Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4765

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
AWB 07/4678
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL8726, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft het verzoek gedaan om hem op grond van artikel 7, tweede lid, van de Samenwerkingsverordening 1993 ontheffing te verlenen voor het gebruik van de kantoornaam “{eiser} Advocaten”. Verweerder heeft zulks geweigerd.

De rechtbank is van oordeel, dat verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar terecht als administratief beroep heeft aangemerkt en behandeld.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast, dat door eiser geen samenwerkingsverband in de zin van de verordening wordt onderhouden. Eiser is thans de enige aan het kantoor “{eiser} Advocaten” verbonden advocaat. Daarnaast is een niet-jurist op het gebied van bewindvoering werkzaam. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder, dat met het gebruik van de naam “{eiser} Advocaten” wel het bestaan van zo’n samenwerkingsverband wordt gesuggereerd. Ingevolge het bepaalde in het hiervoor weergegeven artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de verordening is dit niet toegestaan.

Eiser heeft tot 2002 onder de naam "{eiser} Advocaten" een samenwerkingsverband onderhouden en voert sindsdien een eenmanszaak met behoud van die naam. Anders dan verweerder en de Raad, en met eiser, is de rechtbank van oordeel dat artikel 7, tweede lid, tweede volzin, van de verordening voor die situatie een ontheffingsmogelijkheid biedt. De redactie van die tweede volzin laat immers niet de conclusie, die verweerder en de Raad delen, toe dat ontheffing beperkt zou zijn tot de situatie waarin sprake is van samenwerkingsverbanden die niet meer door de gemeenschappelijke naam worden gedekt, maar waarin de samenwerking als zodanig niet is verdwenen.

Verweerder heeft daarom zijn bevoegdheid in zoverre te beperkt opgevat en eisers verzoek om ontheffing niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften beoordeeld.

Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit echter geheel in stand blijven, aangezien de rechtbank de opvatting van verweerder deelt dat de kantoornaam "{eiser} Advocaten" de schijn van een samenwerkingsverband heeft en deze schijn onvoldoende kan worden weggenomen door het stellen van de ontheffingsvoorwaarde van plaatsing van een voetnoot op eisers briefpapier of andere schriftelijke communicatievormen, inhoudende dat het een eenmanszaak betreft. De weigering van de aangevraagde ontheffing kan daarom gehandhaafd blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/4678

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 2 juli 20009

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, verweerder,

alsmede

de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Arnhem, partij ex artikel 8:26 van de Awb.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 september 2007.

2. Procesverloop

Bij brief van 15 december 2006 heeft eiser, als advocaat te [woonplaats] werkzaam, aan de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Arnhem (hierna: de Raad) het verzoek gedaan om hem op grond van artikel 7, tweede lid, van de Samenwerkingsverordening 1993 ontheffing te verlenen voor het gebruik van de kantoornaam “[eiser] Advocaten”.

Bij besluit van 7 maart, bekend gemaakt bij brief van 12 maart, 2007 heeft de Raad het verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar bij de Raad gemaakt. De Raad heeft het bezwaarschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als administratief beroep aan verweerder gezonden.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om op grond van artikel 8:26 van de Awb als partij aan het geding deel te nemen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 9 februari 2009. Eiser is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.E. Veenboer. De Raad heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.J.A. Dil, deken van de Orde van Advocaten, en mw. mr. M. Vroemen.

3.Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, dat geen sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van de artikelen 1, onder b, en 4 van de Samenwerkingsverordening 1993 en dat met het voeren van de kantoornaam “[eiser] Advocaten” de indruk wordt gewekt dat wel sprake is van een advocatuurlijke samenwerking. De Raad heeft volgens verweerder op goede gronden geweigerd aan eiser ontheffing ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Samenwerkingsverordening 1993 te verlenen voor het blijven gebruiken van de kantoornaam “[eiser] Advocaten”.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich -kort samengevat- op het standpunt gesteld, dat de gevraagde ontheffing ten onrechte niet is verleend dan wel dat geen ontheffing nodig is, omdat artikel 7, tweede lid, van de Samenwerkingsverordening 1993 onverbindend is. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld, dat ten onrechte de procedure van administratief beroep is gevolgd en dat ten onrechte niet (eerst) een bezwaarschriftprocedure bij de Raad is gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Samenwerkingsverordening 1993 (hierna: de verordening) wordt onder samenwerkingsverband verstaan: iedere samenwerking waarin de deelnemers voor gezamenlijke rekening en risico praktijk uitoefenen of te dien aanzien de zeggenschap danwel de eindverantwoordelijkheid met elkaar delen.

