Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ2912

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/5098
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het kader van een reorganisatie wordt eiseres per 1 januari 2005 geplaatst in een nieuwe functie. In die betrekking heeft eiseres gedurende een maand gefunctioneerd, waarna ziekmelding volgt. Eiseres volgt daarna een outplacementtraject in het kader van re-integratie. Verweerder heeft eiseres per 1 december 2006 ontslag verleend wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid anders dan op grond van ziekten en/of gebreken. Dit ontslag is herroepen bij besluit van 15 oktober 2007. Verweerder verleent in plaats daarvan per 1 januari 2008 reorganisatieontslag met toepassing van artikelen 8:4 en 8:4:1 van de CAR/UWO.

In geschil is allereerst op welke wijze de ontslagtermijn genoemd in artikel 8:4:1, vierde lid, van de CAR/UWO moet worden uitgelegd. Deze termijn ziet volgens de rechtbank zonder meer op de termijn waarbinnen het reorganisatieontslag moet worden verleend en dat deze dus is verlopen. Er zijn geen termen aanwezig om van de in dat artikel genoemde termijn af te wijken. De rechtbank houdt hierbij rekening met het feit dat het hier om een overschrijding van bijna een jaar gaat, welke overschrijding geheel aan verweerder valt toe te rekenen. Verweerder was dus niet bevoegd om op deze grond tot ontslag over te gaan. Dit overigens ook al niet omdat, gelet op de korte duur van het functioneren van eiseres in de nieuwe functie, verweerder niet heeft kunnen oordelen dat die functie niet passend voor haar was. Bovendien heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de herplaatsingsmogelijkheden van eiseres. In dit verband overweegt de rechtbank dat uit de verwijzing in het vierde lid van artikel 8:4:1 van de CAR/UWO naar het eerste en tweede lid van artikel 8:4 volgt dat, indien na een herplaatsing de aangeboden werkzaamheden niet passend blijken te zijn, opnieuw zorgvuldig onderzoek naar herplaatsing binnen de openbare dienst van de gemeente als bedoeld in het eerste lid van artikel 8:4:1 zal moeten worden gedaan. Deze verplichting is in dit geval nader ingevuld door de bepalingen van het Sociaal statuut. Het eerder gevolgde outplacementtraject kan in dit geval niet als relevante herplaatsingsinspanning worden aangemerkt, nu er sprake was van re-integratie na een ziekmelding en voorts mede gelet op het tijdsverloop sindsdien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5098

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 18 juni 2009

inzake

[naam eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. C.J. de Wever,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, verweerder

vertegenwoordigd door mr. V.L.S. van Cruijningen.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 oktober 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2007 heeft verweerder eiseres per 1 januari 2008 eervol ontslag verleend in verband met reorganisatie.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de bezwarencommissie voor personele aangelegenheden (‘de bezwarencommissie’) van de gemeente Wageningen van 30 september 2008, het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is op 7 mei 2009 ter zitting behandeld. Daarbij is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Wever voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Cruijningen voornoemd en [A].

3. Overwegingen

Op 12 juni 1996 is eiseres in dienst getreden bij verweerder als c[oude functie]. Per 1 januari 2005 heeft verweerder de afdeling Sociale Zaken gereorganiseerd.

In het kader van die reorganisatie is eiseres per 1 januari 2005 geplaatst in de functie van [nieuwe functie], hetgeen aan haar werd medegedeeld bij besluit van 17 december 2004. Bij hetzelfde besluit is verder aan eiseres medegedeeld dat zij een verbetertraject diende te volgen in verband met haar nieuwe functie voor de duur van 6 maanden.

Per 7 februari 2005 heeft eiseres zich ziek gemeld.

Op 25 mei 2005 heeft een gesprek met eiseres plaatsgevonden. Als verslag daarvan heeft verweerder in zijn brief van 27 mei 2005 onder meer het volgende verwoord:

“Als uitgangspunt formuleert [X] dat een terugkeer in de functie van [nieuwe functie] voor hem geen optie is. Door mevrouw [Y] wordt aangegeven dat dit ook wordt bevestigd door het UWV en Arbo-dienst. Dit blijkt uit het verslag van de arbeidsdeskundige van het UWV en uit de informatie van de bedrijfsarts. Beiden geven aan dat jij geschikt bent voor gangbare arbeid en niet voor jouw functie. Ook jij geeft aan dat de terugkeer in jouw functie voor jou geen optie meer is; vanwege allerlei veranderingen kost het jou te veel energie om de achterstand in informatie, kennis, automatisering etc. in te halen.

