen met Dela (of Dela Verzekeringen N.V.), waarna hij op 17 april 2007 thuis is bezocht door

[[medewerker van Dela]r van Dela] van Dela.

2.4. [medewerker van Dela] heeft [eiser in het verzet] tijdens haar bezoek gevraagd een document te ondertekenen met als opschrift ‘Voorlopige kostenopgave en opdracht tot tenuitvoerlegging’. In dat document staat (voor zover van belang) het volgende:

“Onderstaande voorlopige opgave heeft de bedoeling inzicht te geven in de rekening van de uitvaartkosten die t.z.t. zal worden toegezonden. (...)”.

De hierop volgende specificatie van de diverse kosten van de crematie sluit met de tekst:

“Totaal meerkosten opdrachtgever € 4.141,14

ATP polis 8.000,00

Tegoed € 3.858,86”

Op het slotblad van het document staat [eiser in het verzet] als opdrachtgever vermeld, met daaronder de tekst:

“Geeft bij deze op eigen naam en voor eigen rekening, niet als lasthebbende namens de nabestaanden of erfgenamen, opdracht aan DELA Uitvaartverzorging B.V. tot uitvoering van bovenstaande uitvaart en verklaart de kosten welke samenhangen met deze uitvaart, al dan niet geheel of gedeeltelijk gedekt door een verzekering bij DELA Natura Uitvaartverzekering N.V. en/of DELA Verzekeringen N.V. binnen 30 dagen na factuurdatum te voldoen. Bij overschrijding van deze betalingstermijn wordt 1% rente per maand extra in rekening gebracht, alsmede alle eventuele door opdrachtnemer te maken inningskosten, zowel in als buiten rechte. Opdrachtgever verklaart zich door ondertekening van deze opdracht met vorenstaande akkoord. (...)

Omdat het overlijden binnen een jaar na afsluiten van de verzekering bij DELA heeft plaatsgevonden, zal de medisch adviseur van DELA besluiten over de geldigheid van de verzekering. Als hieruit blijkt dat er geen geldige verzekering is, heeft dit financiële gevolgen voor de opdrachtgever.”

Onder deze tekst staat de handtekening van [eiser in het verzet].

2.5. Op 10 mei 2007 is aan ‘de Erven van de heer [ ] [betrokkene]’ op het adres van [eiser in het verzet] het volgende geschreven (voor zover hier van belang):

“Bij aanvang van een verzekering met gezondheidsaspecten, in dit geval een kapitaalverzekering, stelt elke verzekeraar (...) een aantal vragen omtrent de gezondheid van de kandidaat-verzekerde(n).

Om de geldigheid bij afsluiting vast te stellen wordt er bij overlijden, kort na aanvang van de verzekering, in alle gevallen gevraagd naar de oorzaak hiervan. Op deze manier kunnen wij nagaan of de gestelde gezondheidsvragen bij het aangaan van de verzekering naar waarheid zijn beantwoord. Mocht dit laatste niet het geval zijn, dan kunnen wij een beroep doen op de mededelingsplicht uit het nieuwe verzekeringsrecht (Burgerlijk Wetboek).

Omdat het overlijden binnen 12 maanden na het afsluiten van de verzekering plaatsvond, willen wij graag antwoord op de vragen zoals vermeld in de bijgaande lijst. Deze zullen worden voorgelegd aan onze medisch adviseur.

Wij verzoeken u vriendelijk de door u ingevulde vragenlijst aan ons te retourneren, waarna wij u zo spoedig mogelijk op de hoogte kunnen stellen van de verdere afwikkeling. (...)”.

2.6. De echtgenote van [eiser in het verzet] heeft op de vragenlijst onder meer een ziekenhuisopname vermeld in verband met ‘de hersenen’ in augustus 2006. Op 14 mei 2007 is het formulier door haar of [eiser in het verzet] ondertekend en geretourneerd.

2.7. Op 21 mei 2007 heeft een medisch adviseur in het dossier met betrekking tot [betrokkene] genoteerd:

“Weigeren. Heeft bij aanvraag opname ivm hersenen verzwegen.”

2.8. Dela Verzekeringen N.V. heeft geweigerd onder de door [betrokkene] afgesloten polis de uitvaartkosten ad € 4.089,71 te betalen.

2.9. Dela heeft de uitvaartkosten bij [eiser in het verzet] in rekening gebracht. Nadat betaling uitbleef, heeft Dela in rechte de veroordeling gevorderd van [eiser in het verzet], die zij beschouwt als opdrachtgever van de uitvaart, tot voldoening van de factuur, vermeerderd met rente en kosten. Bij verstekvonnis van 11 maart 2009 is deze vordering toegewezen.

