Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4934

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
AWB 09/1068
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opleggen van een boete na een arbeidsongeval.

Eiseres verrichtte werkzaamheden op een locatie, bestaande uit het keuren van een walkraan aan het water. Tijdens deze werkzaamheden heeft een ongeval plaatsgevonden. Vaststaat dat ter plaatse van de uitgevoerde werkzaamheden sprake was van valgevaar als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit. Verweerder was in beginsel dan ook bevoegd eiseres en boete op te leggen. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar van het niet naleven van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar werknemers terzake voldoende instructies heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/1068

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 6 augustus 2009

inzake

[bedrijf] B.V., eiseres,

gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. J.F.G. Schouten,

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 januari 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2008 heeft verweerder aan eiseres wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Arbowet) een boete ten bedrage van € 9.000,- opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard, de boete gematigd tot een bedrag van € 6.000,- en voor het overige het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 juni 2009. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door C.K. Pasmooij, algemeen directeur, J.G.M. Nijkamp, hoofd technische dienst, en bijgestaan door mr. J.F.G. Schouten. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D. van Amersfoort.

3. Overwegingen

Verweerder heeft betoogd, dat de rechtbank de door eiseres eerst in beroep in het geding gebrachte producties niet bij de beoordeling mag betrekken, aangezien verweerder in bezwaar geen rekening heeft kunnen houden met deze producties. Dit betoog slaagt niet. De producties betreffen nieuwe bewijsmiddelen ter onderbouwing van een in bezwaar reeds aangevoerd argument. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat in beroep een door eiseres kenbaar gemaakt standpunt met nadere bewijsstukken wordt onderbouwd, zij het dat de beginselen van een behoorlijke procesorde in het concrete geval aan dat uitgangspunt beperkingen kunnen stellen. De rechtbank acht het echter in het onderhavige geval niet in strijd met de goede procesorde dat eiseres nieuwe bewijsmiddelen naar voren heeft gebracht.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, dat op 11 oktober 2007 een medewerker van eiseres werkzaamheden heeft verricht, bestaande uit het keuren van een walkraan aan het water, dat er geen maatregelen waren getroffen om valgevaar tegen te gaan en dat deze medewerker tijdens het verrichten van deze werkzaamheden van het bordes rondom de walkraan vier meter naar beneden is gevallen. Verweerder heeft eiseres een boete opgelegd, aangezien sprake is van overtreding van de in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) neergelegde verplichtingen.

Omdat eiseres aannemelijk heeft gemaakt, dat zij de risico’s van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, heeft verweerder de opgelegde boete op grond van de Beleidsregels arbeidsomstandigheden-wetgeving met een derde gematigd.

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Arbowet – voor zover hier van belang – zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbowet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid van dit artikel - voor zover hier van belang - zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden als bedoeld in de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, van de Arbowet voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Ter zake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Ingevolge artikel 34, derde lid, van de Arbowet is de hoogte van de boete die ten hoogste voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd gelijk aan de geldsom van de categorie die voor het beboetbaar feit is bepaald.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel zijn er 2 categorieën:

1?. de eerste categorie: € 9.000.

2?. de tweede categorie: € 22.500.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel stelt onze Minister beleidsregels vast waarin is aangegeven hoe de hoogte van de op te leggen boete wordt bepaald.

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit is bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat, zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit – voor zover hier van belang – wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit.

In Beleidsregel 33, achtste onderdeel, aanhef en onder a, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: Beleidsregel 33) – voor zover hier van belang – worden bij een arbeidsongeval dat leidt tot een ziekenhuisopname, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet, vaste boetebedragen opgelegd, waarbij in geval van een ziekenhuisopname voor een bedrijf met een omvang van 40 tot 99 werknemers in boetecategorie II een bedrag van € 9.000,- geldt.

Ingevolge het achtste onderdeel, aanhef en onder c, in samenhang met onderdeel vier, aanhef en onder a, van Beleidsregel 33 – voor zover hier van belang – kunnen bij de berekening van de op te leggen boete de volgende factoren leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag.

- Indien de werkgever aantoont dat hij de risico's van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.

