Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ8097

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
21-09-2009
Zaaknummer
179614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft zich beroepen op verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van de volgens eiser onrechtmatige toestand in de zin van artikel 3:314 lid 1 BW, omdat de in 1968 geplante bomen in 1985 waren volgroeid, zodat de verjaringstermijn van twintig jaar (artikel 3:306 BW) in 2005 was voltooid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 179614 / HA ZA 09-65

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L.M. Dressel te Eindhoven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.H.M. van Swaaij te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 27 mei 2009. De daarop gehouden comparitie van partijen ter plaatse, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt, heeft niet tot overeenstemming geleid. Bij die gelegenheid is de conclusie van antwoord in reconventie genomen. Vervolgens is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. [eiser] is eigenaar en bewoner van de woning c.a. aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie B, nummer 3704. De akte, waarin de woning aan [eiser] is geleverd, is opgemaakt op 18 januari 1999.

1.2. Het kadastrale perceel van [eiser] grenst aan de achterzijde aan het kadastrale perceel gemeente [woonplaats], sectie B, nummer 3803, plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats]. De eigendom daarvan is op 25 november 1966 verworven door [betrokkene], de echtgenoot van [gedaagde], waarna ter plaatse hun woning is gebouwd. Na het overlijden van [betrokkene] is zijn weduwe daar blijven wonen.

1.3. Tussen de tuinen van de partijen loopt een pad, dat dient als toegang tot de tuinen achter de aan de [straat] gelegen woningen, waaronder - gezien vanuit het noordwesten - als laatste de woning van [eiser].

1.4. [eiser] heeft enige tijd geleden zijn tuin opnieuw ingericht. Hij heeft daarbij evenwijdig aan de grens met zijn buren aan de [straat] twee muren opgetrokken, die deels staan op het pad.

1.5. Achter in de tuin van [gedaagde] staan zeven naaldbomen en een wilg, die [betrokkene] in 1968 daar heeft geplant. De naaldbomen hebben een hoogte van omstreeks tien meter bereikt.

Het geschil in conventie en reconventie

2. [eiser] stelt dat hij ernstige en onrechtmatige hinder ondervindt van de acht grote bomen die in de [betrokkene]edaagde] staan. Daar deze bomen (te) kort op de perceelsgrens staan, valt een zeer grote hoeveelheid naalden en bladeren in zijn tuin. De hoeveelheid is zo groot dat het voor hem wel haast ondoenlijk is zijn tuin vrij te houden van afval van de bomen. Daarnaast nemen de bomen in ernstige mate licht weg, zodanig dat zijn tuin in de zomer in de late middaguren verstoken blijft van zonlicht. [eiser] wijst er nog op dat er sprake is van een groot aantal overhangende takken. Ook is hij bevreesd dat een van de bomen, die door hun omvang windgevoelig zijn, bij een storm zal omvallen, waardoor het risico groot is dat die boom zijn huis zal beschadigen.

[eiser] vordert op grond daarvan de veroordeling van [gedaagde] de negen (bedoeld zal zijn acht) genoemde bomen te verwijderen, althans terug te brengen tot en te houden op een hoogte van twee meter, althans een door de rechtbank te bepalen hoogte, althans zodanige maatregelen te treffen dat de door de bomen veroorzaakte onrechtmatige hinder wordt weggenomen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat zij in strijd met het te wijzen vonnis handelt.

3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. In reconventie vordert zij [eiser] te veroordelen de beukenheg die door hem is geplant langs het pad tegen de door [gedaagde] geplaatste afscheiding, alsmede de muren voor zover deze staan op het pad te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor elke keer en elke dag dat hij geen gevolg geeft aan de veroordeling, kosten rechtens.

[gedaagde] voert daartoe het volgende aan. Het pad tussen haar terrein en de tuin van [eiser] ligt anders dan hij heeft gesteld op haar perceel 3803. Na de splitsing van het terrein waarop [betrokkene] en zijn echtgenote hun woning hebben gebouwd, hebben zij goed gevonden dat van hun perceel een strook ter breedte van één meter is gebruikt/vrij gehouden voor het pad ten behoeve van de achteruitgangen van de woningen aan de [straat], zoals dat voordien door de bewoners van die woningen ook werd gebruikt. De door [eiser] geplante heg staat dus op haar terrein, zij verlangt een einde aan de rechtsinbreuk. Zelfs indien het pad niet haar eigendom zou zijn, staat de heg binnen een halve meter van haar perceel, zodat ook dan verwijdering moet volgen. De muren die deels op het pad staan, vormen evenzeer een rechtsinbreuk, nu het pad haar eigendom is.

De beoordeling van het geschil

4. [gedaagde] heeft zich beroepen op verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van de volgens [eiser] onrechtmatige toestand in de zin van artikel 3:314 lid 1 BW, omdat de in 1968 geplante bomen in 1985 waren volgroeid, zodat de verjaringstermijn van twintig jaar (artikel 3:306 BW) in 2005 was voltooid.

Niet kan worden aangenomen dat de huidige toestand gedurende meer dan twintig jaar ongewijzigd heeft bestaan. Het betreft hier bomen, die wellicht na 1985 niet veel hoger zijn opgeschoten, maar dat betekent nog niet dat de bomen zich niet verder hebben ontwikkeld. Zo is het niet onaannemelijk dat de schaduwwerking van de bomen ook na 1985 is blijven toenemen doordat de dicht`bij elkaar staande bomen in de breedte verder zijn uitgegroeid. In zoverre kan een sinds 1985 bestaande toestand niet worden aangenomen. Het beroep op verjaring faalt daarom.