Ingevolge artikel 4 van de verordening is het de advocaat slechts toegestaan een samenwerkingsverband aan te gaan of te laten voortbestaan:

a.met andere in Nederland ingeschreven advocaten;

b.met andere niet in Nederland ingeschreven advocaten, mits is voldaan aan het bepaalde in artikel 5;

c.met leden van een andere beroepsgroep, die daartoe door de Algemene Raad is erkend overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de verordening vermijdt de advocaat in zijn optreden naar buiten dat een onjuiste, misleidende of onvolledige voorstelling van zaken wordt gegeven ten aanzien van enige vorm van samenwerking waarbij hij is betrokken, een samenwerkingsverband daaronder begrepen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel is het de advocaat die geen samenwerkingsverband onderhoudt verboden de praktijk te voeren onder een gemeenschappelijke naam of een zodanige benaming dat daardoor een samenwerkingsverband wordt gesuggereerd. In geval de gemeenschappelijke naam voorheen werd gevoerd door een inmiddels niet meer bestaand samenwerkingsverband kan de Raad van dit verbod ontheffing verlenen onder door deze te stellen voorwaarden, ter voorkoming van misleiding van het publiek.

De rechtbank is van oordeel, dat verweerder het door eiser gemaakte bezwaar terecht als administratief beroep heeft aangemerkt en behandeld. In artikel 10, eerste lid, van de verordening is namelijk geregeld, dat tegen een door de Raad ingevolge deze verordening gegeven beschikking administratief beroep bij verweerder open staat. Het aan het bestreden besluit voorafgegane besluit betreft een door de Raad op grond van de verordening genomen besluit.

Het door eiser ter zitting ingenomen standpunt, dat de verordening geen wettelijk voorschrift zoals bedoeld in artikel 1:5, tweede lid, van de Awb betreft, zodat ten onrechte de procedure van administratief beroep is gevolgd, deelt de rechtbank niet. Onder wettelijk voorschrift in dat artikellid moet niet alleen een wet in formele zin worden verstaan. De verordening, zijnde een wet in materiële zin, is een wettelijk voorschrift in de zin van de voornoemde bepaling.

Eisers stelling, inhoudende dat voorafgaand aan de procedure van administratief beroep een bezwaarschriftprocedure bij de Raad kan worden gevoerd en zijn bezwaarschrift dus als bezwaar had moeten worden behandeld en niet had moeten worden doorgestuurd naar verweerder ter behandeling als administratief beroep, deelt de rechtbank evenmin.

In de systematiek van de Awb sluiten het maken van bezwaar en het instellen van administratief beroep elkaar uit. Zoals mede volgt uit de artikelen 7:1, eerste lid, sub a, en 8:6, tweede lid, van de Awb, kan tegen een primair besluit slechts éénmaal hetzij bezwaar worden gemaakt, hetzij een administratief beroep worden ingesteld. Gelijktijdig bestaan niet een mogelijkheid van bezwaar en een mogelijkheid van administratief beroep tegen hetzelfde besluit, terwijl de mogelijkheid van eerst bezwaar en daarna administratief beroep tegen het besluit op bezwaar niet voorkomt. Hiervoor is reeds overwogen dat artikel 10 van de verordening bepaalt dat tegen een beschikking van de Raad administratief beroep openstaat. De verordening kent in zoverre – terecht - niet mede de mogelijkheid tegen een beschikking van de Raad bezwaar te maken.

Van de door eiser gestelde schending van de beginselen van hoor en wederhoor is de rechtbank niet gebleken. Niet in geschil is dat de bij brief van 9 augustus 2007 door de Raad aan verweerder toegezonden brief van 9 september 2005 betreffende de richtlijn briefpapier bij eiser bekend is. Bovendien had eiser gebruik kunnen maken van het in artikel 7:18, tweede lid, van de Awb neergelegde recht op inzage van de stukken en hij had verweerder

-onder verwijzing naar artikel 7:18, vierde lid, van de Awb- om verstrekking van afschriften van deze stukken kunnen verzoeken.