Om een goede oplossing voor de toekomst te kunnen vinden, wordt voorgesteld om een traject op te starten onder begeleiding van een extern bureau,…”

Verweerder heeft daarop op 26 juni 2005 een overeenkomst gesloten met Van der Kemp Loopbaanadvisering B.V. om – kort gezegd – eiseres gedurende een periode van 9 maanden te begeleiden in het kader van heroriëntatie op de arbeidsmarkt met loopbaanbegeleiding. In verband met dit traject heeft verweerder aan eiseres een zogenaamde reïntegratieplek aangeboden op basis van detachering bij de gemeente Epe. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft verweerder de detachering van eiseres bij de gemeente Epe verlengd tot 1 juni 2006.

Bij besluit van 16 juni 2006 heeft verweerder aan eiseres per 1 december 2006 eervol ontslag verleend uit de functie van [nieuwe functie] wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekten en/of gebreken, met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve arbeidsvoorwaarden/ Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).

Eiseres heeft tegen het ontslagbesluit van 16 juni 2006 bezwaar ingesteld. Op 14 augustus 2007 heeft de bezwarencommissie verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. De bezwarencommissie heeft haar advies onderbouwd onder meer door erop te wijzen dat het oordeel dat eiseres niet functioneerde voornamelijk is gebaseerd op aannames en gevoelens en dat eiseres slechts gedurende één maand de functie van [nieuwe functie] daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

De bezwarencommissie heeft verweerder geadviseerd om te onderzoeken of een passende functie voor eiseres beschikbaar was of binnen afzienbare tijd beschikbaar zou komen. Indien dat niet het geval was, zo heeft de bezwarencommissie geadviseerd, kon verweerder eiseres ontslag verlenen op grond van reorganisatie, als bedoeld in artikel 8:4 van de CAR/UWO.

Daarop heeft op 12 september 2007 een gesprek plaatsgevonden tussen partijen over de plaatsingsmogelijkheden van eisers bij verweerder. Verweerder heeft vervolgens aan de hand van een vacatureoverzicht van 7 september 2007 alsmede – zo begrijpt de rechtbank – een overzicht van reeds ingevulde vacatures in 2007, bezien of er een andere passende functie beschikbaar was binnen de organisatie van verweerder.

Bij besluit van 15 oktober 2007 is het voornoemde ontslagbesluit van 16 juni 2007 herroepen, voorts heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt om eiseres per 1 januari 2008 ontslag te verlenen op grond van reorganisatie.

Bij het in rubriek 2 vermelde besluit van 17 november 2007 is aan eiseres per 1 januari 2008 ontslag verleend op grond van artikel 8:4 van de CAR/UWO (reorganisatieontslag). De bezwarencommissie van verweerder heeft op 6 oktober 2008 geadviseerd het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren. Overeenkomstig het advies van de bezwarencommissie heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Eiseres heeft allereerst tegen het bestreden besluit aangevoerd dat het op onzorgvuldige wijze bekend is gemaakt, nu het besluit als haar woonplaats [woonplaats] vermeldt in plaats van [woonplaats].

De rechtbank verwerpt deze grond, nu eiseres niet stelt dat het bestreden besluit haar niet heeft bereikt, en het hier voorts om een enkele, klaarblijkelijke typefout gaat.

De volgende bepalingen uit de CAR/UWO, zoals deze luidden ten tijde van de ontslagdatum, zijn bij de inhoudelijke beoordeling van belang.

Ingevolge artikel 8:4, eerste lid, van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

Artikel 8:4:1, eerste lid, van de CAR/UWO bepaalt dat ontslag op één van de in artikel 8:4 genoemde gronden slechts kan plaatsvinden indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem of haar passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat, binnen een periode van uiterlijk één jaar nadat de ambtenaar de hem opgedragen werkzaamheden is gaan vervullen, hem alsnog eervol ontslag als bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 8:4 kan worden verleed, indien die werkzaamheden niet passend voor hem blijken te zijn.

Ingevolge artikel 3:6 van het Sociaal statuut van de gemeente Wageningen (hierna: Sociaal statuut) zullen de werkgever en de ambtenaar zich inspannen om gezamenlijk een structurele oplossing te vinden indien de werkgever bij interne organisatiewijzigingen er niet in slaagt om aan de ambtenaar een passende dan wel geschikte functie aan te bieden. Onderdeel van deze oplossing kunnen zijn:

- bijscholing en omscholing;

- tijdelijke tewerkstelling binnen de gemeentelijke organisatie, al dan niet bovenformatief;

- een passende functie binnen de gemeentelijke organisatie, die na de herplaatsingsprocedure

is ontstaan;

- tijdelijke detachering naar een externe organisatie;

- outplacementbegeleiding;

- een passende functie buiten de gemeentelijke organisatie;

- flankerende maatregelen.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat indien de werkgever na zorgvuldig onderzoek constateert dat geen structurele oplossing als bedoeld in het eerste lid kan worden gevonden, de ambtenaar eervol ontslag wegens reorganisatie zal worden verleend als bedoeld in artikel 8:4 van de CAR/UWO.

