Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ8533

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/4942
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19 Ziektewet. Onjuiste maatstaf. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er een uitzondering dient te worden gemaakt op het uitgangspunt dat onder “zijn arbeid” dient te worden verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de ongeschiktheid heeft verricht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de werkzaamheden in de functie van productiemedewerker als maatgevende arbeid had moeten worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4942

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 september 2009

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. D.F. Tirkes,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 25 september 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2008 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij met ingang van 10 juli 2008 geen recht (meer) heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 juni 2009. Eiseres is aldaar verschenen met haar zoon, zonder gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Diekema, werkzaam bij het UWV Arnhem.

3. Overwegingen

Eiseres is op 20 november 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet uitgevallen met rechterhandklachten. Verweerder heeft eiseres met ingang van 10 juli 2008 in staat geacht tot het verrichten van werkzaamheden en heeft de ZW-uitkering dientengevolge ingetrokken.

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft primair aangevoerd dat verweerder van de onjuiste maatgevende arbeid is uitgegaan. Volgens eiseres is niet de arbeid in de functie van entmedewerkster de maatgevende arbeid, maar veeleer de arbeid in de functie van productiemedewerker bij Centraal Boekhuis B.V.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Onder “zijn arbeid” dient volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep

te worden verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de ongeschiktheid heeft verricht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er een uitzondering dient te worden gemaakt op het uitgangspunt dat onder “zijn arbeid” dient te worden verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de ongeschiktheid heeft verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de laatstelijk verrichte arbeid als hulp in de thuiszorg, mede gelet op de korte duur van die werkhervatting en de functiebelasting terzake, terecht niet aangemerkt als zijn arbeid in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de daarvoor verrichte werkzaamheden in de functie van productiemedewerker bij Centraal Boekhuis B.V in september/oktober 2007 als maatgevende arbeid had moeten worden aangemerkt. Uit de voorhanden stukken is de rechtbank niet gebleken van een adequaat onderzoek terzake.

De bezwaararbeidsdeskundige P. van Kesteren heeft in zijn rapport van 19 september 2008 verwezen naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt die op 10 maart 2008 dienaangaande heeft gemeld dat eiseres 14 dagen heeft gewerkt en dat gezien de korte duur van deze arbeid niet is te stellen dat eiseres goed heeft gefunctioneerd in deze arbeid. Geoordeeld wordt dat uit de vaststelling dat slechts 14 dagen is gewerkt niet kan worden afgeleid dat het werk bij Centraal Boekhuis B.V medisch niet geschikt was voor eiseres. In dit verband wijst de rechtbank tevens op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 januari 2005 (LJN AS 3620) waaruit valt af te leiden dat ook indien arbeid is verricht waarvan vast staat dat deze medisch niet geschikt is te achten, deze arbeid als maatgevende arbeid kan worden aangemerkt.

Voorts blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben van 13 augustus 2008 dat eiseres bij het spreekuur op 13 augustus 2008 heeft verklaard dat zij zes weken heeft gewerkt bij Centraal Boekhuis. Niet duidelijk is dan ook waar verweerder de vaststelling op heeft gebaseerd dat eiseres 14 dagen heeft gewerkt. De rechtbank merkt op dat de duur van de werkhervatting van belang is bij de vaststelling welke arbeid als maatstaf in de zin van artikel 19 van de ZW dient te worden genomen.

Het vorenstaande heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd en derhalve wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Aangezien verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen en nog niet vaststaat hoe dit nieuwe besluit zal gaan luiden, ligt het thans niet op de weg van de rechtbank om zich over mogelijke vergoeding van de schade, zoals door eiseres verzocht, uit te spreken. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit tevens aandacht zal moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om de schade te vergoeden.

De rechtbank acht wel termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. De rechtbank heeft de kosten in verband met verleende rechtsbijstand begroot op € 644. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2008, met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644;

bepaalt voorts dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 39 vergoedt;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 17 september 2009