Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ6238

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
171067
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Gemeente vorderrt schadevergoeding en stelt dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, primair door het perceelsgedeelte na 1 mei 1998 zonder recht of titel onder zich te houden, subsidiair door te handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door enkel en alleen met het doel de bouwplannen te “torpederen” een beroep op verjaring te doen. Subsidiair heeft de Gemeente gesteld dat gedaagde, door te weigeren het perceel te ontruimen, misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Vordering wordt deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2009, 111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 171067 / HA ZA 08-973

Vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NIJMEGEN,

zetelend te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.J.M. van Wersch te Nijmegen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. I. van Bekkum te Nijmegen.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 november 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 3 februari 2009

- de akte overlegging producties van de Gemeente, tevens houdende vermindering van eis

- de antwoordakte van [gedaagde].

Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. Bij besluit van 19 januari 1998 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen een bouwvergunning verleend aan Woningvereniging Kolping voor de bouw van twee woongebouwen waarin 33 appartementen zouden worden gerealiseerd en een dienstencentrum op het perceel kadastraal bekend gemeente [kad.gegevens]. Het betrof een woonintegratieproject voor verstandelijk gehandicapten. Het bouwplan daarvoor paste binnen de bestemming “bijzondere doeleinden-A” krachtens het ter plaatse geldende bestemmingsplan “[naam bestemmingsplan]”. De Gemeente was op dat moment eigenaar van de grond. Zij was, zo blijkt uit correspondentie tussen de Gemeente en Kolping in de periode van december 1996 - december 1997, bereid het perceel ter realisatie van dit project aan Kolping te verkopen tegen een prijs van f 120,-- per m².

1.2. Omwonenden, waaronder [gedaagde], hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 20 mei 1998 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen deze bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit gewijzigd gehandhaafd. Het daartegen door de omwonenden ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Arnhem, sector bestuursrecht, van 18 juni 1999 ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak hebben omwonenden bij brief van 19 juli 1999 hoger beroep ingesteld bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bij brief van 22 september 1999 hebben zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening ex artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht te treffen. Dat verzoek is door de Voorzitter op 10 januari 2000 afgewezen. Op 5 juni 2000 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de aangevallen beslissing van de rechtbank Arnhem van 18 juni 1999 bevestigd.

1.4. Ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning heeft [gedaagde] in een vergadering van de Commissie Stedelijke Instandhouding en Volkshuisvesting d.d. 13 januari 1998 laten weten dat hij op grond van zijn (vermeende) eigendomsrecht op een gedeelte van het perceel met kadastraal nummer [nummer] (waarop de te verlenen bouwvergunning betrekking had) niet zou toestaan dat daar bouwactiviteiten zouden plaatsvinden. [gedaagde] stelde zich op het standpunt dat hij van dat gedeelte van het perceel ter grootte van ongeveer 135 m² (hierna ook het perceelsgedeelte), dat grensde aan de tuin van zijn woning aan de [adres], door verjaring eigenaar was geworden. Kort daarvoor, op 9 januari 1998, had [gedaagde] daarvan een notariële verklaring laten opstellen. Deze verklaring heeft hij op 12 januari 1998 laten inschrijven in het kadaster.

1.5. Daarop heeft de Gemeente bij brief van 18 maart 1998 aan [gedaagde] geschreven, voor zover van belang:

“1. De gemeente is eigenares van het perceel kadastraal bekend [kad.gegevens] [nummer].

2. In de jaren zestig heeft de gemeente een gedeelte van dit perceel op grond van een mondelinge overeenkomst voor onbepaalde tijd om niet in gebruik gegeven aan de heer [naam toenmalige eigenaar], de toenmalige eigenaar van het perceel en het daarop staande woonhuis aan de [adres] in Nijmegen, dat grenst aan het perceel L [nummer].

3. [naam toenmalige eigenaar] heeft het perceel en het daarop staande huis aan de [adres] aan u verkocht en (op 31 mei 1974) geleverd. Ook bent u de heer [naam toenmalige eigenaar] als gebruiker van het gedeelte van het perceel L [nummer] opgevolgd.

