Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4312

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
31-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/3227 en 08/3228
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag voor belastingmedewerker die schoonouders hielp bij doen van onvolledige aangifte inkomstenbelasting niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1691

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 08/3227 en 08/3228

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 29 juli 2009

inzake

[naam eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.A.J. Saman,

tegen

de staatssecretaris van Financiën, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

I Besluit van verweerder van 19 juni 2008 aangaande ontzegging toegang, schorsing en inhouding bezoldiging.

II Besluit van verweerder van 19 juni 2008 aangaande onvoorwaardelijk ontslag.

2. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2007 heeft verweerder eiser geschorst op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) (schorsing in het belang van de dienst). Voorts is eiser bij dit besluit de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd.

Bij besluit van 20 september 2007 heeft verweerder de schorsingsgrond gewijzigd in artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR (schorsing na voornemen onvoorwaardelijk ontslag) en is het besluit van 19 april 2007 overigens gehandhaafd. Voorts heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat op grond van artikel 92, eerste lid, van het ARAR zijn bezoldiging voor één derde deel en na verloop van zes weken volledig wordt ingehouden.

Bij besluit van 26 november 2007 is eiser op grond van de artikelen 50, eerste lid, 80 en 81, eerste lid, onder l, van het ARAR de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

Bij de in rubriek 1 genoemde besluiten heeft verweerder de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten van 19 april 2007, 20 september 2007 en 26 november 2007 gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder zijn verweerschriften ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep tegen bestreden besluit I is bij de rechtbank aangelegd met registratienummer 08/3227 en het beroep tegen het bestreden besluit II is aangelegd met registratienummer 08/3228.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 19 mei 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Saman voornoemd, advocaat te Bergen op Zoom. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [A] en [B], beiden werkzaam bij het ministerie van Financiën.

3. Overwegingen

Eiser was als [functienaam] (schaal 7) werkzaam bij de Belastingdienst/[locatie].

Op 6 oktober 2006 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen eiser en [X] (lid managementteam Rivierenland) en [Y] (leidinggevende van eiser). Deze bespreking had als onderwerp de belastingaangiften en verzoeken om teruggave die eiser in de jaren 2003 tot en met 2005 voor zijn schoonouders heeft verzorgd.

Eiser heeft zich op 9 oktober 2006 ziek gemeld.

Bij brief van 10 oktober 2006 is eiser plichtsverzuim ten laste gelegd omdat eiser voornoemde aangiften en verzoeken om teruggave in strijd met de waarheid zou hebben ingevuld en ingediend. Eiser is in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden zoals bedoeld in artikel 82 van het ARAR.

Bij brief van 20 oktober 2006 heeft eiser gereageerd op de tenlastelegging. Bij deze reactie heeft eiser tevens een brief van 18 oktober 2006 van zijn schoonvader overgelegd waarin onder andere staat dat eiser niet op de hoogte was van extra inkomsten van zijn schoonouders en dat zijn schoonvader zich volledig verantwoordelijk acht voor het onjuist invullen van de aangiften.

Bij brief van 14 november 2006 heeft verweerder aan eiser een afschrift doen toekomen van het gespreksverslag van 6 oktober 2006.

Eiser heeft hierop telefonisch gereageerd en bij brief van 8 december 2006 heeft eiser nog (aanvullend) gereageerd.

In een verklaring van 29 januari 2007 hebben [X] en [Y] gereageerd op de bedenkingen van eiser van 20 oktober 2006 en 8 december 2006 en hebben zij verklaard dat het door hen opgemaakte verslag een juiste weergave is van het gesprek van 6 oktober 2006.

Bij het in rubriek 2 vermelde besluit van 19 april 2007 heeft verweerder eiser op grond van artikel 91, eerste lid, letter c van het ARAR geschorst in het belang van de dienst omdat op diezelfde datum aan het ministerie van Financiën een voorstel is verzonden om eiser de straf van ontslag op te leggen. Verweerder acht het, gelet op de uitkomsten van het onderzoek en het voorgestelde strafontslag, in het belang van de dienst dat eiser zijn werkzaamheden niet continueert omdat het belang van de dienst in deze situatie voorgaat op het belang van eiser bij het verrichten van zijn werkzaamheden. Voorts is eiser bij dit besluit op grond van artikel 77, eerste lid, van het ARAR, de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd.

