Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ7298

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/4316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Katheterisatie door ouders bij kind van 6 jaar gaat gebruikelijke zorg te buiten en valt binnen reguliere werktijden onder zorgfunctie Verpleging, daarbuiten onder zorgfunctie Persoonlijke Verzorging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 08/4316 en AWB 08/4798

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 september 2009

inzake

[naam eiseres], eiseres, in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [naam dochter],

wonende te [woonplaats],

tegen

de stichting Centrum indicatiestelling zorg, gevestigd te Driebergen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder van 28 augustus 2008 (bestreden besluit I).

Besluit van verweerder van 25 september 2008 (bestreden besluit II).

2. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar dochter [naam dochter] in aanmerking komt voor zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en heeft voor de periode 19 mei 2008 tot 19 mei 2009 een zorgindicatie gegeven voor de zorgfunctie Verpleging (klasse 2).

Bij bestreden besluit I heeft verweerder het gemaakte bezwaar gegrond verklaard en zorgindicaties gegeven voor de zorgfuncties Verpleging (klasse 3), Persoonlijke verzorging (klasse 2) en Ondersteunende begeleiding (klasse 2) voor de periode van 15 mei 2008 tot

15 oktober 2008.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Hangende het beroep heeft verweerder bij bestreden besluit II bestreden besluit I ingetrokken en aan eiseres medegedeeld dat voor de periode van 15 mei 2008 tot 15 oktober 2008 Verpleging (klasse 2), Persoonlijke verzorging (klasse 3) en Ondersteunende begeleiding (klasse 2) worden geïndiceerd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 juni 2009. Eiseres is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.E. Heuvelman en H.W.A. Siero.

3. Overwegingen

Ten aanzien van bestreden besluit I

Nu verweerder bestreden besluit I heeft ingetrokken hangende het beroep en nu voorts eiseres niet heeft verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb, is de rechtbank van oordeel dat zij geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen bestreden besluit I. Derhalve zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van bestreden besluit II

Ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb wordt het beroep geacht mede gericht te zijn tegen het bestreden besluit II nu daarmee niet volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

[naam dochter] is geboren op 2 juli 2001. Zij heeft een te kleine blaas, welke tevens overactief is. In oktober 2005 is er bij haar een katheteriseerbaar stoma via de navel aangebracht. Vijfmaal per dag dient zij gekatheteriseerd te worden, te weten rond 08:00, 12:00, 15:00, 18:00 en 20:00 uur. Ten einde de werking van de blaas beter te reguleren is aan [dochter] het medicijn didrase voorgeschreven.

Eiseres heeft op 4 april 2008 een aanvraag ingediend bij verweerder om alle zorgfuncties te indiceren.

In afwijking van bestreden besluit I, dat reeds afweek van het primaire besluit van 15 mei 2008, heeft verweerder bij bestreden besluit II aan eiseres medegedeeld dat voor de periode van 15 mei 2008 tot 15 oktober 2008 Verpleging (klasse 2) en Persoonlijke verzorging (klasse 3) worden geïndiceerd voor het katheteriseren en Ondersteunende begeleiding (klasse 2) voor het stimuleren van [dochter] wegens traagheid bij het wassen, aan- en uitkleden, eten, drinken, zich verplaatsen en in haar sociale participatie. Aan dit besluit heeft verweerder onder meer een advies van CIZ-arts J. Janssen van 7 augustus 2008 ten grondslag gelegd. Deze heeft op basis van informatie van de behandelend kinderuroloog P. Dik onder meer vastgesteld dat – voor zover hier van belang – [dochter] niet in staat is om zelfstandig de zelfzorg rond het katheteriseren te realiseren. Voorts meent hij dat de handelingen omtrent het katheteriseren een zekere deskundigheid vereisen waarvoor de ouders in het ziekenhuis zijn geïnstrueerd, maar welke instructies naar zijn oordeel niet overdraagbaar zijn aan derden door de ouders. Verder kan de traagheid die [dochter] in haar handelen aan de dag legt volgens de CIZ-arts worden verklaard door het gebruik van het medicijn didrase.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft hiertegen in haar beroepschrift aangevoerd dat het katheteriseren meer tijd kost dan waarvan verweerder is uitgegaan. Dat het katheteriseren langer duurt dan gebruikelijk komt onder meer door het schoonmaken en schoonhouden van de katheter en het geregeld voorkomen van morsen. Verder kost de zorg voor [dochter] haar ouders, volgens eiseres, zoveel tijd dat het gezinsleven onder druk staat. Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte de periode waarvoor de indicatie wordt verleend heeft teruggebracht tot 15 oktober 2008, terwijl in het primaire besluit de indicatie tot 19 mei 2009 geldig was.

