Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ6569

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
18345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van de ouders van een minderjarig kind met Syndroom van Down, om de school te bevelen ten behoeve van het kind een verzoek tot indicatiestelling voor het praktijdonderwijs in te dienen bij de Regionale Verwijzingscommissie, wordt afgewezen. Geen wettelijke verplichting, geen misbruik van bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187345 / KG ZA 09-470

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2009

in de zaak van

[eisers],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. I.P.M. Boelens te Zeist,

tegen

de stichting

STICHTING PRAKTIJKONDERWIJS REGIO NIJMEGEN,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. S.G. Volbeda te Arnhem.

Eisers zullen hierna gezamenlijk als [eisers], dan wel de ouders van [het kind] worden aangeduid en gedaagde als de stichting Pro.

1. De procedure

1.1. [eisers] heeft de stichting Pro ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding van 21 juli 2009. Bij de mondelinge behandeling op 28 juli 2009 zijn verschenen: [eiser sub 1] en zijn echtgenote [eiser sub 2], bijgestaan door hun advocaat mr. I.P.M. Boelens. De stichting Pro was niet verschenen, aangezien zij noch vertegenwoordigd was door (een van) haar bestuurders noch vertegenwoordigd door een advocaat. Wel was verschenen mr. V.G.A. Kellenaar als gemachtigde van de stichting Pro. In overleg met partijen heeft de voorzieningenrechter ter zitting besloten de zaak aan te houden om gedaagde de gelegenheid te bieden alsnog te verschijnen. De mondelinge behandeling is voortgezet op 30 juli 2009. Daarbij zijn verschenen: [eiser sub 1] en zijn echtgenote [eiser sub 2], bijgestaan door hun advocaat mr. I.P.M. Boelens en de stichting Pro vertegenwoordigd door haar advocaat mr. S.G. Volbeda en haar gemachtigde mr. V.G.A. Kellenaar, juridisch adviseur bij Leeuwendaal advies B.V. te Rijswijk.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De heer en mevrouw [eisers] zijn de ouders van de minderjarige [het kind] (hierna: [het kind]), geboren op 25 maart 1996. [het kind] heeft het syndroom van Down. [het kind] woont bij zijn ouders in [woonplaats].

2.2. De stichting Pro bestuurt twee praktijkscholen in [woonplaats] met drie nevenvestigingen in [woonplaats], [werkgever] en [woonplaats] (in totaal vijf vestigingen voor praktijkonderwijs).

2.3. Artikel 27 Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) bepaalt:

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor elke soort van scholen of voor afdelingen van die scholen voorwaarden voor toelating en voorschriften omtrent verwijdering en voorwaardelijke bevordering worden vastgesteld. (…)”

2.4. Artikel 2 Inrichtingsbesluit WVO bepaalt:

1. Het bevoegd gezag beslist over de toelating van leerlingen.

2. Het bevoegd gezag kan bepalen dat de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid onder zijn verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend door een door het bevoegd gezag in te stellen toelatingscommissie. (…)

2.5. Artikel 10g lid 2 WVO bepaalt:

Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist, in overeenstemming met de andere bevoegde gezagsorganen in het in artikel 10h bedoelde samenwerkingsverband en na overleg met de ouders van de in het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Het bevoegd gezag kan een leerling toelaten tot het praktijkonderwijs mits voor 1 oktober van het desbetreffende schooljaar een aanvraag bij een door Onze minister erkende regionale verwijzingscommissie is ingediend om vast te stellen of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. De aanvraag gaat vergezeld van een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport en de op schrift gestelde zienswijze van de ouders. Indien de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de desbetreffende leerling de toelating tot een school voor praktijkonderwijs binnen het samenwerkingsverband niet worden geweigerd.

2.6. In de Schoolgids van De stichting Pro staat onder meer vermeld:

TOELATING

Voor het toelaten van een kind op een van onze scholen, hebben wij toestemming - een zogeheten ‘beschikking’- nodig van de Regionale VerwijzingsCommissie (RVC).

Dat is een commissie van onafhankelijke deskundigen die beoordeelt of de leerling toelaatbaar is voor het Praktijkonderwijs. De RVC kijkt daarbij naar de intelligentie en het leerniveau van het kind.

