Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ6880

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
05/523779-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BM3158, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft een 36-jarige treinmachinist die op 21 november 2006 een botsing op station Arnhem veroorzaakte tussen een goederentrein en een stoptrein uit de richting van Dieren vrijgesproken van schuld aan een ongeval op het spoor. Subsidiair werd hem verweten dat hij niet is gestopt voor een rood sein. Voor dit feit wordt de man ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

PROMIS II

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/523779-07

Datum zitting : 21 augustus 2009

Datum uitspraak : 4 september 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsvrouw : mr. K. Versteeg, advocaat te Rotterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 november 2006 te Arnhem, in de gemeente Arnhem, terwijl hij, verdachte geen wegbekendheid had voor het treintraject en/of baanvak Utrecht-Emmerich en/of wist, althans kon weten dat hij niet bevoegd was om als machinist, zelfstandig met een goederentrein over dat treintraject/baanvak te rijden, met een goederentrein (342377) over de/het spoor/sporen 23, 5a en/of 5b van dat traject Utrecht-Emmerich, zijnde een hoofdspoorweg, in de richting van station Zevenaar heeft gereden en/of toen hij, verdachte, rijdende over die/dat spoor/sporen, twijfelde of de/het sein/en 1200, 1202, 1238 en/of 1240 wel voor hem, verdachte bestemd was/waren niet met die goederentrein (342377) is gestopt en/of geen contact heeft opgenomen met de (plaatselijke) treindienstleider en/of terwijl hij, verdachte op een afstand van ongeveer 435 meter, althans op grote afstand, het/de stoptonende sein/en 1238 en/of 1240, welk/e sein/en rood licht uitstraalde/n, had waargenomen, niet ingevolge het gestelde in artikel 65 lid 2 van de Spoorwegwet, die/dat sein/en 1238 en/of 1240 in acht heeft genomen en/of niet ingevolge artikel 1 onder punt 1.1 nummer 215 van de bijlage 4 van de Regeling Spoorverkeer, behorend bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer, met die goederentrein (342377) voor dat/die sein/en is gestopt en/of met die goederentrein (342377) is doorgereden en/of met een snelheid gelegen tussen de 15 en 26 kilometer per uur de wisselstraat ter hoogte van wissel 1237 is opgereden en/of met die goederentrein (342377) frontaal, althans nagenoeg frontaal is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met een reizigerstrein (7632), welke reizigerstrein vanaf spoor 957 doende was die wissel over te rijden in de richting van spoor 4, waardoor het aan zijn, verdachtes schuld te wijten is dat gevaar is ontstaan voor het (trein)verkeer door mechanische kracht over voormelde spoorweg;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 21 november 2006 te Arnhem, in de gemeente Arnhem, als machinist van een goederentrein (342377), daarmee rijdende over spoor 5a en/of spoor 5 b, niet ingevolge het gestelde in artikel 65 lid 2 van de Spoorwegwet, de/het stoptonend/e sein/en 1238 en/of 1240, welk/e sein/en rood licht uitstraalde/n in acht heeft genomen, door niet ingevolge het gestelde in artikel 1 onder punt 1.1 nummer 215 van de bijlage 4 van de Regeling Spoorverkeer, behorend bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer, met die goederentrein (242377) voor dat/die sein/en te stoppen;

artikel 65 lid 2 van de Spoorwegwet jo. artikel 20 Besluit Spoorverkeer en artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer i.v.m. artikel 1 onder punt 1.1 nummer 215 van de bijlage 4 van de Regeling Spoorverkeer;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 21 augustus 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. K. Versteeg, advocaat te Rotterdam.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• [benadeelde partij 1] en

