Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ7734

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
AWB 07/2820 en 07/2822
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Directeur-groot-aandeelhouder in dienstbetrekking bij zijn vennootschap verhuurt een kamer in zijn woning als werkkamer aan de vennootschap. De verhuur is geen economische activiteit in de zin van artikel 4 van de Zesde Richtlijn, omdat belastingplichtige de hiervoor benodigde zelfstandigheid ontbreekt. Beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt. Na beoordeling van formulier “Opgaaf Gegevens startende onderneming” gemaakt voorbehoud, maakt eerder gewekt vertrouwen niet ongedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/63.24 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1984
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 07/2820 en 07/2822

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 11 juni 2009

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser op 28 november 2006 de volgende naheffingsaanslagen opgelegd:

- over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag omzetbelasting ten bedrage van € 105.919 (aanslagnummer [.].F.01.5501);

- over het tijdvak 1 juli 2006 tot en met 30 september 2006 een naheffingsaanslag omzetbelasting ten bedrage van € 4.134 (aanslagnummer [.]F.01.6502).

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 15 juni 2007 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 5 juli 2007, ontvangen door de rechtbank op 6 juli 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009 te Arnhem.

Namens eiser is daar verschenen als gemachtigde [A] ([B] BV). Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en mr. [D].

Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt met instemming van de wederpartij geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Afschriften daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [Y]. Eiser is register-accountant van beroep.

Eiser is enig aandeelhouder van [E] Beheer B.V. [E] Beheer B.V. is enig aandeelhouder van [F] B.V. Eiser is in dienstbetrekking bij [F] B.V. en enig bestuurder daarvan. [F] B.V. is mede-aandeelhouder van [G] Accountants B.V., die deel uitmaakt van het [G]-concern.

Eiser is via [F] B.V. partner bij [G] Accountants B.V. [F] B.V. verricht tegen vergoeding werkzaamheden voor [G] Accountants B.V. en is uit dien hoofde door verweerder als ondernemer aangemerkt voor de omzetbelasting. In een kantoor van het [G]-concern is voor die werkzaamheden een werkplek gereserveerd.

Eiser heeft een nieuwbouwwoning laten bouwen. De voorbereidende handelingen daarvoor zijn gestart in 2004. De oplevering heeft plaatsgevonden op 28 juni 2006. Eiser heeft de woning betrokken op 17 juli 2006.

Eiser en zijn echtgenote hebben met ingang van 18 juli 2006 een deel van de woning als kantoorruimte verhuurd aan [F] B.V.

In de huurovereenkomst van 18 juli 2006, waarin eiser en zijn echtgenote als Verhuurder en [F] B.V. als Huurder worden aangeduid, is onder meer het volgende opgenomen:

“ HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE EX ARTIKEL 7:230A BW

(...)

Artikel 1. Aanvang huurovereenkomst, het gehuurde en staat van het gehuurde

1. Verhuurder verhuurt aan Huurder (...) met ingang van 18 juli 2006 de kantoorruimte bestaande uit een werkkamer met een (vloer)oppervlak van circa 30 vierkante meter (...).

(...)

2. (...) Toegang tot het gehuurde vindt plaats vanuit de ontvangsthal van de privé woning van Verhuurder

Artikel 2. Bestemming

1. Het gehuurde mag door Huurder uitsluitend worden gebruikt als werkkamer ten behoeve van Huurder.

(...)

2. (...) Het is Huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Verhuurder het gehuurde een andere bestemming te geven.

Artikel 3. Gebruik

(...)

2. Huurder heeft het recht van medegebruik van de ontvangsthal, kamer 1 en kamer 2 van Verhuurder die toegang geven tot het gehuurde. Partijen zullen nader afspraken maken ten aanzien van het mede-gebruik en de toegang tot het gehuurde door Huurder. Uitgangspunt daarbij is dat Huurder te allen tijde toegang heeft tot het gehuurde en de daarvoor gelegen ontvangsthal, kamer 1 en kamer 2 van Verhuurder.