De rechtbank dient te beoordelen of bestreden besluit II stand kan houden. Aangezien verweerder na het nemen van bestreden besluit II opnieuw uiteenlopende standpunten heeft ingenomen, zullen deze zonodig bij de beoordeling worden betrokken. Het volgende wettelijk kader is daarbij van belang.

Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bestaat slechts aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

Artikel 6 van het Zorgindicatiebesluit (Zib) stelt eisen aan het onderzoek door het indicatieorgaan bij het voorbereiden van een indicatiebesluit. Onder meer wordt, voor zover hier van belang, vereist dat onderzoek wordt gedaan naar (artikel 6, onder b) de beperkingen die de zorgvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van een somatische aandoening of beperking, (onder e) de sociale omstandigheden van de zorgvrager en (onder f) de aard en de omvang van de aan de zorgvrager geboden professionele en niet-professionele hulp en zorg en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding daarvan.

In artikel 2 van het Zib wordt aangewezen welke vormen van zorg onder artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ worden verstaan. Hieronder valt onder meer de zorg als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza).

Ingevolge artikel 4 van het Bza omvat persoonlijke verzorging het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid, te verlenen door een instelling.

Artikel 5 van het Bza bepaalt dat verpleging in de zin van de AWBZ enkel omvat verpleging in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap, gericht op herstel of voorkoming van verergering van de aandoening, beperking of handicap, te verlenen door een instelling.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Bza, zoals dat gold in 2008, omvat ondersteunende begeleiding ondersteunende activiteiten in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de samenleving, te verlenen door een instelling.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat in afwijking van het eerste lid ondersteunende begeleiding in geval van een somatische aandoening of beperking of een psychosociaal probleem, slechts ondersteunende activiteiten omvat:

a. gedurende een dagdeel in een instelling,

b. als onderdeel van palliatieve terminale zorg, of

c. indien tevens verblijf is geïndiceerd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Bza heeft de verzekerde aanspraak op zorg, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het tweede lid bepaalt dat de aanspraak slechts bestaat voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

Ter nadere invulling van de begrippen ‘doelmatige zorgverlening’ en ‘redelijkerwijs aangewezen zijn’ zijn door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 11 van het Zib de ‘Beleidsregels indicatiestelling AWBZ’ (verder te noemen: beleidsregels) vastgesteld. Deze zijn te vinden op de website van verweerder. Voor de beoordeling van het bestreden besluit zijn de beleidsregels van belang die op 1 januari 2008 in werking traden. Bijlage 3 bij de beleidsregels betreft gebruikelijke zorg bij Persoonlijke verzorging en Ondersteunende begeleiding, bijlage 4 ziet op Persoonlijke verzorging, bijlage 5 op Verpleging en bijlage 6 op Ondersteunende begeleiding.

Vooropgesteld wordt dat het onderhavige beroep geen betrekking heeft op de weigering van een indicatie voor de zorgfuncties Activerende begeleiding, Behandeling en Verblijf. Eiseres heeft reeds in de bezwarenfase tijdens de hoorzitting aangegeven dat zij dit niet bestrijdt. Verder bestaat er tussen partijen geen verschil van mening over de grondslagen van de zorg waaraan [dochter] behoefte heeft. Er is sprake van een te kleine en overactieve blaas als gevolg waarvan zij vijfmaal daags gekatheteriseerd moet worden, terwijl het daarmee samenhangende gebruik van het medicijn didrase haar handelen vertraagt. De grondslag van de zorg betreft dan ook een somatische aandoening of beperking die in beginsel toegang geeft tot de onderhavige zorgfuncties Verpleging, Persoonlijke verzorging en Ondersteunende begeleiding.

Zorg in verband met de katheterisatie en daarmee samenhangende handelingen

Allereerst zal de rechtbank het standpunt bespreken dat verweerder ter zitting heeft ingenomen, dat sprake is van een voorliggende voorziening in de Zvw, in de zin van artikel 2, eerste lid, van het Bza. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het advies van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) van 13 februari 2009 met betrekking tot een opvolgende aanvraag van eiseres voor zorg op grond van de AWBZ.