Ten eerste is de rechtbank met eiseres van oordeel dat verweerder het verleende ontslag niet meer kon baseren op artikel 8:4:1, vierde lid, van de CAR/UWO, nu de daarin genoemde termijn waarbinnen het ontslag kon worden verleend reeds was verlopen. Immers, eiseres begon eerst per 1 januari 2005 in de in het kader van de reorganisatie aan haar opgedragen functie van [nieuwe functie]. Dit betekent dat in beginsel niet later dan 1 januari 2006 verweerder alsnog eervol ontslag had kunnen verlenen wegens het niet passend blijken te zijn van die functie voor eiseres.

Verweerder heeft onder verwijzing naar jurisprudentie (rechtbank Utrecht, 18 februari 1993, LJN: AK5559) aangevoerd dat de in artikel 8:4:1, vierde lid, van de CAR/UWO genoemde termijn van één jaar enkel ziet op het blijken van de niet-passendheid van de opgedragen werkzaamheden. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn lezing van de op zichzelf reeds ondubbelzinnig geformuleerde bepaling, waaruit zonder meer volgt dat de termijn ziet op de ontslagverlening. De door verweerder aangehaalde jurisprudentie in dit verband maakt het voorgaande niet anders, mede omdat in die zaak sprake was van onder meer afwijkende toezeggingen door het bestuursorgaan aan de ambtenaar in kwestie. Dusdanige toezeggingen of afwijkende afspraken zijn in de onderhavige zaak gesteld noch gebleken.

Hoewel in de lagere rechtspraak over het gelijkluidende artikel 96, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenaren Reglement (ARAR), zoals dat luidde tot 1 januari 1996, steun kan worden gevonden voor verweerders standpunt dat er situaties denkbaar zijn waarin het bedoelde ontslag ook nog na verloop van de termijn van één jaar kan worden gegeven (Ambtenarengerecht Den Haag, 3 mei 1988, TAR 1988, 153), acht de rechtbank in de onderhavige zaak geen termen aanwezig om van deze termijn af te wijken. Hierbij houdt de rechtbank onder meer rekening met het gegeven dat het hier om een overschrijding van de termijn met bijna een jaar gaat, welke overschrijding – gelet op de herroeping van het eerdere ontslag wegens ongeschiktheid – geheel voor rekening van verweerder dient te blijven.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de functie van [nieuwe functie] niet passend was voor eiseres.

Verweerder heeft zich geen gedragen oordeel kunnen vormen over de passendheid van de functie [nieuwe functie] voor eiseres, nu zij slechts gedurende één maand in die functie heeft gefunctioneerd.Hier verdient verder opmerking dat, bij de plaatsing van eiseres in de functie per 1 januari 2005, verweerder reeds bewust was dat ruimte voor verbetering in het functioneren diende te worden geboden aan eiseres. Dat enerzijds door de ziekmelding door eiseres, en anderzijds door aan verweerder toe te rekenen tijdsverloop door het eerdere ontslagbesluit, de kennisachterstand van eiseres is opgelopen, maakte dat verweerder het herhaalde verzoek van eiseres om (bij-)scholing niet zonder meer naast zich neer heeft mogen leggen. Zonder dat het verbetertraject was doorlopen of eiseres in staat is gesteld haar kennisachterstand in te halen, heeft verweerder zich geen goed oordeel kunnen vormen over de passendheid van de functie. Dit is in feite ook door verweerder erkend nu het eerder verleende ongeschiktheidsontslag om die reden niet is gehandhaafd.

Verweerder heeft, zo blijkt uit het advies van bezwarencommissie en het verslag van het herplaatsingsgesprek van 12 september 2007, zijn besluit met name gebaseerd op de overweging dat op 25 mei 2005 overeenstemming tussen partijen bestond dat de functie van [nieuwe functie] niet passend voor haar was. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder daarmee een te verstrekkende uitleg geeft aan de brief van 27 mei 2005. In die brief wordt de passendheid van de functie enkel besproken in verband met de ziekmelding van eiseres en heeft dan ook enkel betrekking op de zich op dat moment voordoende situatie. Dit blijkt ook uit het feit dat in die brief uitdrukkelijk ook de mededelingen van het UWV en de arbodienst van verweerder zijn betrokken die zien op het ziektebeeld van eiseres.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden voor eiseres.. De rechtbank merkt in dat verband allereerst op dat uit de verwijzing in het vierde lid van artikel 8:4:1 van de CAR/UWO naar het eerste en tweede lid van artikel 8:4 volgt dat, indien na een herplaatsing de aangeboden de opgedragen werkzaamheden niet passend blijken te zijn, opnieuw zorgvuldig onderzoek naar herplaatsing binnen de openbare dienst van de gemeente als bedoeld in het eerste lid van artikel 8:4:1 zal moeten worden gedaan. Deze verplichting wordt nader ingevuld door de bepalingen in hoofdstuk 3 van het Sociaal statuut.

