Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ7134

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/5882
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hogere inschaling was afhankelijk gesteld van goede herbeoordeling. Uitblijven van beoordeling leidt niet tot hogere schaal nu dit de instemming van eiser had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5882

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 september 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. D. van Zoelen,

tegen

de Minister van Justitie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 november 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft verweerder eiser per 1 mei 2005 aangesteld in de functie van projectleider bij het project ‘[naam project]’ en is hem meegedeeld dat zijn huidige inschaling in schaal 13 met 10 periodieken ongewijzigd blijft.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Naar de door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 juni 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Zoelen voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H. Horst, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen.

3. Overwegingen

Bij besluit van 20 november 2002 is eiser per 4 november 2002 in tijdelijke dienst, aanvankelijk voor de duur van één jaar, aangesteld als hoofd van de afdeling [naam afdeling] bij de Dienst [naam dienst]. De brief waarin dit besluit van verweerder is neergelegd, bevat onder meer de volgende passage:

“Met ingang van bovengenoemde datum wordt u bezoldigd volgens schaal 13, trede 9. Na ommekomst van een jaar vindt er een formele beoordeling plaats over uw functioneren. Indien u de functie geheel en voldoende vervult wordt u schaal 14 toegekend.”

Eiser heeft in september 2003 zijn toenmalig leidinggevende de heer [naam leidinggevende], plaatsvervangend sectordirecteur van de sector [naam sector] (ad interim), verzocht een beoordeling over zijn functioneren op te maken.

Eerst in juli 2004 heeft [leidinggevende] een beoordelingsformulier ingevuld. [leidinggevende] heeft dit beoordelingsformulier (zonder ondertekening) aan eiser verstrekt en met hem besproken. Dit formulier vermeldt als tijdvak waarop de beoordeling ziet 1 november 2002 tot 1 november 2003. [leidinggevende] heeft vervolgens een kopie van het beoordelingsformulier in het personeelsdossier gearchiveerd, welke wel door hem (op 30 augustus 2004) is ondertekend. Deze kopie vermeldt een langer tijdvak waarop de beoordeling ziet, namelijk lopende tot 1 juli 2004, en bevat voorts aanvullende opmerkingen ten opzichte van het afschrift dat aan eiser is verstrekt. Deze kopie heeft [leidinggevende] niet meer met eiser besproken. Evenmin is de beoordeling vastgesteld door de beoordelingsautoriteit.

Eiser is bij het in rubriek 2 vermelde besluit van 18 mei 2005 per 1 mei 2005 aangesteld in de functie van projectleider bij het project ‘[naam project]’. Verweerder heeft eiser bij dit besluit meegedeeld dat zijn huidige inschaling in schaal 13 met 10 periodieken ongewijzigd blijft.

Conform het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden Ministerie van Justitie van 14 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) bepaalt dat de salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt, bepaald wordt met inachtneming van de zwaarte van zijn functie van bijzondere regelingen, als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet.

Vast staat dat aan de functie van projectleider bij het project ‘[naam project]’ geen functionele schaal verbonden is, zodat eiser in beginsel geen aanspraak kan maken op een hogere inschaling dan in de salarisschaal die voor eiser gold in de functie van hoofd van de afdeling [naam afdeling] bij de [naam dienst]. Weliswaar is deze functie gewaardeerd op salarisschaal 14, maar eiser is bij zijn aanstelling ingeschaald in aanloopschaal 13. Tegen deze aanstelling heeft eiser geen rechtsmiddelen ingesteld.

In geschil is of verweerder ten onrechte heeft nagelaten eiser in zijn vorige functie te bevorderen naar schaal 14. In dat verband zijn de partijen het erover eens dat het aanstellingsbesluit van 18 mei 2005 tevens een afwijzende beslissing inhoudt waarmee het verzoek van eiser, om hem met terugwerkende kracht per 1 november 2003 in schaal 14 in te delen, is afgewezen.

Anders dan eiser meent, mocht hij naar het oordeel van de rechtbank aan de bewoordingen in het aanstellingsbesluit van 20 november 2002 niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij zonder meer per 1 november 2003 zou worden ingeschaald in schaal 14.

Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging die volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer: CRvB 7 maart 2007, LJN: BA1791, vereist is voor een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel, is naar het oordeel van deze rechtbank geen sprake. Uit de bewoordingen blijkt immers dat de hogere inschaling uitdrukkelijk afhankelijk is gesteld van de uitkomst van de op te maken beoordeling, hetgeen ook blijkt uit het hanteren van een aanloopschaal.

In de aanstellingsbrief heeft verweerder daarentegen wel een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging gedaan om na ommekomst van een jaar een beoordeling op te maken. Deze toezegging heeft verweerder geen gestand gedaan. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat bij het ontbreken van een op juiste wijze totstandgekomen en vastgestelde beoordeling er van een geheel en voldoende functioneren door hem dient te worden uitgegaan. Weliswaar geldt in beginsel dat eiser niet de dupe mag worden van nalatigheid van de zijde van verweerder om een beoordeling op te stellen, maar aannemelijk is geworden dat eiser daarin heeft berust op een moment dat verweerder nog tot vaststelling van de beoordeling over het relevante tijdvak 1 november 2002 tot 1 november 2003 had kunnen overgaan. Ter zitting heeft eiser immers verklaard dat hij, toen het beoordelingsformulier in juli 2004 met hem werd besproken, tegen [leidinggevende] heeft gezegd dat deze beoordeling wat hem betreft in ‘het grijze circuit’ mocht verdwijnen. Eiser heeft verklaard dat hij hiermee bedoelde dat deze beoordeling wat hem betreft in de prullenbak verdween. Als reden hiervoor heeft eiser aangegeven dat hij het oneens was met de beoordeling en dat hij de wijze van totstandkoming van de beoordeling niet zorgvuldig en volgens de regels achtte. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de opmerking van eiser aldus heeft mogen begrijpen dat hij geen vaststelling van een beoordeling meer wenste. Dat er mogelijk gebreken kleefden aan de wijze van totstandkoming van de op dat moment voorliggende beoordeling, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank verenigt zich met het standpunt van verweerder dat deze gebreken konden worden hersteld, in ieder geval in een eventuele bezwaarfase. Nu eiser verder ermee bekend was dat zijn eventuele hogere inschaling afhankelijk was gesteld van een formele beoordeling, heeft verweerder uit zijn instemming met de voortijdige beëindiging van het beoordelingstraject mogen afleiden dat eiser daarmee ook zijn aanspraak op inschaling in schaal 14 prijsgaf.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Jonge, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 3 september 2009