Ingevolge het negende onderdeel van deze beleidsregel wordt geen boete opgelegd indien de verwijtbaarheid ontbreekt.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Eiseres verrichtte op 11 oktober 2007 werkzaamheden op een locatie te Papendrecht, bestaande uit het keuren van een walkraan aan het water. Tijdens deze werkzaamheden heeft een ongeval plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit ongeval heeft M. Uiterwijk, inspecteur van de arbeidsinspectie, op ambtsbelofte een boeterapport opgemaakt. Uit dit rapport blijkt onder meer het volgende.

Slachtoffer van het ongeval was [slachtoffer], werknemer van eiseres en een ervaren keurmeester. Het slachtoffer had ter plekke geconstateerd dat er valgevaar aanwezig was en had bepaald dat er eerst beveiliging aangebracht moest worden alvorens er op de kraan gewerkt mocht worden. Hij zag voor zichzelf geen risico om de kraan ten behoeve van de keuring te betreden. Om die reden was hij op het bordes gegaan om ook een en ander aan de medewerkers van MTC en Pon Power B.V. duidelijk te maken. Hij had geen gebruik gemaakt van persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals een aanlijnbeveiliging. Hij stond op het bordes van de walkraan, terwijl zich aan de binnenzijde van dit bordes tussen de kraan en het bordes driehoekige gaten bevonden, deze gaten waren van dusdanige grootte dat er een persoon doorheen zou kunnen vallen. Aan de betreffende zijde van het bordes waren geen maatregelen getroffen om valgevaar te voorkomen. Hij is toen zelf door het gat aan de binnenzijde van het bordes vier meter naar beneden gevallen en heeft daarbij lichamelijk letsel opgelopen. Hij is vervolgens ter observatie in het ziekenhuis opgenomen. Vrijwel direct na het ongeval is een veilig bordes op de kraan aangebracht.

Vaststaat dat ter plaatse van de uitgevoerde werkzaamheden sprake was van valgevaar als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit. Het niet naleven van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit vormt een overtreding zoals bedoeld in artikel 16, tiende lid, juncto artikel 33, tweede lid, van de Arbowet, aangewezen als beboetbaar feit in artikel 9.9c, eerste lid, onder c, van het Arbobesluit. Verweerder was in beginsel dan ook bevoegd eiseres en boete op te leggen.

Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bevat de in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit neergelegde verplichting geen opzet of schuld als bestanddeel. Derhalve staat de overtreding vast, indien aan de materiële voorwaarden van dat artikel is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen verwijt valt te maken zal hij dit aannemelijk moeten maken.

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar van het niet naleven van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar werknemers terzake voldoende instructies heeft gegeven. Niet in geschil is dat de instructie ‘werkzaamheden staken bij uitzonderlijke omstandigheden (zoals bijvoorbeeld ijzel/ijsvorming)’ niet voor de onderhavige situatie is bedoeld. De instructie ‘op de juiste wijze gebruiken van PBM’s (= persoonlijke beschermingsmiddelen)’ is te algemeen. Daarmee wordt (ten onrechte) immers aan de werknemer overgelaten wanneer hij zijn persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt. De instructie ‘ingeval van twijfel over de te volgen procedure niet doorgaan’ is opgenomen in een verslag van een bespreking van na het ongeval en kan reeds om die reden niet leiden tot de conclusie dat voor het ongeval afdoende instructies aan de medewerkers zijn gegeven. Van een afdoende instructie van eiseres aan haar medewerkers, inhoudende hoe in een gevaarlijke situatie als de onderhavige te handelen, is de rechtbank niet gebleken. De bekwaamheid van de medewerkers van eiseres op het gebied van de arbeidsveiligheid en de vanzelfsprekendheid van bepaalde gedragsregels voor de werknemers van eiseres, laat onverlet dat ook eiseres haar eigen werknemers voldoende dient te instrueren.

Nu niet is voldaan aan de in Beleidsregel 33 opgenomen tweede matigingsgrond, het geven van voldoende instructies, kan de volgende matigingsgrond niet meer aan de orde komen. Het betoog van eiseres dat zij adequaat toezicht heeft gehouden op de werkzaamheden, wat daar verder ook van zij, behoeft dan ook geen bespreking. De rechtbank is van oordeel, dat de hoogte van de boete in overeenstemming is met de beleidsregels. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder desalniettemin had moeten afzien van het opleggen van een boete of tot verdere matiging van de boete had moeten overgaan is de rechtbank niet gebleken.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. Bos, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 6 augustus 2009