3. Het geschil en de beoordeling ervan

3.1. Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat [eiser in het verzet] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

3.2. [eiser in het verzet] heeft gevorderd dat de rechtbank hem bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, uit de verstekveroordeling zal ontheffen en dat rechtbank alsnog Dela in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren althans die vordering zal afwijzen en Dela in de kosten van de beide procedures zal veroordelen. Het verweer van [eiser in het verzet] dat de dagvaarding nietig is, is ter zitting ingetrokken. Als inhoudelijk verweer tegen de vordering van Dela op hem als opdrachtgever van de uitvaart heeft [eiser in het verzet] onder meer betoogd dat hij inderdaad opdracht heeft gegeven de uitvaart te verzorgen, maar dat als hij vóór het geven van de opdracht door Dela op de mogelijke financiële consequenties daarvan zou zijn gewezen, hij daarvan zou hebben afgezien. Ter zitting heeft [eiser in het verzet] verklaard dat hij na een toelichting door mevrouw [medewerker van Dela] op de uitvaart een brief moest ondertekenen en dat hij die brief niet eerst heeft gelezen. [eiser in het verzet] heeft daaraan toegevoegd dat hij niet goed kan lezen. Verder is ter zitting namens [eiser in het verzet] verklaard dat mevrouw [eiser in het verzet] in dat gesprek heeft opgemerkt dat zij geen nabestaande was, in verband met de uitleg van mevrouw [medewerker van Dela] dat de polis een begrafenisdeel en een nabestaandenuitkering omvatte.

3.3. Namens Dela is ter zitting benadrukt dat [eiser in het verzet] door middel van het door hem ondertekende stuk over zijn positie als opdrachtgever is geïnformeerd. Niet voor niets bedient Dela zich van deze tekst, die is bedoeld om getuigenverhoren achteraf over wat is afgesproken met de relaties van de overledene - die zeer divers van aard zijn - te voorkomen, zo is ter zitting daaraan toegevoegd.

3.4. Hetgeen de partijen hebben aangevoerd, doet de vraag rijzen waarover zij op 17 april 2007 wilsovereenstemming hebben bereikt. Niet in geschil is dat [eiser in het verzet] met het ondertekenen van het document van Dela van die datum opdracht heeft gegeven aan Dela om de uitvaart van [betrokkene] te verzorgen, maar de vraag rijst of [eiser in het verzet] zich door het plaatsen van zijn handtekening óók heeft willen verbinden tot het - zonodig - voldoen van de kosten daarvan. Op grond van de door Dela niet betwiste stellingen van [eiser in het verzet] dat [betrokkene] slechts kostganger en geen familie of vriend van het echtpaar [eiser in het verzet] was en [eiser in het verzet] niet beschikt(e) over de financiële middelen om de uitvaart van [betrokkene] te bekostigen is aannemelijk dat bij [eiser in het verzet] inderdaad de wil heeft ontbroken zich voor die kosten te verbinden. Van een voor een geldige rechtshandeling vereiste wilsverklaring (art. 3:33 BW) is dan geen sprake.

3.5. De vraag is echter of [eiser in het verzet] het ontbreken van zijn wil tegen Dela kan inroepen. [eiser in het verzet] heeft immers het document van Dela van 17 april 2007 ondertekend, waarin kort en goed staat dat [eiser in het verzet] zich als opdrachtgever op eigen naam en voor eigen rekening verbindt de kosten van de uitvaart aan Dela te voldoen, dat de geldigheid van de verzekering bij Dela nog moet worden beoordeeld en dat de uitkomst daarvan financiële gevolgen kan hebben voor de opdrachtgever. Beoordeeld zal moeten worden of Dela uit het feit dat [eiser in het verzet] dit stuk heeft ondertekend in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat [eiser in het verzet] deze verbintenis op zich wilde nemen, met andere woorden: of Dela daarop gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen (art. 3:35 BW).

3.6. Bij de beoordeling of er door Dela gerechtvaardigd op is vertrouwd dat de door [eiser in het verzet] ondertekende verklaring overeenstemde met zijn wil, moet rekening worden met alle relevante omstandigheden van het geval, zoals de aard van de rechtshandeling, de eventuele bijzondere deskundigheid van de partijen, de mogelijkheid van nader onderzoek naar de wil van de declarant en de aan de handeling klevende voor- en nadelen voor de partijen.

