Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ6378

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
AWB 08/4968
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandige.

Op 4 juni 2008 is de wijziging van de Wet arbeid en zorg (Wazo) in werking getreden die het mogelijk maakt dat een zelfstandige een uitkering ontvangt ivm zwangerschap en bevalling.

Eiseres is bevallen op 29 mei 2008. Uit het overgangsrecht en de wetsgeschiedenis daarvan volgt dat de wijziging van de Wazo niet van toepassing is op degene die vóór 4 juni 2008 is bevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4968

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 4 augustus 2009

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. G. Ocak,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 23 september 2008, uitgereikt door het UWV te Heerlen.

2. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft verweerder het verzoek van eiseres om haar een zwangerschaps- en bevallingsuitkering toe te kennen ingevolge de Wet arbeid en zorg (Wazo), afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 juni 2009. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. G. Ocak, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels, werkzaam bij het UWV, kantoor Arnhem.

3. Overwegingen

Eiseres is zelfstandig ondernemer. Zij is op 29 mei 2008 bevallen.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de wijziging van de Wazo, die het mogelijk maakt dat een zelfstandige een zwangerschaps- en bevallingsuitkering krijgt, in werking is getreden op 4 juni 2008 en dat eiseres ingevolge het overgangsrecht geen recht op uitkering heeft omdat zij is bevallen vóór de datum van inwerkingtreding.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op een uitkering, omdat de vermoedelijke datum van bevalling 22 juni 2008 was, dat de weigering van de uitkering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, en dat zij erop mocht vertrouwen dat zij een uitkering zou krijgen.

Artikel IV, eerste lid, van de wet van 29 mei 2008, Stb. 2008/192, tot wijziging van de Wazo (verder: de wijzigingswet), luidt, voor thans van belang, als volgt:

“De bepalingen van deze wet zoals deze luiden na de inwerkingtreding van deze wet zijn niet van toepassing op vrouwelijke zelfstandigen wier bevalling heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, (…)”

Artikel VIII van de wijzigingswet luidt als volgt:

“Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.”

De wijzigingswet is geplaatst in het Staatsblad van 3 juni 2008 en in werking getreden op 4 juni 2008.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt het volgende.

In de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstuk 2007-2008, 31366, nr. 3, Tweede Kamer) is onder 4 het volgende opgenomen:

“Voorgesteld wordt om die vrouwelijke zelfstandigen recht op een bevallingsuitkering te geven die bevallen op of na de dag van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Degene die voor inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel is bevallen, kan hieraan geen recht op uitkering ontlenen.”

In het oorspronkelijke wetsvoorstel (Kamerstuk 2007-2008, 31366, nr. 2, Tweede Kamer) was in artikel VIII bepaald dat de wijzigingswet in werking zou treden op een bij koninklijk besluit te bepalen datum. De regering was voornemens om 1 juli 2008 te kiezen als datum van inwerkingtreding. In het amendement van het kamerlid Van Gent c.s. van 16 april 2008 (Kamerstuk 2007-2008, 31366, nr. 12, Tweede Kamer) is voorgesteld om de wijzigingswet te laten terugwerken tot 1 januari 2008. Ter vervanging van dit amendement is door het kamerlid Van Gent c.s. op 17 april 2008 een amendement ingediend (Kamerstuk 2007-2008, 31366, nr. 15, Tweede Kamer) waarin is voorgesteld om de wijzigingswet in werking te laten treden met ingang van de dag na plaatsing in het Staatsblad. Door de regering is op 22 april 2008 een gewijzigd voorstel van wet ingediend (Kamerstuk 2007-2008, 31366, nr. A, Eerste Kamer) waarin uitvoering is gegeven aan dit amendement.

Uit de hiervoor geschetste wetsgeschiedenis en de bij de genoemde stukken gegeven toelichting blijkt dat de vraag vanaf welke datum een zelfstandige aanspraak kan maken op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering onderwerp van discussie is geweest, en dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om die aanspraak alleen te laten gelden voor de zelfstandige die bevalt op of na de datum van inwerkingtreding van de wijzigingswet.

In aanmerking genomen de duidelijke tekst van artikel IV van de wijzigingswet en de wetsgeschiedenis, kan de rechtbank eiseres niet volgen in haar stelling dat de vermoedelijke datum van bevalling, in haar geval 22 juni 2008, bepalend zou zijn voor de vraag of aanspraak bestaat op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering.

Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever welbewust ervoor heeft gekozen dat de zelfstandige die bevalt vóór de datum van inwerkingtreding van de wijzigingswet geen recht op uitkering heeft, en dat de wet in werking treedt op de dag na plaatsing in het Staatsblad. Het is niet aan de rechter om in deze afweging te treden. Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen verbiedt de rechter om de innerlijke waarde of de billijkheid van een wet te beoordelen. Aan het standpunt van eiseres dat de weigering van de uitkering in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dient dan ook voorbij te worden gegaan.

De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stelling dat zij aan het feit dat in het aanvraagformulier gevraagd wordt naar de vermoedelijke datum van bevalling, en aan de door haar overgelegde tekst van de website van het UWV, het rechtens te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat haar de gevraagde uitkering zou worden toegekend.

De rechtbank is van oordeel dat een aanvraagformulier voor een uitkering en een informatieve website in beginsel niet het door eiseres gestelde vertrouwen kunnen wekken. Voor een ieder moet duidelijk zijn dat een aanvraagformulier juist bedoeld is om te beoordelen of iemand recht heeft op een uitkering. Ook moet voor een ieder duidelijk zijn dat een informatieve website niet bedoeld is om een betrokkene zekerheid te geven over zijn aanspraak op een uitkering.

De rechtbank merkt nog op dat het logisch is dat in het aanvraagformulier wordt gevraagd naar de vermoedelijke datum van bevalling, en dat deze datum als van belang zijnde datum is vermeld op de website van het UWV omdat, los van de overgangsrechtelijke vraag die in de onderhavige zaak speelt, die datum normaal gesproken bepalend is voor de mogelijke ingangsdatum van de uitkering.

Tot slot overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat eiseres, afgaand op het aanvraagformulier of de website, vóór de datum van het primaire besluit handelingen heeft verricht of nagelaten die zij niet zou hebben verricht of nagelaten indien zij niet op het aanvraagformulier of de website was afgegaan, en waardoor zij in een nadeliger positie is komen te verkeren nu de uitkering geweigerd is.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van G.W. Jansink , griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 4 augustus 2009