Met betrekking tot eisers stelling, inhoudende dat artikel 7, tweede lid, van de verordening onverbindend is, omdat ingevolge artikel 4, derde lid, van de Handelsnaamwet een eenmaal door een maatschap gedragen naam ook mag worden gevoerd wanneer die maatschap een eenmanszaak is geworden, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Advocatenwet mogen verordeningen als bedoeld in die wet geen bepalingen inhouden omtrent punten, waarin door of krachtens de wet is voorzien, noch treden in aangelegenheden, die zich tengevolge van het uiteenlopen der omstandigheden in de arrondissementen niet lenen voor algemene voorzieningen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel houden de bepalingen van verordeningen, in welker onderwerp door of krachtens de wet wordt voorzien, van rechtswege op te gelden.

De rechtbank deelt het door verweerder en de Raad ingenomen standpunt, dat het doel van de onderscheiden regelgeving niet gelijk is. Met het bepaalde in artikel 7 van de verordening wordt beoogd, dat de advocaat in zijn optreden naar buiten vermijdt dat hij een onjuiste voorstelling geeft ten aanzien van de samenwerking, waarbij hij is betrokken.

De Handelsnaamwet beoogt echter misleiding als gevolg van het gebruik van een handelsnaam ten aanzien van de eigendom van een onderneming alsmede de rechtsvorm daarvan te voorkomen. De rechtbank is van oordeel, dat de verordening geen bepalingen bevat omtrent onderwerpen waarin reeds door of krachtens de Handelsnaamwet is voorzien. Van onverbindendheid van artikel 7 van de verordening op grond van het bepaalde in artikel 29 van de Advocatenwet is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Eisers beroep op wetsontwerp 28746 betreffende invoeringstitel 7.13 BW, treft naar het oordeel van de rechtbank evenmin doel. Ook indien de betreffende bepalingen in werking zijn getreden is geen sprake van een onderwerp waarin reeds door de wet is voorzien.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast, dat door eiser geen samenwerkingsverband in de zin van de verordening wordt onderhouden. Eiser is thans de enige aan het kantoor “[eiser] Advocaten” verbonden advocaat. Daarnaast is een niet-jurist op het gebied van bewindvoering werkzaam. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder, dat met het gebruik van de naam “[eiser] Advocaten” wel het bestaan van zo’n samenwerkingsverband wordt gesuggereerd. Ingevolge het bepaalde in het hiervoor weergegeven artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de verordening is dit niet toegestaan.

Eiser heeft tot 2002 onder de naam "[eiser] Advocaten" een samenwerkingsverband onderhouden en voert sindsdien een eenmanszaak met behoud van die naam.

Anders dan verweerder en de Raad, en met eiser, is de rechtbank van oordeel dat artikel 7, tweede lid, tweede volzin, van de verordening voor die situatie een ontheffingsmogelijkheid biedt. De redactie van die tweede volzin laat immers niet de conclusie, die verweerder en de Raad delen, toe dat ontheffing beperkt zou zijn tot de situatie waarin sprake is van samenwerkingsverbanden die niet meer door de gemeenschappelijke naam worden gedekt, maar waarin de samenwerking als zodanig niet is verdwenen.

Verweerder heeft daarom zijn bevoegdheid in zoverre te beperkt opgevat en eisers verzoek om ontheffing niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften beoordeeld.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit echter geheel in stand blijven, aangezien de rechtbank de opvatting van verweerder deelt dat de kantoornaam "[eiser] Advocaten" de schijn van een samenwerkingsverband heeft en deze schijn onvoldoende kan worden weggenomen door het stellen van de ontheffingsvoorwaarde van plaatsing van een voetnoot op eisers briefpapier of andere schriftelijke communicatievormen, inhoudende dat het een eenmanszaak betreft. De weigering van de aangevraagde ontheffing kan daarom gehandhaafd blijven.

Niet is gebleken dat eiser proceskosten heeft gemaakt die voor een veroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen.

Mede gelet op artikel 8:74 van de Awb wordt beslist als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

bepaalt dat het griffierecht ad € 143 wordt vergoed door de Nederlandse Orde van Advocaten aan eiser.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, en mrs. L. van Gijn en E. Klein Egelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier.

De griffier, De voorzitter,

In het openbaar uitgesproken op: 2 juli 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 2 juli 2009