Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ7054

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-09-2009
Datum publicatie
07-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/1020 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het is niet aan de wrakingskamer om de procureur generaal bij de Hoge Raad te gebieden een andere wrakingskamer aan te stellen. Bovendien is dit verzoek inmiddels achterhaald.

Voorts is niet gebleken dat de rechtbank met het verzenden van de uitnodiging gericht aan verzoeker niet heeft gehandeld zoals gebruikelijk is. Wat er verder ook zij van de bezorging van die uitnodiging, het niet verlenen van uitstel levert, zonder nadere motivering, die ontbreekt, op zichzelf genomen geen wrakingsgrond op. Bovendien is in dit geval niet gebleken dat de gewraakte rechter hiermee enige bemoeienis heeft gehad. De rechtbank heeft gehandeld conform haar aanhoudingsbeleid in bestuursrechtelijke zaken, hetgeen in dit geval, gelet op de omstandigheden, weliswaar enigszins ongelukkig was. Dat betekent evenwel nog niet dat er sprake is van enige vooringenomenheid aan de zijde van de gewraakte rechter ten aanzien van de inhoud van de zaak die hij had te beoordelen.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat verzoeker een ander had kunnen sturen naar de zitting, die ter zitting het verzoek tot aanhouding had kunnen herhalen.

Tot slot geldt dat het telefoonverbod dat reeds enige tijd geleden aan verzoeker is opgelegd hier niet ter discussie staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

zaaknummers: AWB 09/1020 VEROR

Beschikking van 7 september 2009

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

niet verschenen,

en

[rechter],

in hoedanigheid van bestuursrechter in de zaak onder nummer AWB 09/1020 VEROR van verzoeker voornoemd tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum,

niet verschenen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ingekomen op 8 juni 2009 waarin het wrakingsverzoek is neergelegd

- het verzoek tot uitstel van de behandeling van verzoeker van 8 juli 2009

- een brief van de rechtbank van 9 juli 2009 waarin wordt medegedeeld dat het verzoek tot uitstel wordt afgewezen en dat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 13 juli 2009 doorgang zal vinden

- het verweerschrift van [rechter] van 9 juli 2009

- een bericht van verzoeker van 9 juli 2009 waarin hij mededeelt dat hij van 13 juli tot en met 27 juli 2009 afwezig is in verband met vakantie

- een faxbericht van 13 juli 2009 van verzoeker inhoudende een verzoek tot wraking van de wrakingskamer (bestaande uit [voorzitter], [rechter b] en [rechter c])

- de intrekking van het wrakingsverzoek gedateerd 29 juli 2009 onder de voorwaarden dat het wrakingsverzoek gevoegd wordt behandeld met een ander wrakingsverzoek en dat beide verzoeken door voornoemde wrakingskamer worden behandeld

- de mondelinge (niet gevoegde) behandeling op 24 augustus 2009 van het wrakingsverzoek gedateerd 8 juni 2009 door mrs. Huidekoper, Ackermans-Wijn en Heijmans.

1.2. Ten slotte is de uitspraak bepaald.

2. Het verzoek en het verweer

2.1. Verzoeker heeft kort voordat de inhoudelijke behandeling van de bestuursrechtelijke zaak ter zitting zou plaatsvinden schriftelijk een verzoek tot wraking van [rechter] ingediend.

Aan dit verzoek heeft verzoeker meerdere stellingen ten grondslag gelegd. Allereerst heeft hij aangevoerd dat de uitnodiging voor de zitting hem niet heeft bereikt, terwijl de rechter er op toe dient te zien dat dit wel gebeurt. Nadat verzoeker alsnog een uitnodiging had ontvangen voor de zitting heeft hij een verzoek tot uitstel ingediend, omdat hij een medische behandeling moest ondergaan, welk verzoek door de rechtbank is afgewezen, omdat verzoeker daarmee te laat zou zijn geweest. Verzoeker stelt evenwel dat hij niet eerder een verzoek had kunnen doen tot aanhouding en dat [rechter] dit verzoek tot uitstel had dienen te honoreren. Dit geldt temeer nu de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de behandeling van een andere zaak, waarbij verzoeker partij was, die gepland was op diezelfde dag wel heeft aangehouden. De weigering tot het verlenen van uitstel moet volgens verzoeker worden aangemerkt als rechtsweigering.

