Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ7548

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
14-09-2009
Zaaknummer
AWB 07/4387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland waarbij een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (hierna: de SAN) lager is vastgesteld dan oorspronkelijk was verleend. Reden hiervoor was dat de subsidieontvanger een perceel weidevogelgrasland vroeger heeft gemaaid dan op grond van de voorschriften was toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/4387 en 08/2526

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 4 augustus 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 10 september 2007 en 31 maart 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2007 heeft verweerder een op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (hierna: de SAN) aan eiser verleende subsidie vastgesteld. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit van 10 september 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 31 maart 2008 heeft verweerder het besluit van 10 september 2007 ingetrokken en de bezwaren van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 2 juni 2009. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door N.L.W. van Bebber van Rentmeesterskantoor Korevaar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Daniels.

3. Overwegingen

Op 1 januari 2007 is de Wet inrichting landelijk gebied in werking getreden en is de SAN ingetrokken. Op basis van het overgangsrecht in deze wet en de daarop gebaseerde Regeling inrichting landelijk gebied, blijven bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de SAN in stand en blijft de SAN van toepassing op subsidieaanvragen die vóór 1 januari 2007 zijn ingediend. De in de SAN aan de Minister van landbouw, natuurbeheer en voedselkwaliteit (hierna: de Minister) toekomende, met de desbetreffende subsidie samenhangende bevoegdheden jegens de betrokken subsidieaanvragers en –ontvangers, zijn aan gedeputeerde staten gedelegeerd.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, onderdeel c, van de SAN is de subsidieontvanger verplicht de in het beheerspakket, onderscheidenlijk de beheerspakketten, opgenomen beheersvoorschriften te treffen die zijn vermeld in de bijlage waarin het beheerspakket is, onderscheidenlijk de beheerspakketten zijn, opgenomen. Blijkens bijlage 16 bij de SAN inzake het beheerspakket “Weidevogelgrasland met een rustperiode”, voorzover hier van belang, bestaat deze beheerseenheid uit grasland en wordt een rustperiode in acht genomen van 1 april tot 1 juni, of van 1 april tot 8 juni, of van 1 april tot 15 juni of van 1 april tot 22 juni, waarin de beheerseenheid niet wordt gemaaid. De lengte van de rustperiode wordt bij aanvraag van de subsidiebeschikking gemeld aan de Dienst Regelingen.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de SAN wordt de subsidie per beheerspakket opgenomen in de bijlagen 6 tot en met 30 vastgesteld op het bedrag dat uit de subsidieverlening voor het desbetreffende terrein voortvloeit, verminderd met 100%, indien niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel c, tenzij de aard en de ernst van het niet-nakomen van de genoemde verplichtingen aanleiding geven tot vermindering met een lager percentage.

Bij besluit van 20 december 2000 heeft de Staatssecretaris van landbouw, natuurbeheer en visserij aan eiser voor het tijdvak 1 oktober 2000 tot 30 september 2006 een beheerssubsidie van ƒ 397.936,20 (€ 180.575,57) en een toeslag ruige mest van ƒ 12.903,00 (€ 5.855,13) verleend. De beheerssubsidie is onder meer voor het pakket “Weidevogelgrasland met een rustperiode” voor een aan eiser toebehorende beheerseenheid, later aangeduid als [aanduiding beheerseenheid eiser], verleend.

Bij besluit van 22 oktober 2003 heeft de Minister bepaald, voor zover hier relevant, voor [aanduiding beheerseenheid eiser] een voorschot groot € 2.778,50 in te houden. Aan de inhouding van het voorschot ligt ten grondslag dat op 21 juni 2002 door de dienst landelijk gebied (hierna: DLG) een controle is verricht, waarbij is geconstateerd dat [aanduiding beheerseenheid eiser] omstreeks 16 juni 2002 - voor het einde van de rustperiode- is gemaaid.

Bij brief van 15 september 2004 is aan eiser meegedeeld, dat door een fout bij de voorschotbetaling in 2003 is verzuimd het genoemde bedrag van € 2.778,50 in te houden en dat dit bedrag in 2004 alsnog van de voorschotbetaling zal worden ingehouden.

Bij ongedateerd schrijven, bij de Dienst Regelingen ingekomen op 6 oktober 2006, heeft eiser verzocht om vaststelling van de aan hem verleende subsidie. Bij besluit van 8 januari 2007 heeft verweerder de aan eiser verleende subsidie lager vastgesteld.