U kunt uw kind altijd bij ons aanmelden. Dat kan op elk van onze vier locaties. Wij sturen dan - met uw toestemming – het dossier van uw kind eerst naar de RVC. Nadat de RVC een beschikking heeft gegeven, sturen wij een kopie daarvan naar u. Vanaf dat moment is uw kind officieel toelaatbaar op een van onze scholen.

Leerling met Rugzak

Op onze school kan een leerling met een positieve beschikking van een commissie tot indicatiestelling (ook wel leerling met Rugzak genoemd) worden aangemeld. De leerling moet voldoen aan de wettelijke toelatingsvoorwaarden. In het onderwijskundig rapport van de school van herkomst moet staan aangegeven wat er met betrekking tot de beperking is gedaan.

De commissie die belast is met toelating, kan besluiten de leerling niet toe te laten:

• Als de ouders weigeren de doelstellingen van de school te respecteren.

• Als de toelating de rust en veiligheid binnen de school ernstig dreigt te verstoren.

(gedragsproblematiek)

• Als de mate van verzorging en/of behandeling zoveel tijd en energie vraagt dat het onderwijs niet tot z’n recht komt.

• Als er verstoring van het leerproces van andere leerlingen dreigt op te treden.

Indien de commissie besluit leerlingen toe te laten stelt de school met behulp van de ambulant begeleider van het Regionaal Expertise Centrum en in overleg met de ouders een behandelplan op.

2.7. [het kind] is een leerling met Rugzak (hij heeft een indicatie als bedoeld onder 2.6).

2.8. In oktober 2008 hebben de ouders van [het kind] hem aangemeld bij de stichting Pro om voor het schooljaar 2009 / 2010 te worden toegelaten als leerling van de Praktijkschool in [woonplaats].

2.9. [het kind] heeft in november 2008 gedurende twee weken een kennismakingsstage gelopen op de Praktijkschool in [woonplaats].

2.10. De commissie van toelating van de stichting Pro heeft aanvankelijk op 16 februari 2009 in een gesprek met de ouders van [het kind] en later op 2 maart 2009 schriftelijk een negatief advies uitgebracht naar aanleiding van de ervaringen tijdens de kennismakingsstage en gesteld dat de school niet kan voldoen aan de begeleidingsbehoefte van [het kind]. Zij heeft als beste onderwijsvorm voor [het kind] VSO-ZMLK geadviseerd.

2.11. Bij brief van 31 maart 2009 hebben de ouders van [het kind] bij de directie en het bestuur van de stichting Pro bezwaar aangetekend tegen het uitgebrachte advies.

2.12. Bij brief van 14 april 2009 aan de ouders van [het kind] heeft de stichting Pro het eerder gegeven (negatieve) advies gemotiveerd gehandhaafd.

2.13. De ouders van [het kind] en de stichting Pro hebben in het kader van mediation getracht tot een oplossing te komen, maar zijn daarin niet geslaagd.

2.14. De stichting Pro heeft, ook na sommatie daartoe door de raadsman van de ouders van [het kind], ten behoeve van [het kind] geen verzoek tot indicatiestelling tot het praktijkonderwijs ingediend bij de RVC.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert samengevat - de stichting Pro te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis ten behoeve van [het kind] een verzoek tot indicatiestelling voor het praktijkonderwijs in te dienen bij de RVC waarbij de stichting Pro is aangesloten, op straffe van een dwangsom.