(...)

9. In de commissievergadering SIV van 13 januari 1998 heeft u zich voor het eerst op het standpunt gesteld dat u eigenaar zou zijn van het desbetreffende perceelsgedeelte en dat u niet zou toestaan dat er bouwactiviteiten op “uw” grond zouden plaatsvinden.

10. Dit ten onrechte. Zoals hiervoor al is opgemerkt, bent u nooit bezitter maar steeds houder geweest van het bewuste perceelsgedeelte. U bent daarom nimmer eigenaar geworden door verjaring (....)

11. Hierbij zeg ik namens de gemeente de overeenkomst op grond waarvan het betreffende gedeelte van het perceel L [nummer] destijds in gebruik is gegeven, op per 1 mei 1998 (...)

(...)

Ik verzoek u en voorzover nodig sommeer ik u om mij binnen een week na datum van deze brief schriftelijk te bevestigen dat u het gedeelte van het perceel L [nummer] dat u in gebruik hebt per 1 mei 1998 geheel ontruimd aan de gemeente ter beschikking zult stellen. Bij gebreke daarvan zal ik namens de gemeente gerechtelijke stappen ondernemen. Ook houd ik u voor dit geval aansprakelijk voor de schade die de gemeente lijdt in verband met niet (tijdige) levering aan Kolping”.

1.6. [gedaagde] heeft aan deze sommatie van de Gemeente niet voldaan, waarop de Gemeente [gedaagde] bij exploot van 14 juni 1999 voor deze rechtbank heeft gedagvaard. De Gemeente heeft gevorderd, kort weergegeven, te verklaren voor recht dat zij eigenaar is van het gehele perceel nummer [nummer], met veroordeling van [gedaagde] tot het afgeven van een verklaring van waardeloosheid van de inschrijving van 12 januari 1998 en met veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het perceel. Bij vonnis van 25 november 1999 heeft de rechtbank de vorderingen van de Gemeente afgewezen. De Gemeente heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 27 augustus 2002 heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de Gemeente alsnog toegewezen op grond dat, kort weergegeven, [gedaagde] nimmer bezit van het perceel heeft gekregen, omdat zijn gebruik berustte op een (eerder door de Gemeente met [naam toenmalige eigenaar] gesloten) bruikleenovereenkomst. Het daartegen door [gedaagde] ingestelde beroep in cassatie is bij arrest van de Hoge Raad van 4 juni 2004 verworpen.

1.7. Vooruitlopend op de uitkomsten van deze procedures heeft de Gemeente voorbereidingen getroffen voor een onteigeningsprocedure tegen [gedaagde]. Die onteigeningsprocedure behoefde uiteindelijk niet te worden gevoerd omdat [gedaagde] het perceel na het arrest van het gerechtshof van 27 augustus 2002 heeft ontruimd en ter beschikking van de Gemeente heeft gesteld.

1.8. De stichting Talis, de rechtsopvolger van Kolping, was eerder in februari 2000 gestart met de bouw van het dienstencentrum op het gedeelte van het perceel waarvan [gedaagde] de eigendom niet claimde. Het dienstencentrum is opgeleverd in december 2000. In mei 2003 is gestart met de bouw van de twee appartementsgebouwen. Deze zijn eind maart 2004 opgeleverd. Daarvoor, op 26 maart 2003, had de Gemeente het onder 1.1. bedoelde perceel verkocht aan Talis. De levering daarvan heeft plaatsgevonden bij akte van 13 mei 2003.