• [benadeelde partij 2].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van € 200,- in haar geheel toewijsbaar en verzoek de rechtbank daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 100,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte reed op 21 november 2006 te Arnhem zelfstandig met een goederentrein met nummer 342377 over het treintraject/baanvak Utrecht-Emmerich. Verdachte reed bij treinstation Arnhem over spoor 23 en vervolgens over de sporen 5a en 5b. Deze sporen vormen een hoofdspoorweg in de richting van station Zevenaar. Toen verdachte over de genoemde sporen reed, twijfelde verdachte of de geel licht uitstralende seinen 1200 en 1202 voor hem bestemd waren. Bij het daaropvolgende stoptonend rode sein 1238 twijfelde verdachte daarover opnieuw. / Verdachte is toen met de goederentrein (342377) niet gestopt en heeft geen contact met de treindienstleider opgenomen. Voor het sein 1202 heeft verdachte in verband met zijn twijfel geremd, zodat hij met ongeveer 28 kilometer per uur reed ter hoogte van dat sein. Bij het passeren van sein 1202 keek verdachte weer naar de rijweg, en zag het stoptonend sein 1238. Verdachte heeft voor het sein 1238 aanvankelijk geremd in de volremstand, daarna even losgelaten in de veronderstelling dat het sein toch niet voor hem gold, maar kort daarop - toen verdachte onderkende dat het sein 1238, dat op dat moment rood licht uitstraalde, toch voor hem bestemd was - heeft hij maximaal geremd. / Dit heeft niet kunnen voorkomen dat verdachte niet voor sein 1238 is gestopt en de wisselstraat ter hoogte van wissel 1237 is opgereden. Daar is verdachte nagenoeg frontaal gebotst op een reizigerstrein (7632). Deze reizigerstrein was op dat moment bezig de wissel over te rijden in de richting van spoor 4.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat sprake is van onvoorzichtigheid van verdachte, waardoor gevaar is veroorzaakt op het spoor, en dat daarom het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. De officier van justitie voert aan dat op een treinmachinist de verantwoordelijkheid rust om continu alert te zijn op de geldende seinen en dat dit in het bijzonder geldt voor een machinist van een zware goederentrein in een station. De officier van justitie stelt dat aan verdachte te wijten is dat gevaar voor het verkeer op het spoor is ontstaan en betoogt daartoe als volgt.

1. Verdachte had geen wegbekendheid voor het treintraject Utrecht-Emmerich. Er was namelijk de afspraak dat verdachte één keer heen en terug zou moeten rijden met een ervaren machinist om de vereiste wegbekendheid te verwerven, maar verdachte is alleen één keer heen gereden. Desondanks heeft verdachte er op 21 november 2006 zelf voor gekozen deze goederentrein te besturen. Die wegonbekendheid heeft ertoe bijgedragen dat verdachte het stoptonende rode sein gemist heeft, omdat verdachte verwachtingen had over de plaatsing van de seinen die niet juist waren.

2. Verdachte is met de trein niet gestopt en heeft geen contact opgenomen met de (plaatselijke) treindienstleider toen hij twijfelde over de vraag welke seinen voor hem bedoeld waren terwijl hij dit volgens de geldende instructies wel had moeten doen. Verdachte kon voor het rode sein niet meer stoppen, maar verdachte had er voor kunnen kiezen bij het gele sein met nummer 1202, toen hij ook al twijfelde, te stoppen om helderheid te krijgen van de treindienstleider.

3. Voor verdachte is het rode sein op een afstand van ongeveer 435 meter, in ieder geval van grote afstand zichtbaar geweest maar hij heeft dit sein genegeerd totdat het te laat was.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat vrijspraak moet volgen voor het primair ten laste gelegde. Daartoe voert de verdediging – kort en zakelijk weergegeven – aan dat geen sprake is van schuld als wordt bedoeld in artikel 165 van het Wetboek van Strafrecht. De omstandigheden die hebben geleid tot het passeren van het rode sein door verdachte, zoals de verwarrende eigenschappen van een geel sein, spelen in deze zaak een grote rol. Zij baseert zich hierbij op het artikel ‘Onderzoek in het kort. IJzeren regels geen waarborg voor spoorweg veiligheid’ van de twee deskundigen Ir. J. van den Top en dr. J. Groeneweg, alsmede hun verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris. Verder betoogt de verdediging ten aanzien van de aan verdachte door de officier van justitie gemaakte verwijten het volgende.

1. Verdachte beschikte wel degelijk over de voor het besturen van de goederentrein over het traject Utrecht-Emmerich vereiste wegbekendheid. De wegbekendheid voor spoortrajecten is een abstract begrip, dat door de wetgever niet nader is gedefinieerd en waaraan geen concrete eisen zijn gesteld, anders dan dat ingevolge artikel 25 van het Besluit Spoorwegpersoneel een vakinhoudelijk leidinggevende de specifieke taakgebonden en bedrijfsgebonden bekwaamheid dient te beoordelen.

De werkgever van verdachte (ERS) heeft voor genoemde beoordeling geen vastgestelde normen. Naast het vereiste rijbewijs en rijervaring, rijdt een machinist doorgaans mee met een ervaren machinist en legt hij een examen af. Met betrekking tot het baanvak Utrecht-Emmerich is verdachte verteld dat hij éénmaal heen en terug moest meerijden om de vereiste wegbekendheid op te doen, een examen daarover werd niet nodig geacht. Deze eisen waren, gelet op hetgeen binnen ERS gebruikelijk was, voor verdachte niet buitengewoon of onlogisch.