Eiser heeft hiertegen bij brief van 30 mei 2007 bezwaar gemaakt. Eiser is van mening dat het gaat om een discretionaire bevoegdheid en dat de noodzaak tot schorsing ontbreekt. Eiser is reeds vanaf 6 oktober 2006 ziek wegens psychische klachten ten gevolge van het ten laste gelegde plichtsverzuim. Van het verrichten van werkzaamheden is dus geen sprake zodat de belangenafweging niet klopt.

Bij brief van 20 september 2007 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van het voornemen om hem de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen.

Bij het in rubriek 2 vermelde besluit van diezelfde datum heeft verweerder de grondslag van de reeds eerder opgelegde schorsing gewijzigd en eiser op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR geschorst in verband met het geuite voornemen tot onvoorwaardelijk ontslag. Voorts heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn bezoldiging voor één derde deel -zoals hiervoor omschreven- wordt ingehouden. Verder is het besluit van 19 april 2007 gehandhaafd voor zover het de ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen betreft.

Eiser heeft op 17 oktober 2007 -tijdens een hoorzitting- zijn schriftelijke en mondelinge zienswijze op het voornemen kenbaar gemaakt.

Bij brief van 30 oktober 2007 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de grondslagwijziging van de schorsing en de inhouding van zijn bezoldiging. Bij brief van 6 december 2007 heeft eiser een aanvullend bezwaarschrift ingediend waarin onder andere gesteld wordt dat eiser op 17 oktober 2007 ten onrechte niet is gehoord over de schorsing en het staken van de bezoldiging. Op 31 januari 2008 heeft (alsnog) een hoorzitting plaatsgevonden in verband met de door eiser gemaakte bezwaren tegen de schorsing en de inhouding van zijn bezoldiging. Eiser heeft op het verslag van deze hoorzitting bij brief van 26 februari 2008 gereageerd.

Bij het eveneens in rubriek 2 vermelde besluit van 26 november 2007 heeft verweerder het voornemen ten uitvoer gelegd en eiser op grond van de artikelen 50, eerste lid, 80 en 81, eerste lid, onder l, van het ARAR de straf van onvoorwaardelijk ontslag verleend met ingang van de tweede dag na dagtekening van het besluit.

De bezwaren van eiser zijn bij de bestreden besluiten door verweerder ongegrond verklaard. Eiser kan zich hier niet mee verenigen.

Ten aanzien van registratienummer 08/3227 (ontzegging toegang, schorsing en inhouding bezoldiging)

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit I ten aanzien van de drie ordemaatregelen in rechte stand kan houden.

Ontzegging toegang en schorsing met ingang van 19 april 2007

Artikel 77, eerste lid, van het ARAR bepaalt dat aan de ambtenaar door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, kan worden ontzegd.

Artikel 91, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARAR bepaalt dat een ambtenaar geschorst kan worden wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst zulks vordert.

De rechtbank stelt vast dat eiser de toegang is ontzegd naar aanleiding van een onderzoek naar ernstig plichtsverzuim alsmede dat eiser is geschorst omdat een voorstel is verzonden aan verweerder om eiser de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.

Het betreft hier ordemaatregelen en volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan een bestuursorgaan in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond vinden voor het treffen van een ordemaatregel (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 februari 2007, LJN AZ9361).

Volgens verweerder valt handhaving op de werkplek, in de wetenschap dat er op korte termijn een strafontslag in de rede ligt, niet te verklaren. Ook komt het de geloofwaardigheid van de dienst niet ten goede en de reden waarom eiser is voorgedragen voor ontslag maakt dat verweerder het ongewenst acht dat eiser gedurende de ontslagperiode nog dienst verricht. Verweerder heeft belang bij een ongestoord verloop van de tuchtrechtelijke procedure, hetgeen zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het verrichten van zijn werkzaamheden. Voorts acht verweerder het, gelet op de uitkomsten van het onderzoek en het voorgestelde strafontslag, in het belang van de dienst dat eiser zijn werkzaamheden niet continueert omdat het belang van de dienst in deze situatie voorgaat op het belang van eiser bij het verrichten van zijn werkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien het feitencomplex, de geloofwaardigheid (integriteit) van het bevoegd gezag in het geding is nu eiser bij de belastingdienst werkzaam is en beschuldigd wordt van het onjuist invullen van belastingaangiften. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van voornoemde bevoegdheden gebruik kunnen maken nu eiser voorafgaand aan de schorsing in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden omtrent de verwijten. De door eiser aangehaalde arbeidsongeschiktheid die op dat moment bestond, maakt het vorenstaande niet anders omdat verweerder vooruit mag lopen op een eventuele hersteldmelding (zie bijvoorbeeld CRvB 20 mei 2009, LJN: BI7040).