Aan dat besluit ligt onder meer ten grondslag dat vanwege het op 16 juni 2002 maaien van [aanduiding beheerseenheid eiser] de voor die beheerseenheid verleende subsidie over de periode oktober 2001 tot oktober 2002 op € 0 wordt vastgesteld. Dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit van 10 september 2007 gehandhaafd.

Bij besluiten van 19 oktober 2007 heeft verweerder het besluit van 8 januari 2007 op een aantal hier niet in geding zijnde onderdelen gewijzigd.

In verband met de besluiten van 19 oktober 2007 heeft verweerder het bestreden besluit van 10 september 2007 bij besluit van 31 maart 2008 ingetrokken en de eerdergenoemde lagere vaststelling wegens het te vroeg maaien van [aanduiding beheerseenheid eiser] wederom in stand gelaten. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd, dat op grond van de beheersvoorschriften bij het pakket “Weidevogelgrasland met een rustperiode” een rustperiode in acht dient te worden genomen van 1 april tot 22 juni. Op basis van een verklaring van eiser staat vast dat eiser tenminste vier dagen te vroeg heeft gemaaid. Met toepassing van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de SAN en overeenkomstig vaste regels die deel uitmaken van het beleid van de Dienst Regelingen is de beheersbijdrage voor de betreffende beheerperiode op € 0 vastgesteld. Het maaien van de beheerseenheid meer dan twee dagen voor het einde van de rustperiode wordt door verweerder gezien als een zware overtreding. Verweerder acht de sanctie in redelijke verhouding tot de geschonden beheersvoorschriften.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank hierna, waar nodig, nader ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het besluit van 10 september 2007

Het besluit van 31 maart 2008 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt daarom het beroep van eiser geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 31 maart 2008.

Nu eiser geen afzonderlijk belang heeft bij een beoordeling van het besluit van 10 september 2007, dient het beroep, voor zover daartegen gericht, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van het besluit van 31 maart 2008

Eiser heeft allereerst aangevoerd, dat hij ten onrechte twee keer is gekort in verband met het te vroeg maaien, waardoor hem feitelijk een sanctie van 200% is opgelegd. Dit betoog mist feitelijke grondslag en kan daarom niet slagen. Verweerder heeft bij de subsidievaststelling de beheerssubsidie voor [aanduiding beheerseenheid eiser] voor de periode oktober 2001 tot oktober 2002 verminderd met € 2.674,13. De omstandigheid dat verweerder eerder in 2004 op het voorschot van eiser € 2.778,50, zijnde het eerder genoemde subsidiebedrag zonder indexatie, heeft ingehouden, betekent niet dat eiser beide bedragen heeft terugbetaald. Alleen het bedrag van € 2.674,13 is op de aan hem verleende subsidie in mindering gebracht. Eiser heeft nog gerefereerd aan een factuur die hij in 2002 heeft voldaan, echter ter zitting is gebleken dat deze factuur geen verband hield met het te vroeg maaien van [aanduiding beheerseenheid eiser]. Aangenomen moet dan ook worden dat verweerder de beheerssubsidie voor [aanduiding beheerseenheid eiser] over de periode oktober 2001 tot oktober 2002 eenmalig 100% lager heeft vastgesteld.

De rechtbank stelt vervolgens vast, hetgeen tussen partijen niet in geschil is, dat eiser [aanduiding beheerseenheid eiser] in 2002 tenminste vier dagen eerder heeft gemaaid dan hem op grond van de in het beheerspakket opgenomen beheersvoorschriften was toegestaan. Hiermee heeft eiser niet voldaan aan de in artikel 38, eerste lid, onder c, van de SAN neergelegde verplichting. Verweerder was derhalve in beginsel bevoegd om op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de SAN de beheerssubsidie voor die beheerseenheid 100% lager vast te stellen. Slechts ingeval de aard en de ernst van het niet nakomen van de genoemde verplichting daartoe aanleiding geven, kan volgens dat artikel met een vermindering van de subsidie met een lager percentage worden volstaan.