3.2. Ter onderbouwing van hun vordering voeren de ouders van [het kind] het navolgende aan. Zij willen [het kind] de mogelijkheid geven om zijn talenten maximaal te ontplooien. Het is voor hen van groot belang dat [het kind] daadwerkelijk toegang krijgt tot het onderwijs dat bijdraagt aan een zo volledig mogelijke integratie in de maatschappij en zijn persoonlijke ontwikkeling. [het kind] heeft er op grond van het Verdrag voor de rechten van het kind (artikel 23 lid 3) recht op dat hij zulk onderwijs krijgt. Nu dat zou kunnen op een school in zijn eigen dorp ([woonplaats]), zonder dat er leerlingenvervoer nodig is, is de Praktijkschool in [woonplaats] voor hen de aangewezen keuze. Zij zijn van mening dat plaatsing van [het kind] op de Praktijkschool “met extra hulp uit het rugzakje” zonder meer verantwoord is en zien zich daarin gesteund door de ervaringen van de (reguliere) basisschool die [het kind] heeft doorlopen en de deskundige mening van de ambulante begeleider en het REC (de instantie die verantwoordelijk is voor toekenning van het rugzakje). Zij stellen zich op het standpunt dat de argumenten die de stichting Pro in het advies van de commissie van toelating heeft aangevoerd geen redenen kunnen vormen om de toelating van [het kind] te weigeren. De vrijheid van het bevoegd gezag om te beslissen over toelating van een leerling tot het praktijkonderwijs wordt volgens hen door de regeling van artikel 10g WVO volledig ingeperkt. Op grond daarvan dient eerst een indicatie te worden gevraagd bij de RVC voordat het bevoegd gezag kan beslissen op het verzoek tot toelating van [het kind] tot de praktijkschool. De stichting Pro heeft volgens de ouders van [het kind] zonder steekhoudende argumenten geweigerd een aanvraag tot indicatiestelling voor [het kind] bij de RVC in te dienen.

Primair stellen de ouders van [het kind] zich op het standpunt dat de weigering van de stichting Pro om ten behoeve van [het kind] een indicatieverzoek in te dienen jegens [het kind], en indirect jegens de ouders onrechtmatig is. Zij stellen dat de school niet de ruimte heeft om aanvullende voorwaarden te stellen en en dat de stichting Pro wettelijk verplicht is een aanvraag tot indicatiestelling bij de RVC in te dienen. Subsidiair dat de stichting Pro misbruik van bevoegdheid maakt door te weigeren een aanvraag in te dienen bij de RVC en dat de beslissing om [het kind] niet toe te laten onzorgvuldig tot stand is gekomen.

3.3. De stichting Pro voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De stichting Pro stelt zich op het standpunt dat het bevoegd gezag (dat is de stichting Pro) en namens deze de commissie van toelating, rechtsgeldig beslist over de toelating van een leerling tot het praktijkonderwijs aan een van de vijf vestigingen binnen haar samenwerkingsverband. Zij hanteert een toelatingsbeleid dat is verwoord in de Schoolgids en dat zijn formele basis heeft in artikel 27 WVO en artikel 2 van het Inrichtingsbesluit WVO.

Het beleid van de school is dat bij een negatief advies van de commissie van toelating wordt afgezien van toelating. Het is volgens de stichting Pro nog niet eerder voorgekomen dat een leerling met Rugzak niet is toegelaten.

4.2. De stichting Pro stelt zich op het standpunt dat zij niet verplicht is de RVC om een oordeel te vragen. De Grondwettelijke beschermde vrijheid van richting en inrichting maakt duidelijk dat plaatsing niet zonder een positief oordeel van de RVC kan, maar dat het niet plaatsen van een leerling respectievelijk het niet in behandeling nemen van een aanvraag is toegestaan zonder de RVC om een standpunt te vragen. Volgens de stichting Pro is plaatsing van een leerling op een praktijkschool een stuk duurder dan op een reguliere school. Voor deze extra bekostiging is een indicatiestelling van de RVC nodig. Voor het niet plaatsen van een leerling is een indicatiestelling overbodig.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt het navolgende. De ouders van [het kind] hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de stichting Pro op grond van de wet verplicht is een verzoek tot indicatiestelling in te dienen bij de RVC. Dit standpunt deelt de voorzieningenrechter niet. In artikel 10g lid 2 WVO, geciteerd onder de feiten, is bepaald dat het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs en voorts dat het bevoegd gezag een leerling kan toelaten mits voor 1 oktober van het desbetreffende schooljaar een aanvraag bij een RVC is ingediend om vast te stellen of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het bevoegd gezag een leerling kan toelaten op voorwaarde dat door haar binnen de gestelde termijn een aanvraag tot indicatiestelling bij de RVC is ingediend en door laatstgenoemde is vastgesteld dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, maar impliceert niet dat het bevoegd gezag voor een aangemelde leerling zonder meer een verzoek tot indicatiestelling bij de RVC moet indienen. Indien dat wel zo zou zijn, zou, gelet op de laatste volzin van het artikel waarin bepaald is dat toelating niet kan worden geweigerd indien de RVC heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar is, toelating van leerlingen tot het praktijkonderwijs uitsluitend afhankelijk zijn van de indicatiestelling door de RVC, hetgeen niet overeenstemt met de eerste volzin van het artikel waarin de beslissing over toelating wordt gelaten aan het bevoegd gezag.