Schorsing met ingang van 20 september 2007

Artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR, bepaalt, kort gezegd, dat een ambtenaar in zijn ambt kan worden geschorst wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het voornemen tot onvoorwaardelijk ontslag gelijktijdig met het schorsingsbesluit aan eiser kenbaar heeft gemaakt en verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om op het voornemen zijn zienswijze naar voren te brengen.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de CRvB moet dan de vraag worden beantwoord of verweerder over een toereikende grondslag beschikte voor dat voornemen. Voor het antwoord op die vraag is niet beslissend of van de beschikbare gronden een zodanige overtuigingskracht uitgaat dat daarop de bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag kan worden gebaseerd, maar of daaraan, bezien vanuit het standpunt van verweerder, voldoende gewicht kon worden toegekend om te komen tot het voornemen tot die bestraffing.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en is van oordeel dat verweerder met het geuite voornemen voldoende feitelijke grondslag had voor de schorsing. Gezien de aard van de functie van eiser, groepsfunctionaris bij de belastingdienst, en het verwijt dat hem gemaakt wordt, het onjuist invullen van belastingaangiften, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid van de bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Hierbij wordt eveneens verwezen naar hetgeen de rechtbank overweegt ten aanzien van registratienummer 08/3228 (strafontslag).

Inhouding bezoldiging

Artikel 92, eerste lid, van het ARAR bepaalt, voor zover van toepassing, dat tijdens de schorsing de bezoldiging voor één derde gedeelte kan worden ingehouden, en dat na verloop van zes weken een verdere inhouding, ook van het volle bedrag van de bezoldiging, kan plaatsvinden.

Het besluit geeft de duur van de inhouding weer, namelijk tot er een besluit omtrent het voornemen is genomen. Bij besluit van 20 september 2007 is de inhouding aan eiser meegedeeld en de rechtbank stelt vast dat eiser op 26 november 2007 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd heeft gekregen met ingang van 28 november 2007. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid tot voornoemd besluit heeft kunnen komen nu eiser als gevolg van de schorsing geen werkzaamheden verrichtte.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het bestreden besluit I niet voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep moet in zoverre dan ook ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van registratienummer 08/3228 (strafontslag)

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of het bestreden besluit II in rechte stand kan houden.

Artikel 50, eerste lid, van het ARAR bepaalt dat de ambtenaar gehouden is de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

Artikel 80, eerste lid, van het ARAR bepaalt dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft.

Blijkens het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 81, eerste lid aanhef en onder l, van het ARAR bepaalt dat ontslag als disciplinaire straf kan worden opgelegd.

Ingevolge artikel 84 van het ARAR wordt de straf niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging bevolen is. Dit laatste is in casu het geval.

Verweerder heeft aan het strafontslag ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, te weten dat eiser zich niet heeft gedragen zoals het een goed ambtenaar betaamt. Blijkens het besluit van 26 november 2007 betreffen de aan eiser ten laste gelegde gedragingen, samengevat, het niet op juiste wijze en/of niet volledig invullen van de belastingaangiften van zijn schoonouders en het kennelijk invullen van aangiften inkomstenbelasting respectievelijk verzoeken om teruggaaf zonder te beschikken over de jaaropgave(n) dan wel andere deugdelijk verifieerbare gegevens. Eiser heeft volgens verweerder géén melding gemaakt van genoten inkomsten en/of freelance-inkomsten en/of bijverdiensten welke zijn schoonouders hebben genoten vanwege de door hen verrichte (thuis)werkzaamheden ten behoeve van Stek B.V. Verweerder baseert dit oordeel met name op de mededelingen en uitlatingen van eiser die hij tijdens het gesprek van 6 oktober 2006 heeft gedaan.

