Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ2940

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
160486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/28

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 160486 / HA ZA 07-1493

Vonnis van 15 juli 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. B.D.W. Martens,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde],

verblijvende te PI [ ],

gedaagden,

advocaat mr. R.A. Wolleswinkel.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 september 2008

- het deskundigenbericht

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagden].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Verwezen wordt naar de vonnissen van 21 mei 2008 en 10 september 2008. Bij dat laatste vonnis is een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van vragen zoals in dat vonnis zijn geformuleerd. De deskundige heeft een schriftelijk rapport ingediend, gedateerd 19 maart 2009. Hij komt daarin kort samengevat tot de conclusie dat bij [eiseres] sprake is van een ernstige psychiatrische ziekte die volgens DSM-IV geclassificeerd moet worden als: Posttraumatische stressstoornis, chronisch 309.81, depressieve stoornis, ernstig 296.23 en paniekstoornis zonder agorafobie 300.21 en dat er tussen deze ziekte en de confrontatie met de gruwelijke omstandigheden waaronder de moord op haar dochter heeft plaatsgevonden een rechtstreeks verband bestaat. Volgens de deskundige is thans sprake van een chronische situatie waarin een eindtoestand is bereikt en waarin geen relevante verbetering of verslechtering meer valt te verwachten. De deskundige heeft verder aangegeven wat de beperkingen van [eiseres] zijn als gevolg van de ziekte. Voorzover het haar werk in haar praktijk betreft is zij door de geconstateerde psychiatrische aandoening objectief beperkt tot 8 uur per week. Ten slotte heeft de deskundige het percentage blijvende invaliditeit op psychiatrisch gebied volgens AMA-VI berekend op 15%.

2.2 Deze conclusies en bevindingen zijn door geen van de partijen als zodanig bestreden en komen de rechtbank deugdelijk en overtuigend voor. Daarmee moet worden vastgesteld dat [eiseres] door de confrontatie met de ernstige gevolgen van de door [gedaagde sub 3] jegens haar dochter [naam dochter] gepleegde gruwelijke handelingen (zoals in 4.9 en 4.10 van het tussenvonnis van 21 mei 2008 overwogen) blijvend psychisch letsel heeft opgelopen in de vorm van in de psychiatrie erkende ziektebeelden. [gedaagde sub 3] is daarom verplicht de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden en te lijden schade te vergoeden. [eiseres] heeft in de eerste plaats een bedrag van € 10.000,- gevorderd als vergoeding van immateriële schade. [gedaagden] hebben betwist dat de toestand waarin [eiseres] is komen te verkeren toekenning van een dergelijk bedrag rechtvaardigt. Bij de begroting van de vergoeding moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder met de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Uit het rapport van de deskundige komt naar voren dat sprake is van een ernstige psychiatrische ziekte waarin de pijn van de herinneringen aan de omstandigheden rond de moord op [naam dochter] waarmee [eiseres] is geconfronteerd, continu aanwezig is, zonder dat zij daaraan langer durend kan ontsnappen. Het gaat daarbij om een door [eiseres] als bijna lichamelijk ervaren intense pijn, die volgens de deskundige verder gaat dan normale beleving van verdriet. Daarnaast constateert de deskundige een voortdurende basis-somberheid. Dit alles met een verlangen naar verlossing door te sterven. Voorts is sprake van zich spontaan opdringende herinneringen aan de gebeurtenissen, nachtmerries, slapeloosheid, depersonalisatie, onrust en paniekaanvallen. Uit het rapport van de deskundige moet worden geconcludeerd dat [eiseres] in ernstige mate in haar levensvreugde is aangetast. Rekening houdend hiermee en met de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, is het gevorderde bedrag van € 10.000,- toewijsbaar.

2.3 Ook is er grond voor vergoeding van de materiële schade. Gezien de inhoud van het rapport van de deskundige moet worden aangenomen dat tengevolge van de opgelopen psychiatrische ziekte sprake is van een aanmerkelijke objectieve beperking van [eiseres] voor het verrichten van werk in haar praktijk. Daarmee is voldoende aannemelijk dat sprake is van verlies aan verdiencapaciteit en daarmee van inkomensschade. De vordering tot vergoeding van materiële schade op te maken bij staat is daarmee toewijsbaar. De begroting van de schade zal plaats moeten vinden met inachtneming van hetgeen de deskundige Koerselman in zijn rapport heeft vastgesteld, in het bijzonder omtrent de onmogelijkheid nog verbetering in de toestand te brengen, de beperkingen en de mate van functionele invaliditeit.

