Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ6338

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
05/800484-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer van de rechtbank Arnhem veroordeelt een marechaussee der 2e klasse tot overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft terwijl hij op de snelweg reed een plotselinge stuurbewing naar links gemaakt. Hierdoor heeft verdachte de controle over het voertuig verloren en is een van zijn medepassagiers gewond geraakt. Naar het oordeel van de militaire kamer heeft verdachte zijn rijgedrag te veel laten beinvloeden door de irritatie en frustratie die een zich op die weg bevindende bumperklever bij hem heeft opgeroepen. Veroordeling tot een geldboete van € 750 en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800484-09

Datum zitting : 17 augustus 2009

Datum uitspraak : 31 augustus 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

rang/rnr. : Marechaussee 2e klasse, [nummer],

ingedeeld bij : [standplaats]

raadsman : mr. J.D Witteveen, advocaat te Zwolle.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2009, te Epe,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende op de, gezien verdachtes rijrichting, rechter

rijstrook van de ter plaatse uit twee rijstroken bestaande rijbaan (in de

richting Zwolle) van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Rijksweg

A50,

met een niet onaanzienlijke snelheid,

teneinde één of meer voor hem uit over die weg rijdend(e) ander(e)

motorvoertuig(en) in te halen,

zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam

abrupt, althans sterk naar links heeft gestuurd en daarbij, althans daarna in

een slip is geraakt en (vervolgens) in de rechts van die Rijkweg A50 gelegen

berm is terechtgekomen, althans doorgegleden waarbij dat motorrijtuig

(personenauto) tegen de zijkant van een aldaar gelegen sloot is gebotst waarna

dat motorrijtuig (personenauto) (uiteindelijk) in/nabij een (tweede) sloot is

terechtgekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer1] en/of

[slachtoffer2]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 18 februari 2009 te Epe als bestuurder van een voertuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, Rijksweg A50, in een slip is

geraakt en (vervolgens) in de rechts van die Rijksweg A50 gelegen berm is

terechtgekomen, althans doorgegleden waarbij dat motorrijtuig (personenauto)

tegen de zijkant van een aldaar gelegen sloot is gebotst waarna dat

motorrijtuig (personenauto) (uiteindelijk) in/nabij een (tweede) sloot is

terechtgekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 17 augustus 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.D. Witteveen, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ten bedrage van € 750 euro, subsidiair te vervangen door 15 dagen militaire detentie en voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte reed op 18 februari 2009 te Epe als bestuurder van een auto over de Rijksweg A50 in de richting van Zwolle. De weg bestond ter plaatse uit twee rijstroken. Op enig moment bevond verdachte zich op de rechter rijstrook en wilde hij een, voor hem uit rijdend, voertuig inhalen. Daarbij heeft verdachte naar links gestuurd. Vervolgens is verdachte in een slip geraakt en ten gevolge hiervan in de rechterberm terecht gekomen. De zijkant van zijn auto is vervolgens tegen de zijkant van de aldaar gelegen sloot gebotst waarna de auto uiteindelijk nabij een tweede sloot terecht is gekomen. Hierdoor heeft één van de medepassagiers van verdachte, [slachtoffer1], zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair aan verdachte tenlastegelegde niet kan worden bewezen en verdachte daarvan derhalve dient te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde geen standpunt ingenomen. De militaire kamer interpreteert het gevoerde pleidooi van de raadsman aldus dat verdachte naar het standpunt van de verdediging dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Beoordeling van de standpunten

De militaire kamer komt, in tegenstelling tot de raadsman en de officier van justitie, op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen in het dossier wel tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

De militaire kamer overweegt hiertoe als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het bij de vaststelling van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

In het onderhavige geval bevond verdachte zich op 18 februari 2009 rond middernacht als bestuurder van een personenauto op de snelweg, alwaar hij naar eigen zeggen geconfronteerd werd met een zogenaamde bumperklever. Ook de inzittenden van de auto, [slachtoffer1] en [slachtoffer2] verklaren over deze bumperklever. Door het gedrag van deze onbekend gebleven bumperklever raakte verdachte geïrriteerd en gefrustreerd, zo is door verdachte zelf , maar ook door de twee andere inzittenden van de auto verklaard. Door deze irritatie en frustratie werd het rijgedrag van verdachte op dat moment beïnvloed. Toen de bumperklever hem uiteindelijk via de linkerbaan inhaalde heeft verdachte direct daarna naar links gestuurd teneinde een voor hem rijdende auto in te halen. De wijze waarop verdachte naar links heeft gestuurd wordt door de getuigen – en tevens inzittenden van de auto van verdachte – omschreven als het opeens omgooien van het stuur naar links , waardoor één van de inzittenden door de kracht van de beweging helemaal naar rechts werd geduwd. Getuige [slachtoffer1] geeft tevens aan dat verdachte het stuur al omgooide toen de bumperklever nog maar bijna was gepasseerd en stelt dat verdachte er nog maar net achter kon komen. Getuige [naam], die zich in zijn auto op enkele honderden meters achter verdachte bevond, heeft ten overstaan van de politie verklaard dat verdachte met zijn voertuig naar links schoot.

