Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ3165

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
05/600421-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft twee Arnhemmers van 28 en 26 jaar oud veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk voor het plegen van openlijk geweld. Hieraan is de bijzondere voorwaarde gekoppeld dat zij zich moeten houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt behandeling voor alcoholverslaving of het volgen van agressieregulatie-therapie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/600421-09

Datum zitting : 7 juli 2009

Datum uitspraak : 21 juli 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Velp.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 maart 2009 te Arnhem met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Huissensestraat, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een bus, lijn 33, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het (meermalen) geven van een kopstoot tegen voornoemde [slachtoffer 2] en/of het (meermalen) slaan/stompen tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of het slaan met een hard voorwerp tegen voornoemde [slachtoffer 2] en/of het (met kracht) duwen/trekken van voornoemde [slachtoffer 1];

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 maart 2009 te Arnhem (in een bus, lijn 33) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een of meer perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) meermalen een kopstoot heeft gegeven en/of meermalen heeft geslagen/gestompt en/of heeft geslagen met een hard voorwerp en/of (met kracht) heeft geduwd/getrokken , waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 7 juli 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Velp.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

De officier van justitie heeft verzocht de zaak aan te houden teneinde een rapportage te laten opmaken met betrekking tot een eventuele klinische behandeling van verdachte.

De officier van justitie heeft voorts verklaard dat zij voornemens is te eisen dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht en een klinische behandeling van verdachte

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in de laatste zin van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Er wordt derhalve volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2]

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1];

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel 'slaan met een hard voorwerp', nu daarvoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Verdachte en zijn medeverdachte hebben dit niet erkend en de aangever [slachtoffer 2] heeft niet méér verklaard dan dat hij een harde klap tegen zijn voorhoofd kreeg en dat hij daaruit afleidde dat het met een hard voorwerp moet zijn gebeurd. Een dergelijk voorwerp heeft hij echter niet gezien. Ook de officier van justitie heeft vrijspraak van dit onderdeel bepleit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 27 maart 2009 te Arnhem met een ander, op de openbare weg, Huissensestraat, en op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een bus, lijn 33, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het (meermalen) geven van een kopstoot tegen voornoemde [slachtoffer 2] en het (meermalen) slaan/stompen tegen voornoemde [slachtoffer 2] en met kracht duwen/trekken van voornoemde [slachtoffer 1];

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 30 maart 2009;

• een voorlichtingsrapport van Iriszorg, gedateerd 25 juni 2009, betreffende verdachte;

• een rapportage van het NIFP in het kader van een voorgeleidingsconsult, gedateerd 17 april 2009, betreffende verdachte; en

• een pro justitia rapportage, opgemaakt door drs. L.P. Heinsman, psychiater, gedateerd 14 juni 2009, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft, zonder enige aanleiding, op de late avond van 27 maart 2009 openlijk geweld gepleegd in een lijnbus in Arnhem. Hij was daarbij onder invloed van alcohol en cocaïne. Verdachte heeft daarbij een willekeurig slachtoffer gekozen en geprovoceerd; hij begon te treiteren en wilde een reactie uitlokken, zoals hijzelf heeft verklaard. Om deze, aanvankelijk verbale, provocatie kracht bij te zetten, heeft hij vervolgens bier over het hoofd van het slachtoffer uitgegoten. Hij is doorgegaan met het verbaal schofferen van die passagier en diens vriendin en toen deze zich nog steeds niet liet verlokken om hierop in te gaan, heeft hij het slachtoffer onverwacht een kopstoot gegeven. Vervolgens heeft ook zijn mededader het slachtoffer nog een keer een kopstoot gegeven, waarna er een vechtpartij in de bus is ontstaan. Het slachtoffer heeft daarbij ernstig letsel opgelopen.

Voor het gedrag van verdachte bestaat geen enkel excuus. Dergelijk handelen veroorzaakt grote gevoelens van onveiligheid bij passagiers in het openbaar vervoer en in de maatschappij in het algemeen. Het is juist dit soort volstrekt irrationeel en zinloos geweld waardoor mensen angstig worden 's avonds over straat te gaan en beducht zijn geraakt om anderen in een benarde positie te hulp te schieten. Het enkele feit dat geen van overige passagiers in de bus heeft durven ingrijpen is daarvan een uiting.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak in beginsel geen andere straf in aanmerking komt dan een gevangenisstraf, waarbij de rechtbank aansluiting zal zoeken bij hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd.