Het geschil

2. De Gemeente heeft gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, primair door het perceelsgedeelte na 1 mei 1998 zonder recht of titel onder zich te houden, subsidiair door te handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door enkel en alleen met het doel de bouwplannen te “torpederen” een beroep op verjaring te doen. Subsidiair heeft de Gemeente gesteld dat [gedaagde], door te weigeren het perceel te ontruimen, misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Volgens de Gemeente heeft zij als gevolg hiervan schade geleden waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Zij heeft op grond daarvan en na vermindering van haar eis, gevorderd [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een schadevergoeding van in totaal € 173.247,38. Deze schade heeft de Gemeente als volgt gespecificeerd:

a. (€ 79.946,71 - € 16.317,69 =) € 63.629,02 aan wettelijke rente over de door de Gemeente later ontvangen koopsom van Talis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2004,

b. € 26.012,-- wegens interne kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2004,

c. € 7.544,36 wegens advocaatkosten in verband met het beginnen van de onteigeningsprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2004,

d. € 72.062,-- aan gederfde OZB-inkomsten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2003,

e. € 4.000,-- wegens buitengerechtelijke kosten.

3. [gedaagde] heeft het gevorderde gemotiveerd weersproken op gronden die hierna aan de orde zullen komen.

De beoordeling van het geschil

4. Vast staat dat de Gemeente tot 13 mei 2003, het moment van verkoop aan Talis, eigenaar was van het gehele perceel [nummer]. Ook moet als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde] een gedeelte van die grond, op basis van een bruikleenovereenkomst die eerder was gesloten tussen de Gemeente en [naam toenmalige eigenaar], gebruikte en dat hij heeft geweigerd dat perceelsgedeelte te ontruimen toen de Gemeente de bruikleenovereenkomst bij brief van 18 maart 1998 opzegde en [gedaagde] sommeerde tot ontruiming daarvan per 1 mei 1998. De conclusie daaruit is dat [gedaagde] de door hem gebruikte grond vanaf 1 mei 1998 tot aan het moment van ontruiming (omstreeks september 2002) zonder recht of titel in gebruik heeft gehad en dat hij daarmee onrechtmatig jegens de Gemeente heeft gehandeld. De omstandigheid dat [gedaagde] niet op de hoogte was van de eerder door de Gemeente met [naam toenmalige eigenaar] gesloten bruikleenovereenkomst en dat de Gemeente hem daarvan niet tijdig op de hoogte heeft gebracht kan daaraan niet afdoen. Het gaat er immers slechts om of die bruikleenovereenkomst bestond. In de brief van 18 maart 1998 heeft de Gemeente [gedaagde] overigens met zoveel woorden gewezen op het bestaan van een overeenkomst met [naam toenmalige eigenaar], waarbij deze de grond om niet in gebruik was gegeven.

Dat de Gemeente ondanks het door [gedaagde] ingenomen stadpunt haar eigendomrecht had kunnen uitoefenen, en dus de grond eigenmachtig in gebruik had kunnen nemen, kan [gedaagde] in gemoede niet volhouden. [gedaagde] had het perceelsgedeelte immers al jaren in gebruik en hij stelde daarvan de eigendom te hebben verkregen. Daarop stond voor de Gemeente geen andere weg open dan in een procedure tegen [gedaagde] te stellen en zonodig te bewijzen dat zij daarvan eigenaar was (gebleven). De onrechtmatige daad kan, gegeven het voorgaande, ook aan [gedaagde] worden toegerekend. [gedaagde] heeft nog opgeworpen dat niet is voldaan aan het uit artikel 6:163 BW voortvloeiende vereiste van relativiteit, maar zonder enige toelichting valt niet in te zien dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade - gederfde rente en inkomsten - zoals de Gemeente die stelt te hebben geleden. De conclusie is dat er sprake is van een aan [gedaagde] toerekenbare onrechtmatige daad jegens de Gemeente, zodat [gedaagde] in beginsel aansprakelijk is voor de schade die daaruit voor de Gemeente voortvloeit. De verschillende schadeposten die door haar zijn opgevoerd, zullen achtereenvolgens worden behandeld.

De wettelijke rente over de door de Gemeente later ontvangen koopsom van Talis (€ 63.629,02)

5. [gedaagde] heeft allereerst opgeworpen dat deze schade niet het gevolg is van zijn handelen, maar van het feit dat omwonenden een bestuursrechtelijke procedure tegen de verleende bouwvergunning waren gestart.