(...)

Artikel 4. Duur en opzegging

1. Deze huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

(...)

Artikel 5. Huurprijs (...)

1. De huurprijs bedraagt bij de aanvang van de huurovereenkomst totaal € 500,= (...) exclusief BTW, per maand.

(...)

Artikel 17. Omzetbelasting

1. Alle bedragen genoemd in deze overeenkomst zijn exclusief omzetbelasting. Verhuurder en Huurder zijn overeengekomen dat zij vanaf de aanvang van de huurovereenkomst opteren voor met omzetbelasting belaste verhuur.

(...)”.

De werkruimte is behalve vanuit de ontvangstruimte toegankelijk vanuit de woonkamer. De werkkamer is door van helder glas voorziene deuren van de woonkamer gescheiden.

Bij brief van 30 mei 2005 schrijft gemachtigde namens eiser aan verweerder onder meer het volgende:

“ Afstemming BTW-status/aanvraag BTW-nummer

(...)

1. Situatie (juridisch)

De heer [X] is enig aandeelhouder van [E] Beheer BV. Deze vennootschap is op haar beurt enig aandeelhouder van [F] BV. (...)

De heer [X] is in dienstbetrekking bij [F] BV.

De heer [X] is voornemens een nieuwbouwwoning te doen realiseren. Een gedeelte van deze nieuwbouwwoning zal (BTW-belast) worden verhuurd aan [F] BV.

2. Situatie (BTW)

BTW DGA problematiek

De heer [X] is enig aandeelhouder van [E] Beheer BV. Omdat de heer [X] in dienstbetrekking is bij [F] BV (en dus niet bij [E] Beheer BV) is het arrest van de Hoge Raad d.d. 26 april 2002, nr. 35 775 (...) in deze situatie niet van toepassing.

(...)

Het vorenstaande betekent dat de heer [X] ter zake van zijn werkzaamheden (en het daartegenover staande salaris) geen BTW in rekening hoeft te brengen aan [F] BV. Graag ontvang ik van u een bevestiging van dit standpunt.

(...)

Nieuwbouwwoning

De heer [X] gaat een gedeelte van de nieuwbouwwoning aanwenden voor verhuur aan [F] BV. Ter zake wordt de heer [X] (op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel b, Wet op de omzetbelasting 1968) aangemerkt als BTW-ondernemer.

Er zal worden geopteerd voor BTW-belaste verhuur. De heer [X] dient derhalve als BTW-ondernemer in de administratie van de Belastingdienst te worden opgenomen zodat aangifte voor de BTW kan worden gedaan.

3. Verzoek

Graag ontvang ik uw bevestiging dat de heer [X] over zijn arbeidsvergoeding geen BTW aan [F] BV in rekening hoeft te brengen en dat geen sprake is van een fiscale eenheid voor de BTW tussen de heer [X] en (één van) de genoemde vennootschappen. Daarnaast verzoek ik u de heer [X] voor de belaste verhuur op te nemen in uw BTW-administratie, een BTW-nummer toe te kennen en de heer [X] uit te nodigen tot het doen van aangifte voor de BTW. Gelet op het feit dat reeds in 2004 is aangevangen met voorbereidende handelingen verzoek ik u ook voor 2004 aan de heer [X] een aangiftebiljet uit te reiken.

Voor de volledigheid merk ik nog op dat de heer [X] in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd. De huurovereenkomst zal dan ook zowel door de heer als mevrouw [X] worden ondertekend. Indien u dit noodzakelijk acht, verzoek ik u de heer en mevrouw [X] gezamenlijk als ondernemer voor de BTW aan te merken.

Graag verneem ik van u. Indien u nog nadere vragen mocht hebben, kunt u uiteraard (telefonisch) contact met mij opnemen.”.

Bij brief van 26 juli 2005 heeft verweerder hierop onder meer het volgende geantwoord:

“ Namens uw cliënt de heer [X] RA (...), [E] Beheer BV (...) en [F] BV (...) heeft u diverse vragen voorgelegd.