De omstandigheid dat de uitnodiging alleen per aangetekende post en niet ook per normale post is verstuurd, komt neer op een ernstig plichtsverzuim van [rechter]. Daarnaast heeft [rechter] nagelaten om na het retour ontvangen van de uitnodiging verzoeker alsnog op de hoogte te stellen van de zitting.

Volgens verzoeker wordt hij gediscrimineerd, omdat hij geen gelijke behandeling krijgt zoals iedere rechtzoekende burger en heeft hij wederrechtelijk een telefoonverbod opgelegd gekregen. Daarnaast heeft [rechter] wederrechtelijk een interne instructie gekregen om niet met verzoeker te spreken per telefoon. Dit alles is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, althans het verbod van willekeur, waardoor de schijn van partijdigheid wordt gewekt en de procesregels niet worden nageleefd.

Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat de procureur generaal bij de Hoge Raad mr. J.W. Fokkens een nieuwe onafhankelijke wrakingskamer dient aan te stellen met rechters van een andere rechtbank dan de rechtbank Arnhem, die kunnen oordelen over het eerdere wrakingsverzoek alsook over het onderhavige wrakingsverzoek. De beslissing van de eerdere wrakingskamer dient te worden vernietigd, omdat deze beslissing niet door een onafhankelijke wrakingskamer is genomen. De betreffende wrakingskamer heeft namelijk nagelaten te toetsen of de gewraakte rechter de procesregels heeft nageleefd. Bij een oproep voor een zitting dient de naam van de behandelend rechter op de uitnodiging te worden vermeld, hetgeen toen niet is gebeurd. Dit is niet nagegaan door de wrakingskamer, terwijl verzoeker wel is beschuldigd van het misbruik maken van het recht om een wrakingsverzoek in te dienen.

Tot slot hebben de rechters van de rechtbank Arnhem bewust nagelaten om het volgens verzoeker inmiddels illegaal vastgestelde handhavingsbeleid “Wonen in het Bos” ten aanzien van het perceel van verzoeker te toetsen op de rechtmatigheid.

Dit alles maakt dat [rechter] volgens verzoeker niet onafhankelijk en onpartijdig is, althans de schijn van partijdigheid en/of vooringenomenheid heeft gewekt, en dat het wrakingsverzoek dient te worden toegewezen.

2.2. [rechter] berust niet in de wraking en voert verweer. Hij geeft aan dat het wrakingsverzoek voor hem geen enkel aanknopingspunt biedt voor de stelling dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor zijn onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit geldt volgens [rechter] temeer omdat hij geen enkele betrokkenheid zou hebben gehad bij de toezending van de stukken aan verzoeker.

3. De motivering van de beslissing

3.1. Gelet op artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het (Europees) Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.3. Vastgesteld moet worden dat er (in deze zaak) één wrakingsverzoek is ingediend tegen [rechter]. De wrakingskamer heeft geen weet van een tweede wrakingsverzoek. Weliswaar is een verzoek tot wraking van [rechter] ook gedaan in de zaken met nummers 07/1248 WET 168 en 07/3228 GEMWT, maar dit verzoek is door de rechter die het heeft beoordeeld niet in behandeling genomen.

3.4. Verzoeker heeft hetgeen is opgenomen in zijn faxbericht van 8 juni 2009 ten grondslag gelegd aan zijn verzoek, zodat dit stuk ter beoordeling voorligt.

3.5. Verzoeker stelt zich allereerst op het standpunt dat de procureur generaal bij de Hoge Raad een nieuwe onafhankelijke wrakingskamer dient te benoemen, die wordt samengesteld uit rechters uit een ander arrondissement dan het arrondissement Arnhem.