6. Vast staat dat de op 19 januari 1998 verleende bouwvergunning onherroepelijk is geworden door de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2000. Weliswaar heeft het beroep van omwonenden tegen het verlenen van de bouwvergunning bij de rechtbank en bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen schorsende werking, maar als onvoldoende weersproken moet worden aangenomen dat de Gemeente de uitspraak van de Voorzitter (op het verzoek van omwonenden tot schorsing) heeft willen afwachten. De Gemeente heeft daarover ook zelf gesteld dat Talis in februari 2000 is gestart met de bouw van het dienstencentrum, direct nadat de Voorzitter op 10 januari 2000 het verzoek van omwonenden tot schorsing had afgewezen. Aangenomen moet dus worden dat, indien [gedaagde] zich niet op het standpunt had gesteld dat hij eigenaar was van een gedeelte van het perceel, de Gemeente kort nadien tot verkoop van het gehele perceel aan Talis zou zijn overgegaan. [gedaagde] heeft ook nog opgeworpen dat de Gemeente de grond eerder aan Talis had kunnen verkopen, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat Talis het perceel had willen kopen zolang onduidelijk was of [gedaagde] eigenaar was van een gedeelte daarvan. Aangenomen moet worden dat aan die onzekerheid met het arrest van het Hof van 12 augustus 2002, ook in de visie van de Gemeente en Talis, een einde was gekomen. Zij hebben immers het arrest van de Hoge Raad niet afgewacht, maar zij zijn voordien al, op 13 mei 2003, tot levering van de het perceel overgegaan. Waarom de Gemeente en Talis na het arrest van het Hof nog negen maanden hebben gewacht met de levering van de het perceel aan Talis heeft de Gemeente niet duidelijk kunnen maken. Daarom, en rekening houdend met de omstandigheid dat de Gemeente en Talis wel enige tijd nodig zullen hebben gehad voor beraad en overleg, zal er van worden uitgegaan dat de Gemeente het perceel redelijkerwijs per 1 oktober 2002 aan Talis had kunnen verkopen. Uit het voorgaande volgt dat de schade die de Gemeente heeft geleden wegens gederfde rente gedurende de periode van 1 maart 2000 tot 1 oktober 2002 aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Dat komt, gerelateerd aan de onweersproken berekening van de Gemeente, uit op:

- 1 maart 2000 / 1 januari 2001: 6% over € 200.988,-- = € 10.082,35

- 1 januari 2001 / 1 januari 2002: 8% over € 211.070,35 = € 16.885,63

- 1 januari 2002 / 1 oktober 2002: 7% over € 227.955,98 = € 11.934,90

Totaal € 38.902,88.

Verminderd met de reeds door de Gemeente van de koper ontvangen rentevergoeding wegens eerdere ingebruikneming van de grond in februari 2000 ad € 16.317,69 komt de schade van de Gemeente uit op € 22.585,19.

7. Dat, zoals [gedaagde] nog heeft opgeworpen, de Gemeente de “overige grond”, dat wil zeggen het perceel uitgezonderd het gedeelte waarvan [gedaagde] de eigendom claimde, ook al in 1998 aan Talis heeft kunnen verkopen omdat daarop zonder enige belemmering kon worden gebouwd, gaat niet op. Aangenomen moet worden, zoals [gedaagde] ook zelf steeds heeft betoogd, dat het perceelsgedeelte waarvan hij de eigendom claimde cruciaal was voor de bouw, omdat een van de appartementsgebouwen deels op die grond zou komen te staan en verplaatsing daarvan niet mogelijk was gezien de geringe oppervlakte van het totale terrein. De vordering van de Gemeente op dit onderdeel is toewijsbaar tot het bedrag van € 22.585,19, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de onweersproken datum van ingang, 1 januari 2004.

De interne kosten (€ 26.012,--)

8. Volgens de Gemeente heeft zij interne kosten (kosten van ambtenaren) moeten maken om de beschikking te kunnen krijgen over het perceelsgedeelte.