(...)

De heer [X] is voornemens om een nieuwbouwhuis te realiseren. Een gedeelte van deze nieuwbouwwoning zal met omzetbelasting worden verhuurd aan [F] BV, waarvoor zal worden geopteerd. Met u ben ik van mening dat de heer [X] voor deze activiteit als ondernemer in de zin van artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan worden aangemerkt en als zodanig zou moeten worden opgenomen in de belastingadministratie. Maar voordat hiertoe wordt overgegaan zal u nog een vragenformulier worden uitgereikt, welke ik u verzoek goed en eenduidig in te vullen. Na beoordeling en akkoordbevinding van het ingevulde formulier kan de heer [X] zo spoedig mogelijk vervolgens als ondernemer voor de omzetbelasting worden opgenomen.

In uw brief geeft u aan dat de heer [X] met de uitvoering van dit voornemen in 2004 is begonnen en dat u daarom ook verzoekt om voor het jaar 2004 een aangiftebiljet uit te reiken. Voor de goede orde verzoek ik u hiervan ook melding te maken op het hiervoor ingevulde formulier.”.

Aan eiser is vervolgens op 8 augustus 2005 een formulier “ Opgaaf Gegevens startende onderneming” uitgereikt. Eiser heeft dat formulier ingevuld en heeft het, nadat dit door hem op 8 september 2005 ondertekend was, op 12 september 2005 bij verweerder ingediend. Eiser heeft in het formulier onder meer vermeld dat de rechtsvorm van de onderneming een eenmanszaak is, dat de activiteiten van de onderneming bestaan uit het exploiteren van een onroerende zaak en dat de startdatum van de onderneming 1 januari 2004 is.

In een centraal in een geautomatiseerd proces vervaardigde en daarom niet ondertekende brief van 30 september 2005 schrijft verweerder aan eiser in reactie daarop onder meer het volgende:

“ Vaststelling belastingplicht (...)

Hierbij deel ik u mede dat ik aan de hand van de beschikbare gegevens heb beoordeeld voor welke belastingen u in mijn administratie wordt opgenomen. Dit is een voorlopig oordeel. Bij later onderzoek kan blijken of er wel of geen sprake is van ondernemerschap voor de omzetbelasting/inkomstenbelasting of inhoudingsplicht voor de loonbelasting.”.

Eiser is op 26 september 2005 met ingang van 1 januari 2004 door verweerder in diens administratie opgenomen als ondernemer voor de omzetbelasting.

Eiser heeft voor de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 € 105.919 aan voorbelasting terugontvangen.

Naar aanleiding van de aangifte voor het eerste kwartaal 2006, waarbij een teruggave is gevraagd van € 13.049, zijn in juli 2006 door verweerder bij eiser onderliggende stukken opgevraagd, waaronder de bouwtekening van de woning en facturen.

Bij brief van 15 augustus 2006 schrijft verweerder aan [H] ([G] Belastingadviseurs B.V.), de toenmalige gemachtigde van eiser, onder meer het volgende:

“ Op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie EG (...) heeft een ondernemer-natuurlijk persoon voor de heffing van de omzetbelasting de mogelijkheid om bij de aanschaf van een investeringsgoed het goed geheel tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen of geheel in zijn privé-vermogen op te nemen. Een vereiste is dat er sprake is van een ondernemer-natuurlijk persoon. In casu is de heer [X] niet aan te merken als ondernemer in de zin van de Wet omzetbelasting 1968.

(...)

