Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4789

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
AWB 09/416
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 40, eerste lid, eerste volzin, van de WWB vereist geen hoofdverblijf op een adres in de gemeente. Verweerder heeft ten onrechte vastgesteld dat eiser zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/416

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 7 juli 2009

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. L.G.U. Compri,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 19 december 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2008 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 juli 2008 tot en met 3 november 2008 ingetrokken en met ingang van 4 november 2008 beëindigd. Tevens heeft verweerder de over genoemde periode ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van € 1457,76 van eiser teruggevorderd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 juli 2009. Eiser en zijn gemachtigde mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

3. Overwegingen

Eiser ontving vanaf 21 februari 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In de periode van 21 februari 2008 tot 1 juli 2008 was eiser woonachtig bij zijn zus. In een op 31 juli 2008 door eiser ondertekend formulier heeft hij aan verweerder gemeld dat hij vanaf 1 juli 2008 een nieuw adres heeft, [adres] te [plaats], en dat hij op dat adres staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA).

Uit de stukken leidt de rechtbank af dat op 11 augustus 2008 een gesprek met eiser heeft plaatsgevonden en dat dit gesprek aanleiding is geweest voor een vervolgonderzoek. Verweerder vermoedde dat eiser samenwoonde met zijn ex-echtgenote.

Eiser is opgeroepen voor een gesprek op 3 september 2008, alwaar hij is verschenen. Aansluitend aan het gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het adres [adres], waar ook de hoofdbewoonster bij aanwezig was.

De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 9 september 2008.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser niet aan de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft voldaan omdat hij niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres [adres].

Uit het bestreden besluit begrijpt de rechtbank dat verweerder er vanuit gaat dat eiser heeft gesteld dat hij zijn hoofdverblijf op het adres [adres] had. Hoewel het door eiser ingevulde formulier aanleiding voor die veronderstelling zou kunnen geven, blijkt uit het rapport van het onderzoek dat eiser van de aanvang van het onderzoek af heeft meegedeeld dat hij maar een beperkt aantal nachten op het adres [adres] verbleef, dat hij daar niet at, geen sleutel van het huis had, en dat hij ook op andere door hem specifiek aangeduide adressen verbleef. Verweerder is er ten onrechte van uitgegaan dat de informatie die eiser aan verweerder heeft verstrekt inhield dat eiser zich op het standpunt stelde dat hij zijn hoofdverblijf op het adres [adres] had.

De mededelingen die eiser in het kader van het onderzoek voorafgaand aan het primaire besluit en in bezwaar aan verweerder heeft gedaan over zijn woon- en leefsituatie komen er op neer dat hij, in afwachting van een eigen woning, geen vaste woonplaats had, maar dat hij afwisselend verbleef op het adres [adres] in [plaats], bij zijn zus in [plaats], en bij zijn ex-echtgenote in [plaats]. Voorts heeft eiser gesteld dat hij in juli nog enkele dagen op een camping buiten [plaats] heeft verbleven, omdat hij op die manier de gelegenheid had om kinderen uit zijn eerste huwelijk te ontmoeten in de camper van een zwager, maar dat dit na het overlijden van de zwager niet meer is voorgekomen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser aldus voldoende verifieerbare informatie aan verweerder heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie. De adressen van de zus van eiser, van zijn ex-echtgenote en van de camping waren bij verweerder bekend. Gelet op het belastende karakter van het besluit had het op de weg van verweerder gelegen een nader onderzoek in te stellen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van schending van de inlichtingenplicht door eiser.

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in beroep heeft moeten maken, welke kosten zijn begroot op € 644 aan kosten van rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Met het oog op het nieuw te nemen besluit merkt de rechtbank het volgende op.

Indien verweerder naar aanleiding van het nader onderzoek niet tot de conclusie komt dat eiser alsnog niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan, dient verweerder te beoordelen of eiser vanaf 1 juli 2008 recht op bijstand had.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is daarvoor om te beginnen van belang of eiser in de hier van belang zijnde periode woonplaats had in de gemeente Nijmegen. Uit de stukken meent de rechtbank te kunnen opmaken dat verweerder van mening is dat daarvoor vereist is dat eiser in de van belang zijnde periode zijn hoofdverblijf had op een adres in de gemeente Nijmegen. Naar voorlopig oordeel van de rechtbank is dat echter niet een uit artikel 40, eerste lid, eerste volzin, van de WWB voortvloeiend vereiste. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft wordt aan de hand van de feitelijke omstandigheden beoordeeld op basis van de artikelen 10 en 11 van Boek 1 van het BW. Voor zover eiser in de van belang zijnde periode geen “woonstede” had in [plaats], is de vraag aan de orde of zijn werkelijk verblijf te [plaats] was. Naar voorlopig oordeel van de rechtbank kan van een werkelijk verblijf sprake zijn, ook al is geen sprake van een hoofdverblijf in die zin dat de betrokkene het merendeel van de nachten in een woning verblijft.

Bij het besluit op bezwaar zal verweerder tevens moeten beslissen op het verzoek van eiser om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

Het is de rechtbank niet duidelijk of eiser zich thans nog op het standpunt stelt dat hij op grond van artikel 40, eerste lid, tweede volzin, van de WWB jegens verweerder recht had op bijstand. Indien eiser dit standpunt inneemt (verweerder zal dit bij eiser moeten navragen), zal verweerder dit bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar moeten betrekken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit

draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier.

De griffier, De rechter,

In het openbaar uitgesproken op 7 juli 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 7 juli 2009