Eiser stelt dat geen sprake is van plichtsverzuim en dat de straf van ontslag onevenredig is. Eiser ontkent wetenschap te hebben gehad van de werkzaamheden van zijn schoonouders voor Stek BV. Zijn schoonmoeder werkt in een kwekerij en verklaarde aan eiser dat de inkomsten verwerkt zijn in de jaaropgave van de maatschap Ermstrang. Eerst na het gesprek van 6 oktober 2006 is eiser bekend geworden met het feit dat de inkomsten uit de stekplanten afkomstig waren van een ander bedrijf en dat ook zijn schoonvader hiervoor structureel werkzaamheden heeft verricht. De aard en de omvang van de werkzaamheden was hem niet bekend, aldus eiser. Eiser stelt voorts dat hij zijn schoonouders gemiddeld maar 5 keer per jaar ziet en dat zij hem een paar keer hebben verzocht om aan de hand van de door hen verstrekte informatie de aangifte in te vullen. De schoonouders hebben de aangifte vervolgens zelf ingediend. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat de opgestelde verklaring van 6 oktober 2006 onjuist is alsmede dat het onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest. Tot slot stelt eiser dat verweerder het bestreden besluit niet dan wel ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar vaste jurisprudentie van de CRvB, zie bijvoorbeeld een uitspraak van de CRvB van 11 december 2008, LJN: BG9707, TAR 2009/83, geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de desbetreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank constateert dat het strafontslag met name is gebaseerd op het gesprek van 6 oktober 2006 en het daarvan opgestelde gespreksverslag. Blijkens dit verslag heeft eiser verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat zijn schoonouders werkzaamheden verrichten voor een bedrijf dat in stekjes handelt. Ook heeft eiser blijkens deze verklaring zijn schoonouders meermalen verzocht om jaaropgaven van de inkomsten. Voorts heeft eiser verklaard dat het zijn intentie was om, na ontvangst van de jaaropgaven, een aanvullende aangifte te doen.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest dan wel dat het gespreksverslag een onjuiste weergave zou zijn van de bespreking op 6 oktober 2006. De rechtbank is genoegzaam gebleken dat eiser vrijwillig bereid was aan het onderzoek mee te werken en de rechtbank neemt in aanmerking dat [X] en [Y] op 29 januari 2007 schriftelijk hebben verklaard dat het verslag van 6 oktober 2006 een juiste weergave is van het op die datum gehouden gesprek. De omstandigheid dat de schoonvader van eiser later anders heeft verklaard, te weten dat eiser niet op de hoogte was van het stekken van plantjes door zijn schoonouders en dat zij dit zoveel mogelijk voor hem verborgen hebben gehouden, doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende af aan de eerste verklaring van eiser. Voorts heeft eiser, mede gelet op het verhandelde ter zitting, de inhoud van het gespreksverslag niet geloofwaardig betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gezegd dat verweerder zich bij het nemen van het ontslagbesluit niet in redelijkheid op dit gespreksverslag heeft mogen baseren. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat het feit dat de belastingdienst niet heeft opgetreden tegen de schoonouders en dat geen naheffing heeft plaatsgevonden het individuele handelen van eiser niet kan rechtvaardigen.

Op grond van het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde plichtsverzuim bestaande uit het over meerdere jaren meewerken aan het doen van onjuiste dan wel onvolledige aangiften en verzoeken om teruggave, voldoende deugdelijk is vastgesteld. Verweerder was dan ook bevoegd om eiser een disciplinaire straf op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de straf van onvoorwaardelijk ontslag, gezien de aard en omvang van het gedrag, niet onevenredig. Daarbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de CRvB van 31 juli 2008, LJN: BD9714, TAR 2009/40, waarin (nog eens) wordt verwoord dat met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van de belastingdienst een verhoogde mate van zorgvuldigheid wordt verlangd van ambtenaren van de belastingdienst, bijvoorbeeld bij het doen van aangiften. Dat eiser werkzaam is op de afdeling vennootschapsbelasting en het hier gaat om inkomstenbelasting en verzoeken om teruggave daarvan maakt vorenstaande niet anders, zie bijvoorbeeld CRvB 27 maart 2008, TAR 2008/74. Anders dan eiser betoogt, is de rechtbank niet gebleken dat verweerder een stok heeft gezocht om eiser mee te slaan. Uit de brief van 29 september 2006, betreffende ontheffing geheimhoudingsplicht, blijkt immers dat eisers naam is opgedoken naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek bij een plantenkweker en een daaropvolgend derdenonderzoek. De staat van dienst en de financiële gevolgen van het ontslag en de positie waarin eiser na ontslag is komen te verkeren, kunnen de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim evenmin tot een ander oordeel brengen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat ook de stellingen van eiser tegen bestreden besluit II geen doel treffen. De beroepen dienen dan ook ongegrond te worden verklaard.

Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond;

wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, voorzitter, mr. S.W. van Osch-Leysma en mr. F.H. de Vries rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 29 juli 2009