Dat in een eerder stadium de heer [X] opgenomen is als ondernemer voor de omzetbelasting doet mijns inziens niet af aan het standpunt dat ik nu inneem. In dat stadium is door de belastingdienst uitgegaan van een situatie dat er sprake zou zijn van een situatie waarin verhuur van een gedeelte van een privé-woning wel kwalificeert als ondernemer en verhuur in de zin van de Wet OB tot de mogelijkheden behoort. Zoals u wellicht bekend, is het de standaard procedure van de Belastingdienst om een ondernemer die zich meldt bij de Belastingdienst zo snel mogelijk een omzetbelastingnummer te verstrekken. Hiermee wordt o.a. voorkomen dat er verstoringen ontstaan omdat de ondernemer de belasting moet voorfinancieren. Dit met spoed aan de hand van de door de ondernemer verstrekte gegevens afgeven van een omzetbelastingnummer kan er toe leiden dat dit later herzien moet worden.”.

Bij beschikking van 10 november 2006 is aan eiser voor de periode juli 2006 tot en met september 2006 een teruggave verleend van € 4.134.

Met dagtekening 28 november 2006 heeft verweerder de betrokken naheffingsaanslagen opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om vergoeding van de werkelijke kosten voor de behandeling van het bezwaar.

3. Geschil

In geschil is in de eerste plaats of eiser voor wat betreft de verhuur van de werkruimte als belastingplichtige voor de omzetbelasting kan worden beschouwd. Voorts is in geschil of het vertrouwensbeginsel aan naheffing van de in aftrek gebrachte omzetbelasting in de weg staat. Eiser beantwoordt beide vragen bevestigend. Verweerder beantwoordt die vragen ontkennend.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij een economische activiteit verricht bestaande uit de verhuur van de woning. Volgens eiser kwalificeert hij daarom als ondernemer in de zin van artikel 7, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Volgens eiser moet het begrip verhuur ruim worden opgevat. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Volgens eiser heeft hij voorafgaande aan de opname in de administratie van de Belastingdienst zijn casus volledig correct omschreven aan verweerder voorgelegd en was verweerder volledig bekend met de situatie van de partners van [G] en [I] in het algemeen en met die van eiser in het bijzonder. Volgens eiser moeten de betrokken naheffingsaanslagen ook daarom worden vernietigd. Tenslotte voert eiser aan dat verweerder ook heeft gehandeld in strijd met het communautair vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst voor zijn standpunt naar het arrest HvJ 29 februari 1996, C-110/94 (hierna het INZO-arrest). Volgens eiser volgt, nu hij verweerder volledig heeft voorgelicht en er geen sprake is van fraude of misbruik, uit het INZO-arrest dat het ondernemerschap en de toegepaste aftrek van voorbelasting hem niet met terugwerkende kracht kunnen worden ontnomen.

Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat eiser niet als ondernemer in de zin van de Wet OB kan worden aangemerkt omdat daarvoor de nodige zelfstandigheid ontbreekt nu eiser in loondienst is bij [F] B.V. Verweerder verwijst voor dat standpunt naar het arrest HR 23 december 1998, nr. 33.766, BNB 1999/76 en de uitspraak van deze rechtbank van 14 augustus 2007, 06/2390, V-N 2008/3.25. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, ook als de vereiste zelfstandigheid wel aanwezig is, eiser niet als ondernemer kan worden aangemerkt. Verweerder voert hiervoor als reden aan dat de activiteit niet is aan te merken als een economische activiteit nu er geen sprake is van een afgescheiden zelfstandig deel van de onroerende zaak, het verhuurde deel aan eiser volledig in privé ter beschikking staat, het niet geschikt is voor verhuur aan derden, c.q. er geen markt is voor de verhuur van dergelijke ruimten en sprake is van kunstmatige verhuur.

Ook als eiser wel zou kwalificeren als ondernemer zijn volgens verweerder de naheffingsaanslagen terecht opgelegd, omdat het zakelijk gebruik zozeer van ondergeschikt belang is ten opzichte van het privé-gebruik dat daaraan geen betekenis toekomt.