Ongeveer vijf maanden voor het ongeval heeft verdachte ook daadwerkelijk de wegbekendheid opgedaan. Hij heeft toen eenmaal meegereden op de heenweg en was daarmee voor wat betreft de heenweg, dus van Utrecht richting Emmerich, bevoegd volgens de normen die ERS hanteerde. Verdachte heeft daarom op de dag van het ongeval het besluit kunnen nemen om de goederentrein te gaan besturen.

Subsidiair voert de verdediging ten aanzien van de wegbekendheid aan dat het veronderstelde ontbreken daarvan niet in oorzakelijk verband staat met het ongeval. Uit het proces-verbaal van verhoor van mevrouw [getuige 1] van ERS bij de rechter-commissaris volgt dat het bij ERS “kan zijn dat iemand wegbekendheid heeft maar toch bij een bepaald station bijvoorbeeld altijd maar over 1 spoor heeft gereden”. Op de vraag of nadien de wegbekendheid geldt voor alle sporen van een emplacement, of enkel voor de sporen die bereden zijn bij het opdoen van wegbekendheid, antwoordt zij “De wegbekendheid geldt dan voor het hele baanvak”. In casu heeft verdachte bij het opdoen van wegbekendheid niet over spoor 5a/5b gereden.

Zeker als wegbekendheid niet inhoudt dat men alle sporen van een bepaald treinstation heeft bereden, kan niet geconcludeerd worden dat wegbekendheid een belangrijke (substantiële risicoverhogende) factor is bij de verklaring van het feit dat verdachte het stoptonende rode sein 1238 is gepasseerd.

De opeenvolging van meerdere gele seinen door een rood sein geeft bovendien in het algemeen aanleiding tot veel verwarring. Deze in het spoorwegverkeer algemeen voorkomende verwarring, die in belangrijke mate de oorzaak is van het ongeval, is niet veroorzaakt door het veronderstelde gebrek aan wegbekendheid en kan verdachte niet worden aangerekend.

2. Verdachte hoefde bij zijn twijfels over welke seinen voor hem golden niet te stoppen volgens de daarvoor algemeen geaccepteerde normen. Ook hoefde hij geen contact op te nemen met de treindienstleider. De vraag dient te worden gesteld in hoeverre de norm dat, zoals de officier van justitie kennelijk bedoelt, bij twijfel dient te worden gestopt dan wel contact dient te worden gezocht met de treindienstleider, een in de maatschappij of in het vak van treinmachinist geldende norm betreft.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2008 (dossierpagina 256 e.v.) volgt dat aan ERS is gevraagd wat een machinist moet doen (wat de regelgeving is) als hij bij een onduidelijke situatie, bijvoorbeeld een voor hem onbekend baanvak, komt. Uit het antwoord dat op de vraag volgt, valt af te leiden dat een dergelijke situatie niet is geregeld. Gevraagd wordt vervolgens wat in dat geval de gangbare situatie is. Het antwoord luidt als volgt:

“Op deze vraag valt geen algemeen antwoord te geven. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de beoordeling daarvan door de machinist, handelt de machinist naar bevind van zaken. Daartoe behoort de mogelijkheid om snelheid te minderen. In het uiterste geval kan de machinist besluiten om de trein te stoppen en contact op te nemen met de treindienstleider.” Onder handelen naar bevind van zaken behoort onder meer het minderen van snelheid, hetgeen verdachte heeft gedaan. Dat verdachte moest stoppen en contact op moest nemen met de treindienstleider is nergens uit af te leiden.

Verdachte is overigens op het tweede moment van twijfel wel gestopt, althans, hij is begonnen met stoppen. Hij is echter niet tijdig tot stilstand gekomen voor het rode sein. Dit zou ook niet hebben gekund gezien het feit dat het laatste gele sein 1202 binnen remwegafstand van het rode sein 1238 stond. Verder is het niet reëel om te stellen dat verdachte contact had moeten opnemen met de treindienstleider; daarvoor was op dat moment helemaal geen gelegenheid.