Verweerder heeft nog betwist dat in de onderhavige zaak het Sociaal statuut van toepassing is, doch de rechtbank verwerpt dit standpunt nu uit de preambule volgt dat uitdrukkelijk is beoogd de artikelen 8:4 en 8:4:1 van de CAR/UWO een nadere invulling te geven.

Verweerder voert in het kader van de gepleegde herplaatsingsinspanningen verder aan dat eiseres heeft geweigerd andere werkzaamheden te aanvaarden door vast te houden aan terugkeer in de functie van [nieuwe functie].

De rechtbank vindt in de stukken geen steun voor de stelling dat eiseres heeft geweigerd andere werkzaamheden te aanvaarden. In het verslag van het gesprek van 12 september 2007 staat enkel met zoveel woorden dat zij een voorkeur had voor terugkeer in de functie [nieuwe functie] en dat zij tot het moment van het bewuste gesprek nog niet had nagedacht over andere passende functies. Daar komt nog bij dat uit de stukken naar voren komt dat dit het eerste gesprek tussen partijen sinds de intrekking van het ongeschiktheidsontslag, zodat het geen verwondering mag wekken dat zij nog niet over het aanvaarden van andere werkzaamheden had nagedacht. Van een weigering om andere werkzaamheden te aanvaarden is dan ook niet gebleken.

In dit verband heeft verweerder nog aangevoerd dat bij de beoordeling van de gepleegde herplaatsingsinspanningen ook acht dient te worden geslagen op alle reeds gepleegde inspanningen sinds 27 mei 2005, waaronder het aangeboden outplacementtraject. De rechtbank onderschrijft dit, doch wijst erop dat in deze zaak niet duidelijk is dat de outplacementbegeleiding daadwerkelijk erop gericht was om eiseres te herplaatsen. Enerzijds lijkt herplaatsing bij de gemeente bij aanvang van het traject nog tot de doelstellingen te hebben behoord, getuige de brief van 27 mei 2005. Anderzijds is de rechtbank niet gebleken van enige inspanningen om aan dat voornemen gevolg te geven. Voorts werd dit traject, zoals hierboven reeds genoemd, ingezet op het moment dat eiseres ziek was. De functie die eiseres bij de gemeente Epe gedurende het outplacementtraject kreeg aangeboden, werd ook door alle betrokkenen bestempeld als een ‘reïntegratieplek’. Daar komt nog bij dat het outplacementtraject ruim een jaar geleden was beëindigd toen verweerder op 17 november 2007 het besluit tot reorganisatieontslag nam. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het aangeboden outplacementtraject niet meer als relevante herplaatsingsinspanning kon aanmerken op het moment dat hij het ontslag wegens reorganisatie aan eiseres verleende.

Buiten het tot juni 2006 gevolgde outplacementtraject heeft verweerder, blijkens het verslag van de herplaatsingsinspanningen, enkel het voormelde gesprek met eiseres gevoerd op 12 september 2007 en eenmaal een vacatureoverzicht geraadpleegd. In het licht van het bepaalde in artikel 3:6 van het Sociaal statuut en de daarin genoemde mogelijkheden die bij een zorgvuldig onderzoek kunnen worden betrokken, oordeelt de rechtbank deze inspanningen als onvoldoende. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de bezwarencommissie verweerder reeds bij haar advies van 14 augustus 2007 heeft geadviseerd om een volledig herplaatsingsonderzoek uit te voeren, terwijl het na die datum gepleegde onderzoek verre van volledig is gebleken.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit niet kon worden gebaseerd op artikel 8:4:1, vierde lid, van de Awb. Derhalve zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu een ontslag wegens reorganisatie per 1 januari 2008 in rechte geen stand kan houden, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal, doende hetgeen verweerder had behoren te doen, het primaire besluit van 17 november 2007 herroepen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen grond bestaat voor toewijzing van het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van het ontslagbesluit, aangezien eiseres de – overigens ook niet geconcretiseerde – schade niet aannemelijk heeft gemaakt.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep, welke zijn begroot op € 644 wegens kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar en € 644 in beroep. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit van 17 november 2007;

veroordeelt verweerder in de door eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 644 en in beroep tot een bedrag van € 644 en wijst de gemeente Wageningen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de gemeente Wageningen het door eiseres betaalde griffierecht van € 145 aan haar vergoedt;

wijst af het verzoek om schadevergoeding.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Jonge, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 24 juni 2009