3.6. Het is evenwel niet aan de wrakingskamer om de procureur generaal bij de Hoge Raad te gebieden een andere wrakingskamer aan te stellen. De wrakingskamer van de rechtbank alwaar de gewraakte rechter werkzaam is, dient een wrakingsverzoek te toetsen aan de wettelijke bepalingen inzake wraking van rechters die zijn opgenomen in artikel 8:15 van de Awb en volgende en aan de ter zake van toepassing zijnde jurisprudentie. Het is overigens evenmin aan de procureur generaal om rechters uit een ander arrondissement te benoemen teneinde een wrakingsverzoek dat ziet op een rechter die werkzaam is in het arrondissement Arnhem te behandelen.

Bovendien is het verzoek tot het benoemen van een andere wrakingskamer in zoverre achterhaald, nu verzoeker bij brief van 29 juli 2009 het wrakingsverzoek van 13 juli 2009 gericht tegen de toenmalige wrakingskamer (bestaande uit [voorzitter], [rechter b] en [rechter c]) heeft ingetrokken onder de voorwaarden dat het verzoek tot wraking van [rechter] gevoegd zou worden behandeld met een ander wrakingsverzoek van verzoeker en dat voornoemde wrakingskamer hierover zou oordelen.

De samenstelling van de huidige wrakingskamer is weliswaar lichtelijk gewijzigd. Echter, verzoeker heeft geen bezwaren geuit tegen de gewijzigde samenstelling, terwijl hij daarvan bij brief van 7 augustus 2009 wel op de hoogte was gesteld.

Wat de gevoegde behandeling betreft, is de rechtbank niet geheel duidelijk geworden op welk ander wrakingsverzoek verzoeker doelt. Verzoeker heeft dit onvoldoende duidelijk gemaakt in zijn brief van 29 juli 2009. Voor zover verzoeker hiermee het verzoek tot wraking van [rechter d] bedoelt, moet worden geoordeeld dat bij beschikking van 3 augustus 2009 dit wrakingsverzoek reeds afgewezen is. Nu verzoeker na 3 augustus 2009 en evenmin na 7 augustus 2009 bezwaar heeft gemaakt tegen de behandeling van deze zaak door deze wrakingskamer, is het aan de huidige wrakingskamer om te oordelen over het onderhavige wrakingsverzoek.

Voor zover verzoeker in zijn verzoekschrift onder punt 8. nog spreekt over een eerdere wrakingsbeslissing wordt opgemerkt dat het niet aan de wrakingskamer is om hier nog over te oordelen, nu dit reeds een afgedane zaak betreft. Evenmin is het aan de wrakingskamer om in te gaan op de inhoudelijke bestuursrechtelijke procedure(s) die door de bestuursrechter is/zijn behandeld.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat [rechter] door hetgeen verzoeker onder 8. in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd in het onderhavige geval een mogelijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid heeft gewekt.

3.7. Verzoeker heeft voorts – kort gezegd – aangevoerd dat hij geen uitnodiging voor de zitting op 8 juni 2009 heeft mogen ontvangen, dat [rechter] niet de moeite heeft genomen dat te controleren en dat het verzoek tot uitstel, toen verzoeker eenmaal op de hoogte was van het plaatsvinden van de zitting, ten onrechte is afgewezen.

3.8. Uit het dossier in de bestuursrechtelijke zaak blijkt dat verzoeker per aangetekende brief gedateerd 24 april 2009 gericht aan hem, met als adres [adres], is uitgenodigd voor de zitting op 8 juni 2009, om 16:20 uur. Daarin is vermeld dat binnen zeven dagen na de datum van de uitnodiging kan worden verzocht om uitstel en dat verzoeken die later worden ingediend worden afgewezen, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.