Anders dan [eisers] kennelijk meent, volgt uit artikel 10g WVO niet dat de stichting Pro verplicht is ten behoeve van [het kind] een aanvraag tot indicatiestelling bij de RVC in te dienen.

[eisers] heeft voorts nog gesteld dat de indicatiestelling uitdrukkelijk is bedoeld als drempel en in dat kader verwezen naar de parlementaire behandeling (kamerstukken 25.410 nr. 7 pagina 60) waarin is vermeld: “De indicatie voor het praktijkonderwijs is echter zo zwaar om zoveel mogelijk uit te sluiten dat leerlingen hierin ten onrechte terecht komen”.

Dat is op zichzelf juist maar een verplichting voor het bevoegd gezag om voorafgaand aan haar beslissing over toelating van een leerling een indicatiestelling te vragen, zoals het standpunt van [eisers] luidt, volgt hieruit voorshands niet.

Voor toewijzing van de vordering op de primaire grondslag is, gelet op het voorgaande geen plaats.

4.4. Subsidiair stellen de ouders van [het kind] dat de stichting Pro misbruik van bevoegdheid maakt door te weigeren een aanvraag tot indicatiestelling bij de RVC in te dienen. Zij stellen voorts dat de beslissing om [het kind] niet toe te laten tot de Praktijkschool in [woonplaats] onzorgvuldig tot stand is gekomen, onder meer omdat de stichting Pro zich heeft beperkt tot het maken van een verslag van de stageperiode van [het kind]. Dit verslag is opgesteld door de eigen leerkrachten en de directie van de school, die geen ervaring hebben met de omgang met een leerling met het syndroom van Down. De school heeft bij haar beslissing onvoldoende belang gehecht aan de ervaringen van de basisschool, de deskundige mening van de ambulante begeleider en het REC, de instantie die verantwoordelijk is voor toekenning van het rugzakje. Volgens de ouders heeft de stichting Pro geweigerd om te overleggen met de onderwijsconsulent en maakt deze weigering duidelijk dat de school geen serieuze poging heeft gedaan om tot een zorgvuldige afweging te komen. Daarnaast stellen zij dat weliswaar duidelijk is dat de stichting Pro [het kind] niet wil plaatsen op de Praktijkschool in [woonplaats] maar dat zij dienaangaande geen (formeel) besluit heeft genomen.

4.5. Daartegenover stelt de stichting Pro ter terechtzitting van 30 juli 2009 dat een formeel schriftelijk besluit ontbreekt maar dat uit het geheel van feiten en omstandigheden volgt dat door de school (het bevoegd gezag) een beslissing is genomen, inhoudende dat [het kind] niet geplaatst kan worden op de Praktijkschool in [woonplaats]. De stichting Pro is van mening dat zij geen misbruik van bevoegdheid maakt door te weigeren een aanvraag tot indicatiestelling bij de RVC in te dienen en dat deze beslissing door haar, althans namens haar door de commissie van toelating op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Zij voert daartoe het navolgende aan. De school is, gelet op de achtergrond van [het kind], met zijn ouders overeengekomen bij de aanmelding van [het kind] een ander traject te volgen dan het op de school gebruikelijke, om te bezien of plaatsing van [het kind] realistisch en haalbaar is. [het kind] heeft, met de volle medewerking van zijn ouders, in november 2008 twee weken kennismakingsstage gelopen aan de school te [woonplaats]. Naar aanleiding van die stage heeft de commissie van toelating haar (negatieve) advies opgesteld, waarbij zij naast de intelligentie en het leerniveau van [het kind] ook heeft gekeken naar de extra verzorging, begeleiding en behandeling die [het kind] nodig zal hebben en naar het beroep dat gedaan zal worden op de capaciteit van de school in [woonplaats]. De commissie van toelating was van oordeel dat de school in [woonplaats] niet in staat is aan te sluiten bij de begeleidingsbehoefte van [het kind] en heeft, na bezwaar door de ouders van [het kind], haar negatieve advies voor plaatsing gemotiveerd gehandhaafd.