3. Uit het dossier volgt niet wanneer verdachte het stoptonend rode sein 1238 precies zag. Uit het rapport van de Inspectie Verkeer en Waterstaat volgt dat verdachte na het passeren van sein 1202 een stoptonend sein waarneemt. In het verslag van het interview dat de Inspectie Verkeer en Waterstaat met verdachte heeft gehouden wordt dit als volgt omschreven “Na het passeren van sein 1202 ziet de machinist één sein in de verte. Het is hem niet duidelijk of dit sein 1238 is. Het sein toont een “rood” seinbeeld. Mogelijk is het sein 1240, omdat dit sein hoger geplaatst is dan de andere seinen die op dezelfde kilometrering zijn geplaatst. De exacte afstand tussen sein 1202 en 1238 staat niet in het dossier. In het proces-verbaal Verkeersongeval Analyse Rail staat op pagina 8 dat zowel sein 1202 als sein 1238 ter hoogte staan van spoorweghectometer 91.786. Uit figuur 6 van het rapport van de Inspectie Verkeer en Waterstaat valt af te leiden dat sein 1202 vlak voor punt 91.858 staat en sein 1238 exact ter hoogte van 91.968. Hieruit kan worden afgeleid dat de seinen zich dicht bij elkaar bevinden, in ieder geval op niet meer dan 200 meter afstand. Voorzover uit het dossier zou kunnen worden afgeleid dat verdachte het rode sein heeft waargenomen voordat hij bij sein 1202 was aangekomen, heeft deze waarneming gezien zijn verklaringen in ieder geval niet op afstand van honderden meters, maar slechts op afstand van enkele tientallen meters voor sein 1202 plaatsgevonden. Omdat sein 1202 en sein 1238 op minder dan 200 meter van elkaar zijn verwijderd, kan de conclusie nummer luiden dat verdachte het sein "op een afstand van ongeveer 435 meter althans op grote afstand” heeft waargenomen.

Evenmin blijkt uit het dossier eenduidig vanaf welk punt verdachte dat sein had kunnen zien.

Zo volgt uit het rapport van de Inspectie Verkeer en Waterstaat niet op welke afstand gezien vanaf spoor 5a, 5b en 23 de seinen kunnen worden waargenomen nu de inspecteur op het perron heeft gestaan. Uit het dossier kan derhalve geenszins worden afgeleid dat sein 1238 vanaf het spoor – dus vanuit het oogpunt van de machinist - op minimaal 435 meter zichtbaar is.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarom van dat feit vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van de aan verdachte in onderhavige zaak verweten gedragingen, waarbij de rechtbank de indeling en volgorde van gedragingen volgt, overweegt de rechtbank als volgt.

Ad 1. Wegbekendheid

De rechtbank overweegt dat wegbekendheid een vereiste is voor het bevoegd besturen van een goederentrein over een traject. Voor de te stellen eisen aan het verwerven van die wegbekendheid is echter geen regelgeving vastgesteld, anders dan dat ingevolge artikel 25 van het Besluit Spoorwegpersoneel een vakinhoudelijk leidinggevende de specifieke taakgebonden en bedrijfsgebonden bekwaamheid dient te beoordelen.

Dit brengt met zich dat het aan een vakinhoudelijk leidinggevende van verdachte was om te bepalen welke eisen gesteld werden aan de wegbekendheid van verdachte, die benodigd was voor de bevoegdheid om met een goederentrein over het traject Utrecht-Emmerich te rijden. Nu deze klaarblijkelijk aan verdachte als eis had gesteld eenmaal heen en terug te rijden, en de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte alleen de heenweg over het traject van Utrecht naar Emmerich zou rijden, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte beschikte over de vereiste wegbekendheid.

Bij het voorgaande merkt de rechtbank op dat met het begrip ‘wegbekendheid’ als vereiste voor de bevoegdheid als machinist een goederentrein te besturen, klaarblijkelijk niet hetzelfde bedoeld wordt als concrete kennis van de plaatsing van seinen op een specifieke plaats. De rechtbank leidt dit mede af uit de omstandigheid dat het voor wegbekendheid niet vereist is dat een machinist over alle sporen op een traject heeft gereden.

Ad 2. Stoppen/contact met treindienstleider

De rechtbank volgt het betoog van de raadsvrouw, dat verdachte, bij twijfel over welke seinen voor hem golden, niet zonder meer moest stoppen volgens de daarvoor geldende normen. Ook het verminderen van snelheid behoort in die gevallen tot de mogelijkheden. Nu verdachte dat ook heeft gedaan, en met een snelheid van ongeveer 28 kilometer per uur het gele sein 1202 voorbij reed, terwijl daar 40 kilometer per uur was toegestaan, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen in aanmerking te nemen onvoorzichtigheid betracht. Dat verdachte ook geen contact heeft opgenomen met de treindienstleiding acht de rechtbank evenmin onvoorzichtig, nu er voor verdachte bij het naderen van zowel het sein 1202 als 1238 geen dwingende reden was om contact op te nemen en daartoe verder, toen verdachte eenmaal geen twijfel meer had, geen aanleiding meer bestond.