Verdachte heeft geen relevante documentatie. Aan de psychiatrische rapportage ontleent de rechtbank dat verdachte van nature de neiging heeft om vanuit een zekere spanningsbehoefte (die deels samenhangt met of voortvloeit uit de ADHD die bij hem is geconstateerd) conflicten op te zoeken. Normaliter is hij in staat dit te controleren en in goede banen te leiden, maar op de bewuste avond had hij alcohol gedronken en cocaïne gebruikt. Door die combinatie van gedragsbeïnvloedende middelen vielen de natuurlijke grenzen weg en heeft verdachte zich laten gaan, met de geweldpleging als gevolg.

Dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft om herhaling te voorkomen, is duidelijk en wordt door hemzelf ook bevestigd. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, een klinische behandeling van verdachte echter niet noodzakelijk. In het verleden heeft er nog geen gerichte behandeling plaatsgevonden en er zijn geen aanwijzingen dat verdachte zich - bij controle over zijn alcoholverslaving - niet aan afspraken en voorwaarden zal houden, zoals de psychiater ook overweegt. Het advies om te starten met een klinische behandeling, zal de rechtbank dan ook niet volgen.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos en/of Iriszorg, of een soortgelijke instelling.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. De vorderingen zijn niet betwist door verdachte.

[slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft gevraagd om vergoeding van de schade aan haar spijkerbroek (€ 120,-), die is ontstaan doordat zij door de mededader met kracht uit de bus werd geduwd waardoor zij op straat is gevallen. Daarnaast vordert zij smartengeld ten bedrage van € 500,- omdat zij door de val als gevolg van het duwen, gedurende drie maanden een pijnlijke knie heeft gehad.

De rechtbank acht beide vorderingen toewijsbaar, ook ten laste van de verdachte in de onderhavige zaak hoewel deze verdachte zelf niets heeft gedaan jegens [slachtoffer 1]. Er is sprake van groepsgeweld en groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW. Toen verdachte ruzie uitlokte met [slachtoffer 2], wist hij enerzijds dat zijn broer erbij was en wist hij ook dat zijn broer zich ermee zou gaan bemoeien (zij hebben immers beide verklaard dat zij altijd voor elkaar opkomen en elkaar zullen bijstaan) en wist hij anderzijds dat [slachtoffer 2] in gezelschap was van [slachtoffer 1]. In die omstandigheden had hij kunnen en moeten weten dat ook [slachtoffer 1] schade zou kunnen lijden, hetzij door handelingen van hemzelf, hetzij door handelen van zijn mededader. Hij heeft zich daardoor echter niet laten weerhouden van zijn gewelddadige handelingen in groepsverband.

Ter zake van de materiële schade, acht de rechtbank een bedrag van € 120,- niet buitensporig, zodat de schade in redelijkheid op dit bedrag wordt vastgesteld. De immateriële schade is door verdachte niet betwist en komt de rechtbank niet onredelijk of onrechtmatig voor. De vordering zal in haar geheel worden toegewezen.

[slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 380,- ter zake van materiële schade, bestaande uit de eigen bijdrage van de ziektekostenverzekering (€ 155,-), niet vergoede medische kosten (€ 75,-) en de kosten die verband houden met de bezichtingsdag van zijn huis, die was gepland op 28 maart 2009. De deelname hieraan heeft hij moeten afzeggen, zodat deze kosten ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen tevergeefs zijn gemaakt (€ 150,-). Deze posten acht de rechtbank toewijsbaar.

Daarnaast vordert [slachtoffer 2] € 1.200,- aan smartengeld, verband houdend met het door hem opgelopen letsel. In het ziekenhuis is geconstateerd: een hersenschudding, een verschuiving van het kraakbeen in zijn neus en een grote hoofdwond die is gaan ontsteken. Gezien de aard en omvang van het letsel, acht de rechtbank het gevorderde bedrag niet onredelijk.

Ten aanzien van beide vorderingen overweegt de rechtbank dat de verdachte niet meer tot vergoeding is gehouden indien en voor zover de toegewezen bedragen door zijn mededader is of wordt voldaan.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 8 (acht) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos en/of Iriszorg of een andere vergelijkbare instelling voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeveroordeelde betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer 2] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer 2], adres [adres], te betalen € 1580,- (zegge eenduizendvijfhonderdentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 27 maart 2009.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1580,-, subsidiair 25 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], adres [adres], te betalen € 1580,-, (zegge eenduizendvijfhonderdentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 oktober 2007, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 1] - met dien verstande dat indien en voor zover medeveroordeelde betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer 1] zal zijn gekweten -, adres [adres], te betalen € 620,- (zegge zeshonderdentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 27 maart 2009.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 620,-, subsidiair 12 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], adres [adres], te betalen € 620,-, (zegge zeshonderdentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 oktober 2007, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. I.D. Jacobs, als voorzitter,

mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter,

mr. F.J.H. Hovens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2009.