Verweerder stelt voorts dat hij niet heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verweerder verwijst daarvoor naar het voorbehoud gemaakt in zijn brief van 30 september 2005. Verweerder wijst er voorts op dat uit het verzoek van eiser niet blijkt dat het verhuurde deel van de woning een werkkamer is en hoe deze is gesitueerd in de woning. Volgens verweerder is het ondernemerschap van eiser beoordeeld op grond van de door hemzelf aangeleverde feiten en heeft eiser de verhuur van de werkruimte als economische activiteit gepresenteerd. Volgens verweerder mocht eiser niet aannemen dat hiermee zijn ondernemerschap uitvoerig was beoordeeld.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat, als voor wat betreft het materiële geschilpunt het gelijk aan eiser is, (alleen) eiser ter zake van de verhuur van de werkruimte belastingplichtig is en niet tevens zijn echtgenote, dan wel beiden tezamen.

4. Beoordeling van het geschil

Eiser belastingplichtig voor de omzetbelasting?

In de eerste plaats moet de vraag worden beantwoord of eiser als ondernemer kan worden aangemerkt in de zin van de Wet OB.

In artikel 4, eerste lid, van de Zesde richtlijn is bepaald dat als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Ingevolge lid 2 van dat artikel omvat een economische activiteit onder meer de exploitatie van een lichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Zesde richtlijn sluit de term zelfstandig uit lid 1 van de belastingheffing uit loontrekkenden en andere personen voor zover die met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.

In het licht van deze bepaling acht de rechtbank het volgende van belang. De werkkamer bevindt zich in de woning van eiser en wordt door eiser verhuurd aan [F] B.V., de vennootschap waarbij eiser in dienstbetrekking is. Niet gesteld is dat eiser uit andere hoofde werkzaamheden verricht voor die vennootschap. Ook anderszins is dat niet aannemelijk geworden. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat de verhuur van de werkkamer niet los van de dienstbetrekking van eiser tot [F] B.V. kan worden gezien, maar daarvan als arbeidsvoorwaarde deel uitmaakt. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat onder de genoemde omstandigheden eiser voor belastingplicht de ingevolge artikel 4 van de Zesde richtlijn benodigde zelfstandigheid ontbeert. De rechtbank vindt voor dat standpunt steun in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 18 oktober 2007, C-355/06, BNB 2008/52, volgens welk arrest een natuurlijk persoon die in naam en voor rekening van een belastingplichtige vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder, bestuurder en personeelslid is, ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst alle werkzaamheden van die vennootschap verricht, niet zelf een belastingplichtige in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Zesde richtlijn is. Het gelijk op dit punt is derhalve aan verweerder.

Vertrouwensbeginsel

Vervolgens dient beoordeeld te worden of het vertrouwensbeginsel aan het opleggen van de naheffingsaanslagen in de weg stond.

De rechtbank acht in dit verband het volgende van belang.

Eiser heeft in zijn onder 2 geciteerde brief van 30 mei 2005 aangegeven dat hij een deel van de nieuw te bouwen woning belast zou gaan verhuren aan [F] B.V. van welke vennootschap hij middellijk alle aandelen bezit. Eiser heeft daarbij aan verweerder verzocht om in verband daarmee te worden opgenomen in de BTW-administratie van de Belastingdienst en aan hem aangiftebiljetten omzetbelasting uit te reiken. In zijn reactie hierop van 26 juli 2005, eveneens weergegeven onder 2, heeft verweerder uitdrukkelijk verklaard dat hij van mening is dat eiser voor deze activiteit als ondernemer in de zin van de Wet OB kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank mocht eiser hieraan de indruk ontlenen dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling van verweerder.

Van verweerder mocht worden verwacht dat, wanneer hij had willen voorkomen dat die indruk bij eiser ontstond en de mogelijkheid had willen openlaten dat de verhuur van een deel van de woning aan de vennootschap van eiser mogelijk niet zou kwalificeren voor ondernemerschap, hij op dit punt een uitdrukkelijk en onmiskenbaar voorbehoud zou hebben gemaakt dan wel aan eiser in verband hiermee nadere informatie zou hebben opgevraagd. Dit geldt temeer nu eiser in zijn verzoek nadrukkelijk aangaf zich niet ook om andere redenen als belastingplichtig voor de omzetbelasting te beschouwen en daarover aan verweerder ook uitdrukkelijk om een standpunt heeft gevraagd. Nu verweerder een dergelijk voorbehoud niet heeft gemaakt, kan eiser zich op de gewekte indruk beroepen.