5. De rechter die de situatie ter plaatse heeft opgenomen, heeft de bomen waarvan [eiser] verwijdering of verkorting verlangt, gezien. De wilg bleek inmiddels zodanig te zijn gesnoeid, dat deze voor [eiser] geen hinder van enige betekenis meer oplevert. Wat de naaldbomen betreft, kan aan [eiser] worden toegegeven dat deze voor hem hinder opleveren door het op bepaalde uren wegnemen van zonlicht. Ook zullen er zeker periodiek naalden op de grond vallen. De door dit een en ander ondervonden overlast is naar het oordeel van de rechtbank echter niet zodanig dat [eiser] deze in redelijkheid niet behoeft te dulden. In dit verband wijst [gedaagde] er terecht op dat de bomen er al stonden toen [eiser] in 1999 zijn woning kocht. Dat betekent dat hij de door de aanwezigheid van de bomen veroorzaakte hinder eerder zal hebben te aanvaarden. Ook is van belang dat hier sprake is van een bomen- en schaduwrijk binnenterrein, waar de bomen van [gedaagde] bepaald niet uit de toon vallen. Dat er gevaar bestaat dat één (of meer) van de bomen zou(den) kunnen omwaaien met schade aan de woning van [eiser] als gevolg, is onvoldoende toegelicht. De enkele vrees dat dat zou kunnen gebeuren, is in elk geval onvoldoende. De aan de orde gestelde overhangende takken zijn tijdens de comparitie besproken. Daaraan kan verder worden voorbijgegaan, nu [eiser] geen daarop slaande vordering heeft ingesteld. Wel wordt aangetekend dat overhangende takken niet behoeven te worden geduld (artikel 5:44 BW).

6. De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] aan hem moeten worden ontzegd. Als de in het ongelijk gestelde partij komen de kosten van de procedure in conventie voor zijn rekening.

7. In reconventie verschillen de partijen van mening over de eigendom van het pad. In de transportakte van 25 november 1966, waarin een bouwperceel aan [betrokkene] is geleverd, is sprake van een perceel grond van ongeveer 8.58 are, zoals aangeduid op de aan de akte gehechte situatietekening. In de akte en tekening kan geen antwoord op de vraag aan wie het pad toebehoort, worden gevonden. Wel volgt uit de tekening dat de achtergrens van alle percelen aan de [straat] één rechte lijn vormt.

Bij de stukken bevinden zich de door de landmeter van het kadaster vervaardigde veldwerken 432 en 433, dienstjaar 1954, veldwerk 578, dienstjaar 1961 en veldwerk 751, dienstjaar 1966. Deze veldwerken hebben alle betrekking op de grenzen van de percelen aan de [straat]. Op de veldwerken 789 en 803, beide dienstjaar 1970, is de perceelsvorming weergegeven van de percelen aan de Willem Schifflaan, waaronder perceel 3803 van [gedaagde].

Op veldwerk 751 is als afstand tussen de uitbouw aan de woningen [straat] 340 en 342 en de achtergrens 11.80 meter ingemeten, terwijl op veldwerk 789 tussen de zelfde achtergrens en de woning van [gedaagde] een afstand is genoteerd van 11.05 meter. Vergelijking van deze maten met de tijdens de comparitie door de rechter zo goed mogelijk opgemeten afstanden tot het raster dat door [gedaagde] aan haar zijde van het pad is geplaatst (ongeveer 11.80 respectievelijk 11.14 meter), leert dat het pad op het perceel van [eiser] is gelegen. Dat dit het geval is, wordt nog bevestigd door veldwerk 578 (1961). Daar is het pad ook op de percelen aan de [straat] ingetekend. Hoewel het pad niet volledig is weergegeven, is het voldoende aannemelijk dat het bij het blok waarvan de woning van [eiser] deel uitmaakt, niet anders is, omdat het pad in een rechte lijn loopt.

Feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de eigendomsgrens en de kadastrale grens niet samen vallen, zijn niet gesteld of gebleken.

De conclusie is dat het pad voor zover het over het kadastrale perceel van [eiser] loopt, zijn eigendom is. Het door hem in dit verband subsidiair gedane beroep op verjaring, komt vervolgens niet aan de orde.

8. Het voorgaande betekent dat de heg en de muren, waarvan [gedaagde] de verwijdering vordert, zich op eigen terrein van [eiser] bevinden. Op de opvatting dat dat niet zo is, kan de vordering tot verwijdering daarom niet worden gegrond. Evenmin slaagt de vordering tot verwijdering van de heg op de grond dat deze zich binnen de wettelijk toegestane afstand van 0.50 meter tot de erfgrens bevindt. [eiser] beroept zich terecht op misbruik van bevoegdheid. In redelijkheid kan [gedaagde] geen verwijdering van de heg vragen, nu zij aan haar kant ook een heg tegen het raster heeft geplaatst. Overigens valt bij een dichtbegroeide tuin zoals [gedaagde] bezit, niet in te zien welk belang zij bij verwijdering van de heg zou kunnen hebben.

9. De vorderingen in reconventie zullen op grond van het voorgaande worden ontzegd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] de kosten van de procedure in reconventie moeten dragen.

De beslissing

de rechtbank

in conventie

ontzegt aan [eiser] zijn vorderingen,

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 1.158,00, waarvan € 254,00 wegens vast recht en € 904,00, wegens salaris,

verklaart de veroordeling in de kosten uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

ontzegt aan [gedaagde] haar vorderingen,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde [eiser] bepaald op € 904,00 wegens salaris, met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis,

verklaart de veroordeling in de kosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.

Coll.:

WA