Voor zover dit betoog al niet tardief is ingenomen, is de rechtbank van oordeel dat dit zonder nadere onderbouwing niet slaagt. Eerstens wijst zij erop dat het voornoemde advies van CVZ op een andere medische situatie ziet dan in het voorliggende beroep aan de orde is. Immers, het advies is gegeven nadat [dochter] in november 2008 operatief is behandeld aan haar klachten en voorts gaat het advies uit van een situatie waarin er ook dagelijks blaasspoeling moet worden uitgevoerd door de ouders, hetgeen vóór de operatie nog niet aan de orde was. Bovendien acht de rechtbank op voorhand niet onaannemelijk dat onderhavige katheterisatie gelet op het advies van de CIZ-arts van 7 augustus 2008 moet worden aangemerkt als minder complexe verpleging, waarbij de specialist weliswaar opdracht geeft, maar waarvoor toezicht en tussenkomst niet direct nodig zijn, welke zorg volgens het CVZ behoort tot de AWBZ en niet tot de Zvw (zie CVZ 23 augustus 2007, RZA 2007, 138).

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vastgestelde zorgbehoefte, de toegekende zorgfuncties Verpleging en Persoonlijke verzorging en de omvang daarvan. De rechtbank overweegt als volgt.

Verpleging

Artikel 3 van bijlage 5 van de beleidsregels, zoals die golden in 2008, bepaalt onder meer dat, om in aanmerking te komen voor de functie Verpleging, tevens onderstaande dient te zijn vastgesteld:

1. er is een medische noodzaak voor de verpleegkundige handeling volgens een daartoe

bevoegde behandelaar,

2. en de verzekerde heeft beperkingen en/of mist de vaardigheden/kennis om de handeling

zelfstandig uit te voeren en kan deze vaardigheden/kennis niet aanleren;

3. en de ouder(s) van de verzekerde tot 18 jaar, die bij deze ouder(s) woont, heeft/hebben

beperkingen en/of mist/missen de vaardigheden/kennis om de eenvoudige handelingen ten

behoeve van verzekerde uit te voeren en kan/kunnen deze vaardigheden/kennis niet

aanleren.

De beperkingen kunnen gelegen zijn in:

a. de persoon zelf,

b. de technische onmogelijkheid om de handeling zelf uit te voeren,

c. of de onmogelijkheid van het verlenen van zorg door ouders aan kinderen tijdens reguliere

arbeids- en schooluren.

Gelet op voormeld advies van de CIZ-arts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit II in overeenstemming met voormeld artikel van de beleidsregels van 2008 (enkel) voor de katheterisatiemomenten tijdens reguliere werktijden, oftewel op werkdagen om 12:00 en 15:00 uur, op goede gronden Verpleging heeft geïndiceerd. Daarbij wordt vooropgesteld dat uit dit medisch advies blijkt dat katheteriseren geen zelfzorg betreft nu daarvoor wel enige deskundigheid vereist is. De ouders van [dochter] kunnen de relatief eenvoudig aangeleerde handeling van katheterisatie zelf uitvoeren, althans voor wat betreft de zorgmomenten buiten schooluren. Voor de zorgmomenten tijdens schooluren geldt dat de ouders de katheterisatie niet kunnen overdragen aan niet verpleegkundige verzorgers van [dochter], zodat hiervoor terecht de zorgfunctie Verpleging is geïndiceerd. Het door verweerder in het verweerschrift ingenomen standpunt dat ook deze momenten onder Persoonlijke verzorging vallen is klaarblijkelijk gebaseerd op de (gewijzigde) tekst van de beleidsregels van 2009 en wordt dan ook verworpen.

Persoonlijke verzorging

In het bestreden besluit II worden de overige katheterisatiemomenten, te weten op werkdagen om 08:00, 18:00 en 20:00 uur en alle momenten op weekenddagen, ondergebracht bij de zorgfunctie Persoonlijke verzorging. De rechtbank acht dit juist, nu sprake is van een dagelijkse levensverrichting als bedoeld in artikel 2.1 van bijlage 4 van de beleidsregels.

Gelet op artikel 2.1, onder 2, van de beleidsregels, waarin onder meer is bepaald dat een kind op Persoonlijke verzorging is aangewezen als het gaat om een chronische situatie waarbij de gebruikelijke zorg van ouders in vergelijking tot gezonde kinderen van dezelfde leeftijdscategorie substantieel wordt overschreden, bevestigt de rechtbank bestreden besluit II in die zin dat de zorgbehoefte van [dochter] gezien haar leeftijd de gebruikelijke zorg te boven gaat.