Hieraan doet niet af dat verweerder in zijn antwoord van 26 juli 2005 heeft vermeld dat eiser eerst als ondernemer zou worden opgenomen in de BTW-administratie van verweerder na invulling en akkoordbevinding van een nog uit te reiken vragenformulier. Dat vragenformulier, het formulier “Opgaaf Gegevens startende ondernemers”, bevat slechts algemene vragen bedoeld om de belastingplicht van de betrokkene voor alle belastingmiddelen te beoordelen. Niet aannemelijk is dat door verweerder bedoeld was om hiermee meer informatie te verkrijgen over de verhuur van het betreffende deel van de woning van eiser.

Hieraan doet ook niet af dat eiser in zijn brief van 30 mei 2005 niet heeft vermeld dat het verhuurde deel van de woning een werkkamer betrof en daarin geen specificatie heeft gegeven van de ligging van de werkkamer. In het licht van de stelling van verweerder dat eiser de voor het ondernemerschap benodigde zelfstandigheid ontbeert omdat hij bij [F] B.V. in dienstbetrekking is, hetgeen verweerder bekend was ten tijde van de beoordeling van het verzoek van eiser, is deze informatie niet relevant. Overigens mocht van verweerder worden verwacht dat hij, nu het om de verhuur van een deel van de woning aan de vennootschap ging waarvan belastingplichtige middellijk aandeelhouder was en waarbij de belastingplichtige in dienstbetrekking was, begreep dat de verhuur werkruimte betrof.

Daaraan doet ook niet af dat verweerder in zijn onder 2 geciteerde reactie van 30 september 2005 op het formulier “Opgaaf Gegevens startende onderneming” van eiser een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van het ondernemerschap van eiser. Gelet op het feit dat genoemde brief centraal is opgemaakt in een geautomatiseerd proces, mag worden aangenomen dat dit een algemeen voorbehoud is dat door verweerder wordt opgenomen in de brief die pleegt te worden verzonden wanneer iemand als belastingplichtige ondernemer voor de omzetbelasting en/of als belastingplichtige voor de inkomstenbelasting in de administratie van de belastingdienst wordt opgenomen en daarover wordt geïnformeerd. Wanneer, zoals in het geval van eiser, eerder bij de belastingplichtige op basis van door hem verschafte specifieke informatie het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat hij als ondernemer wordt aangemerkt, kan dat niet aldus ongedaan worden gemaakt.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt.

Gelet op het hiervoor overwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard en de naheffingsaanslagen te worden vernietigd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. De rechtbank heeft deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er sprake is van samenhangende zaken in de zijn van artikel 3 van het Besluit.

Eiser heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten. Voor zover eiser daarmee heeft bedoeld te verzoeken om een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten, kan dat niet leiden tot een hogere vergoeding, reeds omdat eiser niet heeft gesteld dat de kosten daarvan uitgaan boven het hiervoor naar forfaitaire normen berekende bedrag. Overigens geldt dat voor een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten alleen plaats is wanneer het bestuursorgaan een besluit neemt of handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat dit besluit geen stand zal houden in een daartegen ingestelde procedure (vergelijk HR 13 april 2007, nr. 41 235, BNB 2007/260). Dat is hier niet het geval. Voor verweerder hoefde niet op voorhand duidelijk te zijn dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel zou slagen. Van een onmiskenbare toezegging van de zijde van verweerder was geen sprake. Ook hierom is er geen reden voor het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 966, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 285 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. U. Tromp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Brouwer, griffier.

De griffier, De voorzitter,

De griffier is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen

De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op: 11 juni 2009

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.