Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ6383

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
05/800520-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer veroordeelt twee militairen tot werkstraffen wegens het medeplegen van mishandeling. Het beroep op noodweer wordt verworpen omdat de wederrechtelijke aanranding feitelijk al was

geëindigd toen beide verdachten de aanval inzetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

Militaire kamer

Parketnummer : 05/800520-09

Datum zitting : 17 augustus 2009

Datum uitspraak : 31 augustus 2009

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [adres],

rang/rnr : Matroos 1e klasse, [nummer],

ingedeeld bij : [standplaats].

Raadsman : mr. M.A. Koot, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 februari 2009 te Ooltgensplaat, gemeente Oostflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten C.M. van [slachtoffer]) heeft geschopt en/of

getrapt en/of gestompt en/of (met een stok en/of knuppel) geslagen en/of aan

de haren heeft getrokken, waardoor voornoemde Van [slachtoffer] letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 13 februari 2009 te Ooltgensplaat, gemeente Oostflakkee,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer2]), heeft

geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 17 augustus 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.A. Koot, advocaat te 's-Gravenhage.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Feit 2

Aan verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat hij [slachtoffer2] zou hebben mishandeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 13 februari 2009 is er in Ooltgensplaat een vechtpartij geweest waarbij waren betrokken: verdachte, zijn broer [medeverdachte], [slachtoffer] en [slachtoffer2]. Gedurende deze vechtpartij heeft [slachtoffer2] naar eigen zeggen geprobeerd om verdachte en [medeverdachte] van haar man [slachtoffer] af te trekken. [slachtoffer2] zou daarbij door verdachte zijn mishandeld. Hij zou haar hebben geslagen en geschopt/getrapt.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 februari 2009. De verbalisanten die na de vechtpartij arriveren, verklaren dat [slachtoffer2] tegen hen over de klap en de schop (onder andere) verklaart:

“Toen ik de derde keer probeerde de jongens van mijn man te verwijderen, kreeg ik een klap tegen mijn gezicht van één van de jongens. Toen ik hierdoor op de grond terecht kwam, kreeg ik nog een trap tegen mijn linkerbovenbeen.”

In haar aangifte, d.d. 17 februari 2009, verklaart [slachtoffer2] (onder andere):

“Ik zag dat [verdachte] (de rechtbank begrijp: verdachte) tegenover mij stond. Ik keek hem recht aan. Ik zei tegen hem: “je slaat toch geen vrouw, stop er toch mee.” Ik voelde plotseling veel pijn in mijn gezicht. Het kan niet anders dan dat [verdachte] mij in mijn gezicht geslagen heeft.

(…)

Ik voel nog steeds veel pijn aan mijn kaak. Ik heb aan de linkerzijde van mijn gezicht een grote blauwe plek. Ik heb momenteel last van de rechterzijde van mijn kaak.

Ik heb enorme blauwe plekken op mijn benen. (…) Ik weet niet hoe ik aan deze blauwe plekken kom. Ik heb niet het idee dat dit door het vallen is veroorzaakt. Ik heb de indruk dat een van de jongens een knuppel bij zich had. Ik heb geen knuppel gezien maar gelet op de blauwe plekken die ik op mijn benen heb, zou het heel goed kunnen dat er met de knuppel tegen mijn benen is geslagen.”

Ter terechtzitting verklaart [slachtoffer2] (onder andere):

“Ik heb een klap op mijn been gekregen en een kaakslag. [verdachte] heeft mij geslagen. Toen ik weggetrokken werd, stond ik op het bordes tegenover hem. Hij hield mij even tegen en heeft mij geslagen. Ik zag wel dat hij me sloeg.

Ik ben geslagen op mijn been. Gezien de verwondingen moet het een knuppel zijn geweest. Die heb ik niet gezien. (…)

Ik ben een aantal keren gevallen. Ik ben toen op de grond terecht gekomen.”

Verdachte ontkent [slachtoffer2] te hebben geschopt of geslagen. [medeverdachte] noch [slachtoffer] verklaart iets van het slaan of schoppen te hebben gezien.