Omvang van de benodigde zorg

Bij het bepalen van de omvang van de benodigde zorg hanteert verweerder verder een indeling in klassen, welke voor elk van de toegewezen zorgfuncties afzonderlijk wordt vastgesteld aan de hand van het aantal benodigde zorgminuten per week. Voor de katheterisatie heeft verweerder zowel bij de zorgfunctie Verpleging als bij de zorgfunctie Persoonlijke verzorging twintig minuten per zorgmoment geïndiceerd. Verweerder heeft daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat het hier ‘katheteriseren (1 malig)’ betreft, genoemd in artikel 4.3, onder 1.4, van bijlage 5 van de beleidsregels. De daar genoemde normtijd van 15 minuten per zorgmoment is vermeerderd met vijf minuten voor de bijkomende (schoonmaak)handelingen.

Eiseres betwist gemotiveerd dat twintig minuten per zorgmoment voldoende is om de

katheterisatie uit te voeren. Mede omdat [dochter] een jong kind is, terwijl zij bovendien traag van handelen is door het medicijngebruik, duurt het katheteriseren op zichzelf reeds langer dan twintig minuten, dus nog los van de schoonmaakhandelingen.

De rechtbank merkt allereerst op dat, ook na de uitleg van verweerder ter zitting, het onduidelijk is gebleven op grond waarvan de katheterisatie bij [dochter] als ‘katheteriseren (1 malig)’ moet worden aangemerkt en niet als het ‘katheter inbrengen (verblijfs)’, eveneens genoemd in artikel 4.3, onder 1.4, van bijlage 5 van de beleidsregels waarvan de normtijd dertig minuten bedraagt. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de ouders van [dochter] bij de hoorzitting de handeling hebben omschreven als het inbrengen van een katheter en in het beroepschrift wordt dit omschreven als het ‘plaatsen of verwijderen’ van de katheter.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet blijkt dat verweerder de benodigde tijd per zorgmoment voor het katheteriseren zelf op zorgvuldige wijze heeft vastgesteld. Het voornoemde medisch advies noch de informatie van uroloog Dik bevat enige duiding van de hiervoor benodigde tijd. In het bijzonder blijkt niet dat verweerder rekening heeft gehouden met de jonge leeftijd en traagheid van [dochter].

Betreden besluit II kan dan ook geen stand houden voor wat betreft de zorg die [dochter] behoeft in verband met het katheteriseren, daar verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de omvang daarvan. Daarbij verdient het nog opmerking dat verweerder bovendien een rekenfout heeft gemaakt bij de klassebepaling, hetgeen verweerder in het verweerschrift overigens heeft erkend.

Zorg in verband met de traagheid

Met betrekking tot de overige zorgbehoefte van [dochter], die verband houdt met haar traagheid ten gevolge van het medicijngebruik, overweegt de rechtbank als volgt.

Ondersteunende begeleiding

De rechtbank verenigt zich met het laatst ingenomen standpunt van verweerder dat ten onrechte Ondersteunende begeleiding is geïndiceerd. Uit artikel 6, tweede lid, van het Bza, blijkt immers dat deze zorgfunctie bij somatische aandoeningen enkel kan worden geïndiceerd indien tevens de functie Verblijf is geïndiceerd of sprake is van een dagdeel in een instelling. Dit is bij [dochter] niet het geval.

Persoonlijke verzorging

De rechtbank is van oordeel dat – voor zover de gebruikelijke zorg van de ouders wordt overschreden – verweerder voor deze zorg daarentegen de zorgfunctie Persoonlijke verzorging had moeten indiceren. Het gaat hier immers om het ondersteunen van [dochter] bij activiteiten op het gebied van algemene dagelijkse levensverrichtingen, zoals genoemd in de toelichting bij artikel 4 van het Bza (Stb. 2002, 527). Dit geldt in ieder geval voor de in bestreden besluit II genoemde ondersteuning bij het wassen, aan- en uitkleden, eten, drinken en verplaatsen.

Met betrekking tot de sociale participatie is de rechtbank van oordeel dat dit niet tot de zorgfunctie Persoonlijke verzorging kan worden gerekend, nu dit geen algemene dagelijkse levensverrichting in de zin van de eerdergenoemde toelichting is. Nu de rechtbank hierboven reeds heeft vastgesteld dat voor Ondersteunende begeleiding in de onderhavige zaak geen plaats is, maakt [dochter] in verband met sociale participatie geen aanspraak op zorg op grond van de AWBZ.