2.4 Verder zijn er nog de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Blijkens de akte van 18 juni 2008 heeft [eiseres] haar vordering terzake beperkt tot een bedrag van € 4.806,81. Dat bedrag is gebaseerd op drie facturen met omschrijvingen van werkzaamheden, zoals die bij die akte zijn overgelegd. [gedaagden] hebben betwist dat werkzaamheden zijn verricht ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Dat is inderdaad met de hiervoor bedoelde stukken onvoldoende aangetoond. Uit de gebezigde omschrijvingen valt dat niet af te leiden. Die passen ook heel goed bij werkzaamheden in het kader van het in gang zetten van de onderhavige procedure. Het enkele feit dat de gevorderde kosten zijn beperkt tot de werkzaamheden die voor de datum van het uitbrengen van de dagvaarding zijn verricht, wettigt niet de conclusie dat het ging om werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Uit de hiervoor bedoelde stukken blijkt overigens dat het deels ook gaat om werkzaamheden in het kader van de strafzaak, waarin [eiseres] zich als benadeelde partij had gevoegd en haar vordering terzake van begrafeniskosten c.a. toegewezen heeft gekregen. Voor het overige is niets gesteld of gebleken van werkzaamheden buiten rechte waarvoor een proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.

2.5 Recapitulerend: van de vorderingen die na intrekking van de vorderingen onder I t/m III zijn overgebleven zijn toewijsbaar in voege als hierna te vermelden de vorderingen jegens [gedaagde sub 3] zoals vermeld onder V van de dagvaarding. De overige vorderingen jegens hem en jegens de [ouders van gedaagde sub 3] moeten worden afgewezen op gronden als vermeld in dit vonnis en de tussenvonnissen van 21 mei 2008 en 10 september 2008. [gedaagde sub 3] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die van het deskundigenbericht daaronder begrepen. Omdat de vorderingen tegen de [ouders van gedaagde sub 3] geheel moeten worden afgewezen zal [eiseres] voorzover het de procedure jegens hen betreft worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat namens [gedaagde sub 3] en de [ouders van gedaagde sub 3] door een en dezelfde raadsman gecombineerd in dezelfde processtukken verweer is gevoerd, zal de proceskostenveroordeling worden beperkt tot na te melden bedrag aan salaris advocaat. De in 2007 gelegde beslagen waren grotendeels gericht tegen de [ouders van gedaagde sub 3] terzake van jegens hen gepretendeerde vorderingen. Omdat die vorderingen worden afgewezen komen die kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Toewijsbaar jegens [gedaagde sub 3] zijn wel de kosten van de exploten terzake van het toen onder de Postbank gelegde beslag voorzover ten laste van hem gelegd. Die kosten bedragen 2 x € 71,39 en 1/3 x € 176,43 = € 201,59. Van het in 2008 ten laste van [gedaagde sub 3] gelegde derdenbeslag onder de [ouders van gedaagde sub 3], zijn geen beslagstukken overgelegd, zodat niet gecontroleerd kan worden of aan de wettelijke termijnen en vereisten is voldaan en ook de kosten niet kunnen worden begroot.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1 verklaart voor recht dat [gedaagde sub 3] door de moord op [naam dochter] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg van het door haar opgelopen geestelijk letsel door de confrontatie met de gevolgen van de moord heeft geleden en nog zal lijden;

3.2 veroordeelt [gedaagde sub 3] om ten titel van vergoeding van immateriële schade tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] een bedrag te betalen van € 10.000,-;

3.3 veroordeelt [gedaagde sub 3] voorts tot vergoeding van de materiële schade wegens inkomensderving die [eiseres] heeft geleden en zal lijden als gevolg van hetgeen hiervoor onder 3.1 is omschreven, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.4 veroordeelt [gedaagde sub 3] in de kosten van de procedure die van het deskundigenbericht daaronder begrepen, aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 5.401,59 voor verschotten ( € 440,- vast recht en € 4.760,- deskundigenbericht en € 201,59 beslagexploten) en € 2.260,- voor salaris procureur;

3.5 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.6 wijst het meer of anders gevorderde en daarmee de vorderingen jegens de [ouders van gedaagde sub 3] af;

3.7 veroordeelt de Jong in de kosten van de procedure jegens de [ouders van gedaagde sub 3], aan hun zijde bepaald op € 452,- voor salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door de mrs R.J.B. Boonekamp, A.E.B. ter Heide en C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009.