Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ2565

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
AWB 09/617
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming in de maandelijkse huurkosten voor een stallingsruimte voor een scootmobiel ingevolge de Wmo. De rechtbank beslist dat, gelet op artikel 4 van de Wmo, deze huurkosten door verweerder dient te worden vergoed, aangezien onder zelfredzaamheid bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo mede moet worden begrepen het gebruik kunnen maken van de stallingsruimte, hetgeen nu eenmaal meebrengt dat daarvoor de huur moet worden betaald. De onderhavige huurkosten zijn dus een direct en onontkoombaar gevolg van het gebruik van de scootmobiel en de stallingsruimte. De huurkosten voor de stallingsruimte hebben derhalve een rechtstreeks verband met het compenseren van eisers beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Met het realiseren van een stallingsruimte voor een scootmobiel heeft verweerder eiser dan ook onvoldoende compensatie geboden voor zijn beperkingen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/617

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 7 juli 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 januari 2009.

2. Procesverloop

Op 24 augustus 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming in de maandelijkse huurkosten voor een stallingsruimte op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo).

Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 mei 2009. Eiser is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.T.F.A. de Boer, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen, aangezien de beperkingen van eiser ingevolge artikel 4 van de Wmo in voldoende mate zijn gecompenseerd.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen ingevolge artikel 4 van de Wmo niet in voldoende mate zijn gecompenseerd. Volgens eiser weigert verweerder een bijdrage te leveren voor de huurkosten voor een stallingsruimte voor zijn scootmobiel ten bedrage van € 8,00 per maand, terwijl verweerder wel een financiële bijdrage heeft geleverd voor het realiseren van een stalling voor zijn scootmobiel. Daarbij stelt eiser dat de huurkosten een gevolg zijn van het realiseren van de stallingsruimte en derhalve in één verband dient te worden gezien. Voorts voert eiser aan dat de huurkosten in zijn geval onder medische kosten vallen, aangezien de huurkosten betrekking hebben op de scootmobiel die op medische gronden aan hem is verleend. Verder stelt eiser dat verweerder zelf afspraken dient te maken met de verhuurder van de stallingsruimte voor wat betreft het niet in rekening brengen van de huurkosten, aangezien het hier gaat om mensen met een handicap. Volgens eiser gebeurt dat ook bij een woningaanpassing wegens een handicap. Tot slot stelt eiser dat verweerder als onderdeel van de zorgplicht de gevraagde huurkosten zou moeten vergoeden en niet slechts voor een gedeelte.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo treft het college ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel.

Ingevolge het tweede artikellid houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wmo vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

Ingevolge het tweede artikellid is het in het eerste lid gestelde van overeenkomstige toepassing op een besluit op bezwaar.

De raad van de gemeente Arnhem heeft op grond van artikel 5 van de Wmo de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Arnhem (hierna: Verordening) vastgesteld, welke op 1 januari 2008 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 2.5, onder a, van de Verordening is - voor zover hier van belang - bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet, genoemd in hoofdstuk 4, 5 en 6 van deze verordening, de persoon van 18 jaren of ouder geen eigen bijdrage en geen eigen aandeel verschuldigd.

In geschil is de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming in de huurkosten voor een stallingsruimte voor zijn scootmobiel.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser beperkingen ondervindt op grond waarvan verweerder aan hem een scootmobiel heeft toegekend. Voorts staat vast dat Stichting Volkshuisvesting met financiële steun van de gemeente Arnhem een stallingsruimte voor de aan eiser verstrekte scootmobiel heeft verwezenlijkt, waarvoor eiser een maandelijkse bijdrage van € 8,00 is verschuldigd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met het realiseren van een stallingsruimte voor de scootmobiel de beperkingen van eiser in voldoende mate zijn gecompenseerd als bedoeld in artikel 4 van de Wmo. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het eerste lid van dit artikel, waarin het compensatiebeginsel tot uitdrukking is gebracht, de uitdrukkelijke resultaatsverplichting is opgenomen dat een betrokkene deel moet kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer op een gelijkwaardige wijze als iemand die geen beperkingen ondervindt. Daaruit vloeit in dit geval voort dat de compensatieverplichting van verweerder bij het toekennen van de vervoersvoorziening verder reikt dan het enkel verstrekken van een scootmobiel met een bergingsmogelijkheid. In dit verband overweegt de rechtbank dat onder zelfredzaamheid bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo mede moet worden begrepen het gebruik kunnen maken van de stallingsruimte, hetgeen nu eenmaal meebrengt dat daarvoor de huur moet worden betaald. De onderhavige huurkosten zijn dus een direct en onontkoombaar gevolg van het gebruik van de scootmobiel en de stallingsruimte. De huurkosten voor de stallingsruimte hebben dan ook een rechtstreeks verband met het compenseren van eisers beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Gelet op artikel 4 van de Wmo dienen deze huurkosten dan ook door verweerder te worden vergoed.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geweigerd de huurkosten voor de stallingsruimte aan eiser te vergoeden. De rechtbank zal dan ook het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 4 van de Wmo vernietigen.

Verweerder heeft in het verweerschrift nog betoogd dat van eiser mag worden verwacht dat indien hij gebruik wil maken van de stallingsruimte, hij ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB een eigen bijdrage is verschuldigd. Voor het geval verweerder hiermee verzoekt om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, overweegt de rechtbank dat uit artikel 2.5, onder a, van de Verordening, alsmede uit het verhandelde ter zitting volgt dat bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet, genoemd in hoofdstuk 4, 5 en 6 van deze verordening, eiser geen eigen bijdrage en geen eigen aandeel is verschuldigd. Gelet hierop acht de rechtbank verweerders verwijzing naar artikel 15, eerste lid, van de Wmo dan ook onjuist.

Gezien het bovenoverwogene ziet de rechtbank aanleiding, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 13 oktober 2008 te herroepen en te bepalen dat aan eiser de maandelijkse huurkosten van de stallingsruimte voor zijn scootmobiel worden vergoed, te rekenen vanaf de datum van aanvraag.

Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 13 oktober 2008;

bepaalt dat verweerder aan eiser de maandelijkse huurkosten van de stallingsruimte voor zijn scootmobiel vergoedt, te rekenen vanaf de datum van aanvraag;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de gemeente Arnhem het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 7 juli 2009