Niet weersproken is dat het adres van verzoeker juist is. Uit de lijst van aangetekende verzendbewijzen kan worden afgeleid dat drie aangetekende brieven gericht aan verzoeker (met barcodes 3S RRRC 4087336, 3S RRRC 4087338 en 3S RRRC 4087340) op 24 april 2009 door TNT post zijn aangenomen. Uit de uitdraai van Track & Trace blijkt dat de zending op 25 april 2009 in de afleverroute zat, maar dat de aflevering is uitgesteld tot de volgende werkdag. Op 27 april 2009 is de zending niet afgeleverd, omdat de geadresseerde niet aanwezig was. De zending was vervolgens beschikbaar op de afhaallocatie te [locatie]. Wat er vervolgens is gebeurd is onduidelijk. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat verzoeker de brieven niet zou hebben opgehaald. In de brief van verzoeker van 3 juni 2009 gericht aan de rechtbank stelt verzoeker dat hij, nadat hij zelf daarom had verzocht bij de rechtbank, pas op 3 juni 2009 een uitnodiging voor de zitting van 8 juni 2009 zou hebben ontvangen. Verzoeker zou noch een uitnodiging per aangetekend schrijven noch een uitnodiging per normale postverzending hebben ontvangen, ondanks dat hij op 27 april 2009 – de verjaardag van zijn echtgenote – wel thuis was.

In diezelfde brief verzoekt verzoeker om uitstel van de behandeling omdat hij onvoldoende voorbereidingstijd heeft en omdat hij op 8 juni 2009 om 11.20 uur een afspraak in het ziekenhuis heeft voor een medische behandeling, ten gevolge waarvan hij onder invloed van pijnstillende medicatie –

hetgeen zal leiden tot sufheid – zal zijn. Verzoeker legt als bewijs een kopie van de afsprakenkaart over. Vervolgens heeft verzoeker zijn verzoek tot uitstel herhaald bij brief van 4 juni 2009.

De rechtbank heeft verzoeker in reactie hierop bij brief van 5 juni 2009 bericht dat zij alleen in uitzonderlijke omstandigheden uitstel verleent en dat de reden van verzoeker daar niet onder valt. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak niet aangehouden.

3.9. Niet gebleken is dat de rechtbank met het verzenden van de uitnodiging gericht aan verzoeker niet heeft gehandeld zoals gebruikelijk is. Wat er verder ook zij van de bezorging, het niet verlenen van uitstel levert, zonder nadere motivering, die ontbreekt, op zichzelf genomen geen wrakingsgrond op. Bovendien is in dit geval niet gebleken dat [rechter] hiermee enige bemoeienis heeft gehad. De rechtbank heeft gehandeld conform haar aanhoudingsbeleid in bestuursrechtelijke zaken, hetgeen in dit geval, gelet op de omstandigheden, weliswaar enigszins ongelukkig was. Dat betekent evenwel nog niet dat er sprake is van enige vooringenomenheid aan de zijde van [rechter] ten aanzien van de inhoud van de zaak die hij had te beoordelen.

Dat [rechter] eigener beweging informatie had moeten verstrekken over de uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan wel uitstel zou zijn toegestaan, volgt niet uit enige wettelijke bepaling. Evenmin is er een rechtsregel aan te wijzen die aangeeft dat een rechter gehouden is om na het retour ontvangen van een uitnodiging – voor zover hiervan al sprake is – de geadresseerde te bellen.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat verzoeker zijn echtgenote of een andere gemachtigde/zaakwaarnemer had kunnen sturen naar de zitting van 8 juni 2009, die ter zitting het verzoek tot aanhouding had kunnen herhalen. Het aanhoudingsverzoek had dan opnieuw behandeld kunnen worden.

3.10. Tot slot geldt dat het telefoonverbod dat reeds enige tijd geleden aan verzoeker is opgelegd hier niet ter discussie staat.

3.11. Nu ook anderszins het wrakingsverzoek geen aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat door het handelen van [rechter] de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, moet het wrakingsverzoek worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.A. Huidekoper (voorzitter), J.C.E. Ackermans-Wijn en M.J.P. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 7 september 2009.

de griffier de voorzitter