3.7. Over de omstandigheden waaronder [eiser in het verzet] het document heeft ondertekend, heeft hij het volgende gesteld. [eiser in het verzet] heeft niet ten behoeve van een naaste, maar ten behoeve van zijn kostganger - bij gebreke van (contact met) verwante nabestaanden - de uitvaart geregeld. In het gesprek met Dela voor de uitvaart is ter sprake geweest dat [eiser in het verzet] niet een nabestaande was. [eiser in het verzet] had niet eerder een uitvaart geregeld. Namens Dela is de uitvaart toegelicht en daarna moest [eiser in het verzet] het stuk ondertekenen. [eiser in het verzet] heeft dat niet eerst gelezen. [eiser in het verzet] wist niet dat daarin behalve de opdracht tot het feitelijk verzorgen van de uitvaart ook stond dat de kosten van de uitvaart aan hem in rekening konden worden gebracht. Deze stellingen zijn door Dela niet betwist, zodat zij als vaststaand worden aangenomen. Wel is namens Dela ter zitting bewijs aangeboden ‘van wat er besproken is tijdens het bezoek van mevrouw [medewerker van Dela] aan [eiser in het verzet] en hoe dat is gegaan’, maar aan dit bewijsaanbod wordt voorbijgegaan. Wat Dela precies aanbiedt te bewijzen, is namelijk onduidelijk omdat concrete stellingen van Dela daarover ontbreken. Namens Dela is wel betwist dat mevrouw [medewerker van Dela] wist dat [eiser in het verzet] niet goed kan lezen, maar aangezien niet is betwist dat [eiser in het verzet] het document voor ondertekening niet eerst heeft gelezen, doen de reden waarom [eiser in het verzet] dat niet heeft gedaan en de (on-)bekendheid daarmee van mevrouw [medewerker van Dela] niet ter zake. Er is daarom geen reden voor een bewijsopdracht voor dit punt.

3.8. Naast de hiervoor genoemde, vaststaande feiten zijn de volgende feiten en omstandigheden nog van belang. Dela is deskundig op het gebied van de verzorging van uitvaarten. Zij is bekend met de inhoud van de verzekeringspolissen op dit gebied. Zij was ervan op de hoogte dat in dit geval de uitvaartverzekering kort vóór het overlijden was afgesloten. Zij wist van de reële kans dat het niet tot een uitkering onder de verzekering zou komen. Het risico dat zij met de kosten van door haar te leveren diensten zou blijven zitten, heeft zij willen afwentelen op [eiser in het verzet]. Zij wist dat [eiser in het verzet] niet de nabestaande was en dat [eiser in het verzet] dus ook niet wettelijk gehouden was te voorzien in de kosten van lijkbezorging van [betrokkene]. Zij wist ook dat [eiser in het verzet] haar benaderd heeft voor de verzorging van de uitvaart, omdat hij een polisblad van Dela had gevonden.

3.9. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden had het op de weg van Dela gelegen [eiser in het verzet] ondubbelzinnig te informeren over zijn positie en de kans dat hij voor de kosten van de uitvaart zou opdraaien als Dela die zou verzorgen. [eiser in het verzet] hoefde daarop uit zichzelf niet bedacht te zijn. Op grond van de vaststaande feiten moet het ervoor worden gehouden dat Dela dat niet heeft gedaan. Weliswaar heeft zij [eiser in het verzet] een daartoe strekkende clausule laten ondertekenen, maar daarmee heeft zij niet aan haar informatieplicht voldaan, niet alleen doordat [eiser in het verzet] die tekst niet heeft gelezen, maar ook doordat die tekst op zichzelf voor een leek als [eiser in het verzet], die ervan uitging dat er een verzekering was die de kosten zou dekken, niet zonder meer begrijpelijk zou kunnen zijn.

3.10. Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat Dela er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [eiser in het verzet] met het ondertekenen van het stuk van 17 april 2007 heeft verklaard de uitvaartkosten van [betrokkene] te willen dragen. In dit opzicht is die rechtshandeling van [eiser in het verzet] dan ook nietig en is dus in zoverre geen overeenkomst van opdracht in de door Dela bedoelde zin tot stand gekomen.

3.11. Een andere grondslag waarop [eiser in het verzet] gehouden is tot voldoening van de uitvaarkosten van [betrokkene] is gesteld noch gebleken, zodat de vorderingen van Dela niet toewijsbaar zijn. Hetgeen de partijen overigens nog hebben aangevoerd, hoeft geen (verdere) bespreking. Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd. De vorderingen van Dela zullen alsnog worden afgewezen.

3.12. Dela zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De kosten van het betekenen van het verstekvonnis en die van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van het bepaalde in art. 141 Rv voor rekening van [eiser in het verzet] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [eiser in het verzet] in eerste instantie niet is verschenen. Aangezien niet bekend is of het verstekvonnis is betekend en wat de eventuele kosten daarvan zijn, worden deze begroot op nihil. De door Dela te vergoeden kosten aan de zijde van [eiser in het verzet] worden begroot op:

- betaald vast recht EUR 78,25

- in debet gesteld vast recht 234,75

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.081,00.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. vernietigt het door deze rechtbank op 11 maart 2009 onder zaaknummer / rolnummer 180666 / HA ZA 09-199 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

4.2. wijst de vorderingen af,

4.3. veroordeelt Dela in de kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van [eiser in het verzet] tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten van de verzetprocedure met uitzondering van na te melden kosten, aan de zijde van [eiser in het verzet] tot op heden begroot op EUR 1.081,00 ,

4.4. veroordeelt [eiser in het verzet] in de kosten die zijn veroorzaakt door het aanvankelijk niet verschijnen, aan de zijde van Dela tot op heden begroot op nihil voor de kosten van de betekening van het verstekvonnis,

4.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

4.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2009.