4.6. De voorzieningenrechter overweegt het navolgende. Ingevolge artikel 27 WVO jo artikel 2 Inrichtingsbesluit WVO en artikel 10g WVO beslist het bevoegd gezag over het al dan niet toelaten van een leerling op haar school. De stichting Pro heeft beslist [het kind] niet toe te laten tot de Praktijkschool in [woonplaats]. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eisers] zijn stelling dat de stichting Pro misbruik van bevoegdheid maakt en dat de beslissing, in het bijzonder de weigering om een indicatiestelling aan te vragen bij de RVC, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, vooralsnog niet aannemelijk gemaakt. Dat de commissie van toelating bij het opstellen van haar advies onder meer is uitgegaan van het verslag van de stageperiode van [het kind], staat aan een zorgvuldige beoordeling over de toelating van [het kind] als leerling, niet in de weg. De stage was juist bedoeld om te bezien of plaatsing van [het kind] haalbaar zou zijn. De enkele stelling dat het verslag is opgesteld door de eigen leerkrachten en de directie van de school die geen ervaring hebben met een leerling met het syndroom van Down, maakt niet dat aan het verslag geen zorgvuldige afwegingen ten grondslag liggen. Uit de brief van 14 april 2009 (productie 7 bij dagvaarding) blijkt dat de stichting Pro het eerder gegeven advies van de commissie van toelating uitgebreid heeft toegelicht en gemotiveerd heeft aangegeven dat de beschikbare middelen onvoldoende zijn om te voorzien in de individuele begeleidingsbehoefte van [het kind]. Deze conclusie wordt in een beschrijving van de observaties gedurende de kennismakingsstage onderbouwd. De stichting Pro heeft voorts betwist dat zij geweigerd zou hebben te overleggen met de onderwijsconsulent. De stichting Pro is met de ouders van mening dat [het kind], gelet op de bevindingen van de commissie van toelating, het oordeel van de mediator en van de onderwijsconsulent, zich bevindt tussen speciaal onderwijs (waarvoor hij een indicatie heeft) en praktijkonderwijs en dat hij een zorgarrangement nodig heeft. Partijen zijn het er, ook in mediation, kennelijk niet over eens geworden of in het kader van een zorgarrangement sprake moet zijn van een opstroom-model aan de Praktijkschool te [woonplaats] of van een afstroom-model. De stichting Pro kiest in tegenstelling tot de ouders voor het opstroom-model en heeft haar beslissing om [het kind] niet toe te laten tot haar school gehandhaafd. Zoals hiervoor is overwogen is zij in dat geval niet verplicht een aanvraag tot indicatiestelling bij de RVC in te dienen. Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende kan voorshands niet worden geoordeeld dat het door het bevoegd gezag (van de stichting Pro), althans namens haar door de commissie van toelating uitgebrachte advies en de beslissing om [het kind] als leerling niet toe te laten tot de Praktijkschool in [woonplaats] met als gevolg dat er geen aanvraag tot indicatiestelling bij de RVC is ingediend, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Van misbruik van bevoegdheid is daarom, voorshands geoordeeld, geen sprake.

Dat [het kind] op grond van artikel 23 lid 2 jo lid 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind recht heeft op bijstand die erop gericht is te waarborgen dat het gehandicapte kind onder meer daadwerkelijk toegang heeft tot onderwijs en opleiding, is op zichzelf juist maar dat betekent voorshands geoordeeld niet dat de school waarvan de ouders van [het kind] van mening zijn dat dit de aangewezen keuze voor hun zoon is, gehouden is voor [het kind] een aanvraag tot indicatiestelling bij de RVC in te dienen.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stichting Pro worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.078,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting Pro tot op heden begroot op EUR 1.078,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S.M. Daamen op 20 augustus 2009.