Eiser heeft betoogd, dat verweerder in dit geval ten onrechte niet tot een vermindering van de subsidie met een lager percentage heeft besloten. Daartoe heeft hij allereerst aangevoerd, dat verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op beleid dat ten tijde van de overtreding nog niet bestond en dat nooit is gepubliceerd. Naar de mening van eiser heeft verweerder het besluit daarom niet op dit beleid mogen baseren. Eiser heeft in dit verband verder aangevoerd, dat hij het beheersdoel van de subsidie niet heeft geschaad door eerder dan 22 juni te maaien. Volgens hem blijkt uit de brochure “Nederland- Weidevogelland” van Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) dat het gebruikelijk is om na 15 juni te maaien. Eiser stelt verder, dat hij zich er niet van bewust is geweest dat hij te vroeg maaide, mede doordat hij in voorgaande jaren altijd na 15 juni mocht maaien. Hij vindt het niet acceptabel dat is besloten tot een volledige korting van de beheerssubsidie, zonder dat daarbij de bevindingen van de controleur in het veld zijn betrokken. Hij wijst er op dat de controleur aan verweerder heeft geadviseerd om de subsidie van eiser te korten met het verschil tussen de beheersvergoeding voor het aan hem verleende pakket en de vergoeding die hij zou hebben ontvangen voor een pakket met als einddatum rustperiode 15 juni.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank geen grond te vinden voor het oordeel, dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aard en de ernst van de overtreding geen aanleiding geven om de in geding zijnde beheerssubsidie met een lager percentage dan 100% te verminderen.

In dit verband stelt de rechtbank allereerst vast dat verweerder de subsidie voor het beheersgebied niet gedurende het gehele subsidietijdvak van zes jaar op nihil heeft vastgesteld, maar slechts voor het jaar waarin niet aan de beheersvoorschriften is voldaan.

Met betrekking tot de ernst van de overtreding overweegt de rechtbank, dat haar het door verweerder gehanteerde en in het beleid van de Dienst Regelingen neergelegde uitgangspunt, inhoudende dat het meer dan twee dagen voor het einde van de rustperiode maaien van de beheerseenheid als een zware overtreding wordt aangemerkt, niet onredelijk of onjuist voorkomt. Het betoog van eiser, dat hij het beheersdoel van de subsidie niet heeft geschaad, volgt de rechtbank niet. De SAN voorziet immers uitdrukkelijk in beheerspakketten met verschillende einddata voor de rustperiode. Zoals de door eiser overgelegde brochure van BBL ook tot uitdrukking brengt, kan de subsidieaanvrager zelf kiezen hoe ver hij wil gaan met het treffen van maatregelen in zijn bedrijf. Ingeval zoals hier, subsidie wordt verleend voor een beheerspakket met een maximale rustperiode, zijnde tot 22 juni, dan is daarmee gegeven dat die subsidie tot doel heeft dat tot die einddatum niet wordt gemaaid. De stelling van eiser, dat Staatsbosbeheer in hetzelfde vogelgebied altijd na 15 juni maait, wat daar inhoudelijk van zij, doet er niet aan af dat eiser zelf bij de aanvraag van de subsidie de zwaarte van de beheersdoelen heeft gekozen met betrekking tot zijn beheersgebieden. De door een andere beheerder van (agrarische) natuurgebieden gekozen beheersdoelen zijn in deze procedure dan ook niet relevant.

Ook de stelling van eiser, dat hij zich ten tijde van het maaien niet bewust was van het begaan van de overtreding biedt geen grond voor de conclusie dat verweerder een lagere subsidiekorting dan 100% gedurende de beheerperiode oktober 2001 tot oktober 2002 had moeten hanteren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking, dat eiser in bijlage IV van zijn aanvraag om subsidie de pakketcode 3146 heeft vermeld, hetgeen volgens de brochure correspondeert met een rustperiode tot 22 juni. Eiser heeft ter zitting ook erkend dat hij zich er ten tijde van de aanvraag van bewust moet zijn geweest dat hij tot 22 juni niet mocht maaien. Het dient dan ook voor rekening en risico van eiser te komen dat hij is gaan maaien op een vroeger tijdstip zonder de einddatum van de rustperiode voor de betreffende beheerseenheid te verifiëren.

Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om de beheerssubsidie voor [aanduiding beheerseenheid eiser] voor de periode van oktober 2001 tot oktober 2002 met 100% lager vast te stellen. Aan het advies van een medewerker van DLG op het rapport van de veldcontrole, waarin zonder motivering en in afwijking van bovengenoemde uitgangspunten een lagere korting is voorgesteld, heeft verweerder daarbij redelijkerwijs voorbij kunnen gaan.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit van 31 maart 2008 geen doel treffen. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2007, procedurenummer

AWB 07/4387 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen het besluit van 31 maart 2008, procedurenummer AWB 08/2526 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 4 augustus 2009