Aangaande de door de ouders van [dochter] ervaren druk op het gezinsleven en de onmogelijkheid om uitstapjes te ondernemen met het gezin, overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 2 van het Bza volgt dat in beginsel alleen de zorg die de verzekerde behoeft voor indicatie en vergoeding in aanmerking kan komen. Wel dient het indicatieorgaan in het kader van artikel 6 van het Zib bij het onderzoek voor een indicatiebesluit acht te slaan op de sociale omstandigheden en, in dit geval, de door de ouders geboden hulp. Deze informatie kan worden meegewogen bij beantwoording van de vraag welke bijdrage van de ouders in het kader van de gebruikelijke zorg mag worden verwacht (volgens bijlage 3 van de beleidsregels). Niet is gebleken dat verweerder onvoldoende invulling heeft gegeven aan het onderzoek naar de druk die de zorg voor [dochter] met zich brengt of een verkeerde uitleg aan de beleidsregels heeft gegeven op dit punt.

Omvang van de benodigde zorg

Wat betreft de omvang van de benodigde zorg in verband met de traagheid van [dochter] overweegt de rechtbank nog als volgt. In bestreden besluit II acht verweerder in verband met de traagheid een omvang van dertig zorgminuten per dag geïndiceerd. Eiseres is het niet eens met het aantal geïndiceerde zorgminuten en voert aan dat [dochter] meer dan dertig minuten zorg per dag nodig heeft bij aan- en uitkleden, verplaatsen, eten en drinken, en andere dagelijkse handelingen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook de omvang van de zorgbehoefte in verband met de traagheid onvoldoende in kaart heeft gebracht. Uit het medisch advies, noch uit de informatie van de uroloog kan worden afgeleid voor welke activiteiten en in welke mate [dochter] zorg behoeft in verband met haar traagheid. De rechtbank wijst in dit verband op het afwegingskader dat verweerder op grond van het beleid dient te volgen (artikel 3 van bijlage 1 van de beleidsregels). Hieruit volgt dat eerst dient te worden vastgesteld aan welke zorg en in welke mate behoefte bestaat. Pas nadien kan worden beoordeeld in welke mate die zorg de gebruikelijke zorg te buiten gaat, in de zin van bijlage 3 bij de beleidsregels. Niet duidelijk is of en, zo ja, in hoeverre verweerder invulling heeft gegeven aan het toepasselijke afwegingskader.

Betreden besluit II kan derhalve voorts geen stand houden voor wat betreft de zorg die [dochter] behoeft in verband met haar traagheid, daar verweerder de zorgbehoefte van [dochter] onvoldoende heeft onderzocht en ten onrechte Ondersteunende begeleiding in plaats van Persoonlijke verzorging heeft geïndiceerd.

Nu bestreden besluit II genomen is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb alsmede met de beleidsregels, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Weliswaar onderschrijft de rechtbank het standpunt dat verweerder ter zitting heeft ingenomen ten aanzien van de toepassing van het beginsel van reformatio in peius, dat zorgfuncties in beginsel ‘uitruilbaar’ zijn in die zin dat een zorgfunctie bij een beslissing op bezwaar kan vervallen of in een lagere klasse kan worden geïndiceerd, als de verzekerde over het geheel beschouwd maar niet in een nadeliger positie geraakt. Echter, verweerder dient wel inzichtelijk te maken op welke gronden zij meent dat uitruil in de onderhavige zaak toelaatbaar is. Vooralsnog is verweerder daarin niet geslaagd en zal verweerder dit bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar alsnog moeten doen. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat zowel de indeling in klassen alsook de daarmee samenhangende geldbedragen per zorgfunctie verschillen. Een vergelijking tussen de met de verschillende indicaties corresponderende persoonsgebonden budgetten, ligt dan ook voor de hand.

Wat betreft de indicatie in haar geheel heeft eiseres nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte bij het bestreden besluit II de zorgfuncties voor een kortere termijn heeft geïndiceerd dan bij het primaire besluit, welke een einddatum van 19 mei 2009 vermeldde. De rechtbank oordeelt dat het eiseres aan belang bij beoordeling van deze grond ontbreekt daar uit het ter zitting overgelegde – en bij eiseres bekend veronderstelde – besluit van 4 mei 2009 blijkt dat aansluitend aan de onderhavige indicatie een gelijkluidende indicatie is afgegeven tot 9 oktober 2009. De rechtbank concludeert dat daarom niet gezegd kan worden dat het resultaat dat eiseres met deze grond nastreeft nog enige feitelijke betekenis voor haar kan hebben. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat als verweerder met de nieuw te nemen beslissing op bezwaar voor de onderhavige periode tot een voor eiseres gunstigere indicatie mocht komen, zij dit (desgevraagd) ook zal toekennen voor de aansluitende periode ingeval van gelijkblijvende omstandigheden.

Nu niet gebleken is van door eiseres gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;

vernietigt bestreden besluit II;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Jonge, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 3 september 2009