Ad 3. Waarnemen

De rechtbank overweegt dat de afstand vanwaar verdachte het stoptonend rode sein daadwerkelijk heeft gezien voor de vraag of sprake is geweest van een aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 165 van het Wetboek van Strafrecht minder van belang is. Van een oplettend machinist mag immers worden verwacht dat hij de relevante seinen opmerkt en daarnaar handelt zodra die voor hem voldoende zichtbaar zijn.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet valt op te maken vanaf welke afstand het stoptonend sein zichtbaar is geweest voor verdachte, zodat hij daarop kon anticiperen. Slechts is geconstateerd dat het sein 1238 vanaf het perron zichtbaar was. De vraag hoe de zichtbaarheid van dat sein is vanuit een goederentrein, rijdend over achtereenvolgens spoor 23, 5a en 5b en op voldoende afstand om die trein tijdig tot stilstand te brengen, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende beantwoord. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het rapport van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, naast de conclusie dat de seinen 1238 en 1240 vanaf het perron aan spoor 4 op een afstand van 435 meter zichtbaar zijn, wordt geconcludeerd dat de seinen 1238 en 1240 enigszins wegvallen tegen de daarachter staande tijdelijke loopbrug. Hoe dat effect vanuit het perspectief van een machinist op een goederentrein is, rijdend op spoor 23, 5a en 5b, is evenmin duidelijk.

Verder is na het ongeval geconstateerd dat de seinen zichtbaarder gemaakt konden worden. Het rapport van de Inspectie Verkeer en Waterstaat concludeert met betrekking tot de seinen 1238 en 1240 dat, ondanks dat de zichtbaarheid strikt genomen voldoende is, de zichtbaarheid wel verbeterd kan worden door ze vóór de boog te plaatsen. Met betrekking tot het sein 1200 verklaart de deskundige drs. J. van den Top bij de rechter-commissaris dat hem bekend is dat dat sein hoog in de lijst van voorbijgereden stoptonende seinen staat, waarbij hij de aantekening maakt dat de verwarring die bij sein 1200 klaarblijkelijk speelt evengoed voor sein 1202 kan gelden, maar dat het spoor bij sein 1200 nu eenmaal veel meer wordt gebruikt. De situatie bij sein 1200 is volgens J. van den Top inmiddels ook verbeterd doordat er een sein voor is geplaatst.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen zodanig verwijt is te maken dat sprake is van schuld in de zin van artikel 165 van het Wetboek van Strafrecht aan het ontstane en verwezenlijkte gevaar op het spoor.

De rechtbank acht, gelet op de vaststaande feiten wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 21 november 2006 te Arnhem, in de gemeente Arnhem, als machinist van een goederentrein (342377), daarmee rijdende over spoor 5a en spoor 5 b, niet ingevolge het gestelde in artikel 65 lid 2 van de Spoorwegwet, het stoptonende sein 1238 welk sein rood licht uitstraalde in acht heeft genomen, door niet ingevolge het gestelde in artikel 1 onder punt 1.1 nummer 215 van de bijlage 4 van de Regeling Spoorverkeer, behorend bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer, met die goederentrein (242377) voor dat sein te stoppen.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 65 lid 2 van de Spoorwegwet.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank overweegt dat het ten tijde van het ongeval stoptonende rode sein met nummer 1238 op zeer korte afstand van het geel licht uitstralende sein met nummer 1202 is geplaatst. Deze afstand is zo kort dat verdachte, als hij bij het genoemde geel uitstralende sein onmiddellijk was gaan remmen, niet meer had kunnen voorkomen dat hij met zijn goederentrein door het stoptonende rode sein zou rijden. Nu uit het dossier niet valt op te maken dat verdachte het sein tijdig had kunnen waarnemen om daarop voldoende te reageren, kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet worden verweten dat hij met de goederentrein niet voor het stoptonend rode sein is gestopt.

Verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van hun vorderingen, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Nu echter geen straf of maatregel zal worden opgelegd of artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zal worden toegepast zijn deze vorderingen niet-ontvankelijk, gelet op artikel 361, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafvordering.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 165 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 65 en 87 van de Spoorwegwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende te [adres], [woonplaats].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [adres], [woonplaats].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mrs. T.H.P. de Roos, als voorzitter, W. Bruins en W.L.J.M. Duijst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.C. Wijsman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 september 2009.