Niet in geschil is dat [slachtoffer2] tijdens de vechtpartij verwondingen heeft opgelopen. Niet enkel zijzelf verklaart hierover, ook de verbalisant heeft blauwe plekken gezien op haar linkerarm en op haar kaak. De militaire kamer is evenwel van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer2], ook niet bezien in samenhang met het letsel, onvoldoende consistent zijn om op grond daarvan wettig en overtuigend bewezen te achten dat het letsel is veroorzaakt door de mishandeling door verdachte. Immers, [slachtoffer2] heeft ook verklaard dat zij tijdens de vechtpartij meerdere malen is gevallen en dat ze meerdere malen heeft getracht verdachte van haar man af te trekken. De militaire kamer kan dan ook niet uitsluiten dat [slachtoffer2] het letsel heeft opgelopen door het vallen - temeer niet nu zij op beide benen blauwe plekken heeft terwijl zij zegt éénmaal te zijn getrapt of geslagen- of dat zij, ongewild, één van de klappen die vielen tijdens de worsteling tussen [medeverdachte] en haar man heeft moeten incasseren. [slachtoffer2] bevond zich tenslotte op het moment van de klap dicht bij de worsteling. Nu aangeefster bovendien pas ter terechtzitting heeft verklaard dat zij heeft gezien dat het verdachte was die haar sloeg, is de militaire kamer, evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat aan haar verklaring onvoldoende bewijskracht toekomt om verdachte daarop te kunnen veroordelen.

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte daarvan vrij spreken.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 13 februari 2009 te Ooltgensplaat, gemeente Oostflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten C.M. van [slachtoffer]) heeft geschopt en geslagen en aan de haren heeft getrokken, waardoor voornoemde Van [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

4b. De strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe gesteld dat [slachtoffer] als eerste [medeverdachte] met een zandschep (hierna te noemen:bats) in zijn nek heeft geslagen, dat [medeverdachte] en Van [slachtoffer] daarna in een worsteling op de grond vielen waarbij Van [slachtoffer] [verdachte] vasthield en dat verdachte toen uitsluitend heeft geslagen om zijn broer [medeverdachte] te verdedigen tegen Van [slachtoffer] en om hem te bewegen [medeverdachte] los te laten. Naar het oordeel van de raadsman is er daarom sprake geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte] waartegen verdachte hem mocht verdedigen. Verdachte zou daarom moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De militaire kamer gaat er vanuit dat Van [slachtoffer] de eerste klap heeft uitgedeeld met de bats. Zowel verdachte als zijn broer heeft zulks verklaard, maar ook [slachtoffer2] heeft ter terechtzitting verklaard dat Van [slachtoffer] de verdachten met de schop achterna is gegaan. De broer van verdachte heeft verklaard dat hij een klap kreeg in zijn nek en pijn had in zijn nek en tussen zijn schouderbladen. Hoewel zich in het dossier geen medische verklaringen of verklaringen van verbalisanten bevinden waaruit blijkt van zichtbaar letsel op de plaats waar hij met de bats zou zijn geraakt, gaat de militaire kamer uit van de juistheid van zijn lezing nu zich in het dossier tevens een verklaring van Van [slachtoffer] bevindt. Immers, Van [slachtoffer] verklaart één van de jongens goed geraakt te hebben en te hebben geslagen op de schouder of aan de zijkant van de nek. In beginsel levert het slaan met een dergelijk voorwerp een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op waartegen ook verdachte zich mocht verdedigen. Nu zowel verdachte als zijn broer [medeverdachte] heeft verklaard dat hij na de klap de bats van Van [slachtoffer] heeft afgepakt en heeft weggegooid, rijst de vraag of de daaropvolgende worsteling, waarbij Van [slachtoffer] is geschopt, geslagen en aan de haren is getrokken, nog steeds als een noodzakelijke verdediging tegen de eerder genoemde aanranding kan worden beschouwd.

Verdachte heeft daarover ter terechtzitting verklaard dat hij zag dat Van [slachtoffer] weliswaar onderop lag maar dat hij [medeverdachte] vasthield en dat [medeverdachte] daardoor niet weg kon komen.

[medeverdachte] heeft daarover bij de politie (onder andere) het volgende verklaard:

“Ik had die man op de grond gegooid. Ik deed dit door hem bij zijn schouders of bij zijn nek vast te pakken en trok hem naar de grond. (…)

Ik heb die man wel geslagen. Ik heb een paar keer, ik denk vier keer, geslagen met de rechtervuist. Ik hield hem met mijn linkerhand op de grond. Ik heb die man op zijn hoofd en op zijn borst geraakt. Die man die op de grond lag, was van het begin aan het schoppen en slaan om mij van zich af te krijgen. Dat is wel logisch want dat is een actie/reactie. Hij heeft mij, terwijl ik boven hem hing, wel tegen mijn benen geschopt. (…)

U vraagt of die man mij heeft vastgehad. Hij had mij vast bij mijn trui toen ik over hem heen hing en hem sloeg. Hij heeft niet mijn keel dichtgeknepen. (…)

Ter terechtzitting heeft [medeverdachte] (onder andere) verklaard:

“Ik werd niet gewurgd want ik heb gewoon kunnen ademen. Ik denk dat hij me over mijn nek heen had. Hij lag op zijn rug en had mij vast in een omstrengeling in zijn rechterarm. Mijn benen stonden op het grind.”