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte zich in het onderhavige geval, gezien zijn rijstijl op het moment van het voorval, volledig heeft laten leiden door gevoelens van irritatie en frustratie als reactie op het normoverschrijdende gedrag van een ander. Verdachte heeft ter terechtzitting immers verklaard dat er voldoende afstand bestond tussen zijn auto en de voor hem rijdende auto, zodat hierin geen verklaring kan worden gevonden voor de abrupte manoeuvre van verdachte om het stuur om te gooien, terwijl de andere auto hem maar amper was gepasseerd. Ook van een andere aanleiding is de militaire kamer niet gebleken. Door onder invloed van irritatie en frustratie een dergelijk forse en abrupte stuurbeweging naar links te maken op een snelweg zonder enige noodzaak daartoe, heeft verdachte zich naar het oordeel van de militaire kamer aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 18 februari 2009, te Epe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende op de, gezien verdachtes rijrichting, rechter

rijstrook van de ter plaatse uit twee rijstroken bestaande rijbaan (in de richting Zwolle) van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Rijksweg A50, teneinde één of meer voor hem uit over die weg rijdende andere motorvoertuigen in te halen, aanmerkelijk onvoorzichtig en abrupt, naar links heeft gestuurd en daarbij, in een slip is geraakt en vervolgens in de rechts van die Rijkweg A50 gelegen berm is terechtgekomen, waarbij dat motorrijtuig (personenauto) tegen de zijkant van een aldaar gelegen sloot is gebotst waarna dat motorrijtuig (personenauto) uiteindelijk nabij een tweede sloot is terechtgekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer1] zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

‘Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ten bedrage van € 750 euro, subsidiair te vervangen door 15 dagen militaire detentie en voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier heeft daarbij opgemerkt dat hij bij het bepalen van de hoogte van zijn eis ten nadele van verdachte rekening heeft gehouden met het feit dat hij militair in dienst van de Koninklijke Marechaussee is en er derhalve van hem, gezien zijn functie, zorgvuldig verkeersgedrag mag worden verwacht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte verzocht om in het kader van een ontzegging van de rijbevoegdheid deze straf geheel voorwaardelijk op te leggen nu verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn woon- en werkverkeer.

Beoordeling van de standpunten

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de blanco justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 16 juli 2009.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt. Daarbij zijn twee slachtoffers gevallen. Eén van die slachtoffers is thans nog niet hersteld en zal pas in de toekomst haar werkzaamheden (deels) kunnen hervatten.

De militaire kamer neemt, in het kader van de straftoemeting, de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS) tot uitgangspunt. In het geval van een aanmerkelijke verkeersfout waarbij iemand zodanig lichamelijk letsel oploopt dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering ontstaat, wordt het opleggen van een geldboete ten bedrage van € 1.000,- alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden aanbevolen. Bijzondere omstandigheden, het feit of de verdachte betreffend, dienen uiteraard door de militaire kamer nog te worden gewogen.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf houdt de militaire kamer ten voordele van verdachte rekening met het feit dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Anderzijds houdt de militaire kamer ten nadele van verdachte ermee rekening dat hij een beginnend bestuurder is zodat van hem extra oplettend rijgedrag had mogen worden verwacht. De militaire kamer deelt het standpunt van de officier van justitie, dat van verdachte als militair beheerst en zorgvuldig weggedrag mag worden verwacht, maar zal dit niet tot uitdrukking brengen in de strafmaat.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat een ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk dient te worden opgelegd omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn woon- en werkverkeer. De militaire kamer is van oordeel dat deze stelling in onvoldoende mate is onderbouwd en overweegt voorts dat het belang van de algemene verkeersveiligheid er mee is gediend dat verdachte gedurende enkele maanden niet als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer kan deelnemen. Het belang van de verkeersveiligheid dient te prevaleren boven het persoonlijke belang van verdachte bij het hebben van zijn rijbewijs. Nu het in de onderhavige zaak een beginnend bestuurder betreft zal de militaire kamer, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen. Met de oplegging daarvan beoogt de militaire kamer te voorkomen dat verdachte in de toekomst nieuwe strafbare feiten zal plegen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

En voorts

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat van deze ontzegging 3 (drie) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. J.P.M. Schwillens, rechter als voorzitter,

mr. M.F. Gielissen, rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 augustus 2009.