9. De vordering van de Gemeente op dit onderdeel moet worden afgewezen, reeds omdat de Gemeente de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten heeft gegeven deze schade te begroten. De door de Gemeente bij de dagvaarding overgelegde stukken (productie 20) zijn zonder toelichting, die niet is gegeven, onbegrijpelijk. Nadien heeft de Gemeente de gelegenheid gekregen haar schade op dit onderdeel nader te documenteren en te specificeren. De Gemeente heeft evenwel volstaan met het overleggen van een overzicht “activiteiten in zaak [XXX]” (productie 26) waarop per jaar is aangegeven het totaal aantal uren dat door haar ambtenaren aan de zaak zou zijn besteed, zonder dat daarbij duidelijk wordt wie van de ambtenaren zich op welk moment met welke werkzaamheden heeft beziggehouden en zonder dat het opgegeven aantal uren is gestaafd met een deugdelijke urenregistratie.

De advocaatkosten wegens het starten van de onteigeningsprocedure (€ 7.544,36)

10. De Gemeente heeft verder gesteld dat zij ook externe kosten (kosten van de advocaat) heeft moeten maken om de beschikking te krijgen over het perceelsgedeelte. Het gaat daarbij om de kosten die haar advocaat heeft gemaakt in de onteigeningsprocedure tot het gevorderde bedrag. Zij heeft ter staving daarvan (als producties 25.a t/m 25.o) overgelegd declaraties van de advocaat en de daarbij behorende specificaties over de periode van 1 september 1999 tot 1 september 2002.

11. Anders dan [gedaagde] meent, wordt geoordeeld dat het een redelijke maatregel van de Gemeente was om, vooruitlopend op de uitslag van de civiele procedure tegen [gedaagde], een onteigeningsprocedure tegen hem te beginnen. Als immers in rechte zou komen vast te staan dat [gedaagde] door verjaring eigenaar was geworden van het perceelsgedeelte restte de Gemeente niets anders dan de eigendom te verkrijgen door middel van onteigening om aldus het woonintegratieplan alsnog te kunnen uitvoeren. Voor de door de Gemeente in verband daarmee gemaakte kosten is [gedaagde] dan ook aansprakelijk.

12. [gedaagde] heeft de omvang van de door de advocaat gedeclareerde kosten betwist. Hij heeft onder meer aangevoerd dat uit een memorandum van de Commissie Ruimtelijke Ordening, Volkshuisvesting en Cultuur van 18 mei 2001 blijkt dat als gevolg van een procedurele fout de lopende procedure is afgebroken en een nieuwe onteigeningsprocedure is gestart.

13. Weliswaar heeft de Gemeente op het door [gedaagde] als productie overgelegde memorandum niet meer kunnen reageren, maar de juistheid daarvan wordt bevestigd door een eerder door de Gemeente zelf in het geding gebrachte en hiervoor genoemde productie 26. Daarin is bij het jaar 2001 vermeld:

“advies adviseur Kroon in onteigeningszaak procedure niet voort te zetten;

2-2001 op voorstel B. en WE. Herstart onteigeningsprocedure”.

14. Geoordeeld wordt dat het niet redelijk is dat [gedaagde] de kosten van deze fout van de Gemeente en/of haar advocaat moet dragen. De gedeclareerde kosten van de advocaat tot en met mei 2001 zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten. Voor de periode daarna heeft de Gemeente, door overlegging van voormelde declaraties en onderliggende specificaties voldoende aannemelijk gemaakt dat haar advocaatkosten over de periode van juni 2001 tot september 2002 hebben bedragen:

- juli 2001 € 251,85

- augustus t/m oktober 2001 € 352,60

- november 2001 € 130,96

- januari 2002 € 181,01

- mei 2002 € 1.189,50

- augustus 2002 € 77,58

Totaal € 2.183,50.

Dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de onweersproken datum van ingang,1 januari 2004.