Uit de verklaringen van [medeverdachte] kan de militaire kamer niet afleiden dat hij zodanig door Van [slachtoffer] werd vastgehouden dat hij zich niet kon losmaken. Integendeel, uit de verklaring van [medeverdachte] bij de politie blijkt dat hij Van [slachtoffer] naar de grond heeft getrokken en met zijn linkerhand op de grond heeft gehouden om hem te slaan. [medeverdachte] heeft bovendien verklaard dat hij boos was. Toen hij met Van [slachtoffer] op de grond lag, was er dus geen sprake meer van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door Van [slachtoffer] waartegen [medeverdachte] zich moest verdedigen.

De militaire kamer is daarom van oordeel dat er weliswaar aanvankelijk sprake was van een noodweersituatie toen [medeverdachte] door Van [slachtoffer] met de bats werd geslagen maar dat deze noodweersituatie niet meer bestond vanaf het moment dat verdachte en zijn broer de bats hadden afgepakt en weggegooid. Het slaan en schoppen daarna betreft daarom geen noodzakelijke verdediging maar was slechts gebaseerd op het principe ‘oog om oog, tand om tand’. Dit leidt de militaire kamer ook af uit het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] waarin hij (onder andere) verklaart:

“Tijdens dit handgemeen wilde ik de man pijn doen uit reactie van de pijn welke hij mij had aangedaan.”

Het geweld dat is gebruikt na het afpakken van de bats, is dus wederrechtelijk. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 16 juli 2009.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is samen met zijn broer naar Van [slachtoffer] gegaan omdat hij, naar eigen zeggen, van Van [slachtoffer] wilde spreken naar aanleiding van een gerucht. Verdachte en zijn broer zijn daartoe samen in de donkere avonduren naar de woning van Van [slachtoffer] gegaan. Eenmaal bij de woning is een en ander aanzienlijk uit de hand gelopen. Verdachte heeft zich toen samen met zijn broer schuldig gemaakt aan mishandeling waarbij het slachtoffer pijn en letsel heeft opgelopen.

De militaire kamer neemt het verdachte kwalijk dat hij samen met zijn broer onaangekondigd in het donker de confrontatie met Van [slachtoffer] is gaan opzoeken en dat hij, nadat de noodweersituatie was beëindigd, vervolgens nog aanzienlijk geweld heeft gebruikt tegen Van [slachtoffer]. Van iedere persoon maar van een militair in het bijzonder mag worden verlangd dat hij zich in dergelijke situaties weet te beheersen. Verdachte heeft door zijn gedrag niet alleen Van [slachtoffer] pijn en letsel toegebracht en zijn vrouw aanzienlijke schrik aangejaagd, hij heeft tevens de goede naam van Defensie in diskrediet gebracht. Een werkstraf als door de officier van justitie gevorderd, acht de militaire kamer in dit geval dan ook een passende afdoening.

De militaire kamer houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat, vooropgesteld dat het door verdachte en zijn broer gebruikte geweld wederrechtelijk was, de eerste klap met de bats is uitgedeeld door Van [slachtoffer]. Immers, verdachte en zijn broer waren het perceel van Van [slachtoffer] aan het verlaten toen de broer van verdachte een klap in zijn rug voelde. Daarnaast houdt de militaire kamer er rekening mee dat verdachte geen documentatie heeft op het gebied van geweldsdelicten. Zij zal daarom een lagere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De raadsman heeft verzocht om zijn cliënt schuldig te verklaren zonder daarbij straf op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt door het feit zijn baan bij Defensie kwijt zou kunnen raken en daardoor al voldoende zou worden gestraft. De militaire kamer is echter van oordeel dat het feit te ernstig is om te kunnen volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder1 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 20 (twintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 2 (twee) uren, zijnde 1 (één) dag hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. J.P.M. Schwillens en kolonel mr. B.F.M. Klappe (militair lid), in tegenwoordigheid van mr. S.C.A.M. Janssen (griffier),

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 augustus 2009.