Gederfde OZB-inkomsten (€ 72.062,--)

15. Ook hier heeft [gedaagde] opgeworpen dat deze schade niet het gevolg is van zijn handelen, maar van het feit dat omwonenden een bestuursrechtelijke procedure tegen de verleende bouwvergunning waren begonnen, en dat de Gemeente de grond eerder aan Talis had kunnen verkopen. Voor het oordeel daarover wordt verwezen naar hetgeen hierover onder 5 t/m 7 is overwogen. Daaruit volgt dat aangenomen moet worden dat de vertraging in de bouw van de 33 appartementen voor een periode van 31 maanden (van 1 maart 2000 tot 1 oktober 2002) te wijten is geweest aan de onterechte eigendomsclaim van [gedaagde] en dat die appartementen, de claim weggedacht, 31 maanden eerder dan eind maart 2004 (de onweersproken datum waarop de appartementen zijn opgeleverd), dus per 1 oktober 2001, zouden zijn gerealiseerd. Dat betekent dat de schade wegens misgelopen OZB-inkomsten aan de hand van de door de Gemeente opgestelde specificatie nader kan worden berekend op:

- 1 september 2001 / 1 januari 2002 (33 x € 143,86) € 4.747,38

- 2002 (33 x € 456,05) € 15.049,65

- 2003 (33 x € 479,19) € 15.813,27

- 1 januari 2004 / 1 april 2004 (33 x € 122,80) € 4.052,40

Totaal € 39.662,70

16. [gedaagde] heeft nog wel opgeworpen dat hij de door de Gemeente gegeven berekening en de daarbij gehanteerde variabelen niet kan volgen. De Gemeente heeft, onder overlegging van schriftelijke bescheiden, per appartement het bouwjaar, de oppervlakte in m², de verkoopprijs en taxatiewaarde daarvan opgegeven en aan de hand daarvan en van de binnen de Gemeente geldende tarieven de OZB-inkomsten berekend.

Daartegenover had [gedaagde] tenminste moeten aangeven op welk onderdeel de berekening van de Gemeente niet klopte en welke van de door de Gemeente gehanteerde variabelen niet juist waren en waarom niet. [gedaagde] heeft ten slotte aangevoerd dat de Gemeente in de periode dat zij de OZB-inkomsten heeft gemist ook niet de lasten van de betreffende huishoudens heeft gehad, maar zonder verdere toelichting en zonder aan te geven om welke lasten het hierbij gaat, valt dit niet te begrijpen, zodat ook aan dit verweer wordt voorbijgegaan. De vordering van de Gemeente is dan ook toewijsbaar tot voormeld bedrag. De gevorderde wettelijke rente over de gederfde OZB-inkomsten over de jaren 2001 - 2003 (€ 35.610,30) zal worden toegewezen vanaf 1 januari 2003, zoals gevorderd. De wettelijke rente over de gederfde OZB-inkomsten over 2004 (€ 4.052,40) is toewijsbaar vanaf 1 januari 2004.

Incassokosten (€ 4.000,--)

17. Dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt voor de inning van de hiervoor bedoelde vordering heeft [gedaagde] betwist. Het had op de weg van de Gemeente gelegen te stellen welke werkzaamheden daartoe zijn verricht en welke kosten daarmee gemoeid zijn geweest waarvoor een proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten. Dat heeft zij niet gedaan, bij gebreke waarvan dit gedeelte van de vordering moet worden afgewezen.

18. De slotsom is dat de vordering van de Gemeente tot een totaalbedrag van ( € 22.585,19 + € 2.183,50 + € 39.662,70 =) € 64.431,39 toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Aangezien de partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van de procedure tussen hen worden gecompenseerd.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 64.431,39 (zegge: vierenzestigduizend vierhonderdeenendertig euro en negenendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 35.610,30 vanaf 1 januari 2003 en over € 28.821,09 vanaf 1 januari 2004, telkens tot aan de dag der algehele voldoening,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten tussen de partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2009.

Coll.: ED