Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ2405

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
175438
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht dat de gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen van de intentieovereenkomst door zich vanaf 3 november 2003 op het standpunt te stellen dat zij alleen planologische medewerking wilde verlenen aan de vestiging van een tankstation aan de Provinciale weg dat qua omzet even groot was als het tankstation aan het adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 175438 / HA ZA 08-1623

Vonnis van 1 juli 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BP NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. G.A. van der Veen te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE [woonplaats],

zetelend te Tiel,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna BP en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 maart 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 13 mei 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Begin jaren ’90 was er een garagebedrijf gevestigd aan het [adres] te [woonplaats]. Exploitant was [woonplaats]se Bandenservice B.V. te [woonplaats], waarvan de heer [ ] [betrokkene] bestuurder was. De grond was eigendom van De Veluwe Investments B.V. te Arnhem die deze aan [betrokkene] of [woonplaats]se Bandenservice verhuurde. Er waren vijf afleverzuilen/opstelplaatsen met ieder één slang, te weten drie voor benzine, één voor diesel en één voor LPG. [woonplaats]se Bandenservice had een aflevercontract met Mobil - thans Exxon Mobil - voor benzine en diesel en met BP voor LPG. Er was op het perceel ook een shop aanwezig.

2.2. De Gemeente en BP, die mede namens [betrokkene] optrad, hebben overlegd over beëindiging en verplaatsing van het tankstation van het [adres] naar de oostzijde van de Provinciale weg N834 (vroeger: S104) nabij de afslag [woonplaats]-West. Het belang van de Gemeente was dat uitplaatsing van dit tankstation een planologische en verkeerskundige verbetering voor het plein betekende en dat het verkooppunt van LPG, waar bewoning was gesitueerd binnen de veiligheidscontouren, uit het stadscentrum zou verdwijnen. Naar aanleiding van deze bespreking hebben burgemeester en wethouders van de Gemeente - hierna: B&W - bij brief van 24 januari 1994 onder meer het volgende aan BP geschreven:

“Wij zijn bereid planologische medewerking - uiteraard onder voorbehoud van goedkeuring door de gemeenteraad en hogere overheden - te verlenen aan de realisatie van een nieuw BP-tankstation annex carwash, langs de oostzijde van de Provincialeweg en ten noorden van de [adres], onder de volgende ontbindende voorwaarden:

1. Het nieuwe BP-tankstation wordt uitsluitend gebruikt voor de verkoop van vloeibare autobrandstoffen en autogas. Een carwash-installatie is toegestaan.

2. De huidige exploitant van het tankstation aan het [adres], de heer P. [betrokkene], zal de exploitatie ter plaatse tijdig moeten staken. BP Nederland B.V. zal dit met de heer [betrokkene] contractueel vastleggen.

3a. Het huidige tankstation met bijbehorende gebouwen en grond, gelegen aan het [adres], wordt aan de gemeente verkocht voor een prijs die is gebaseerd op het huidige gebruik. BP Nederland B.V. zal een bemiddelende rol vervullen in de onderhandelingen die de gemeente [woonplaats] te zijner tijd dienaangaande zal voeren met De Veluwe Investments B.V. Het uitgangspunt van huidig gebruik zal daarbij niet ter diskussie staan.

3b. De bodem en het grondwater van het huidige tankstation dienen gesaneerd te zijn tot de op dat moment geldende normen, tenzij de kosten van de noodzakelijke sanering volledig in mindering op de verkoopprijs worden gebracht.

3c. De autogasinstallatie dient uiterlijk 1 maart 1995 buiten gebruik en leeg te zijn.

4. De verplaatsing van het tankstation dient uiterlijk 1 september 1995 gerealiseerd te zijn.”

2.3. De raad van de Gemeente heeft op 19 juli 1995 het bestemmingsplan Binnenstad vastgesteld. Op grond van dit bestemmingsplan[adres]s] een andere bestemming gegeven dan garagebedrijf/tankstation, te weten de bestemming binnenstadsondersteunende voorzieningen. Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben het bestemmingsplan bij besluit van 5 februari 1996 goedgekeurd.

2.4. In verband met de verplaatsing van het tankstation heeft de Gemeente van 26 juni tot en met 2 juli 1995 het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied “Benzinestation Provincialeweg” ter inzage gelegd. Uit de toelichting van het voorontwerp wordt de volgende passage geciteerd:

“1. Inleiding

Dit bestemmingsplan maakt de vestiging mogelijk van een verkooppunt voor motorbrandstoffen op de aangegeven lokatie aan de Provinciale weg.

Dit verkooppunt dient ter vervanging van het huidige benzinestation aan het [adres].

De aanwezigheid van dat benzinestation belemmert de planologische ontwikkeling ter plaatse zowel door zijn ruimtegebruik als door de aanwezigheid van een LPG-vulpunt.

Om stedebouwkundige, economische en volkshuisvestelijke redenen is het wenselijk aan het [adres] tot bebouwing te komen (kantoren met woningen daarboven).

Een ontwikkeling in die zin is voorzien in het ontwerpbestemmingsplan Binnenstad [woonplaats] onder het "wegbestemmen" van het aanwezige benzinestation.

Met de eigenaar van dat benzinestation, B.P. Nederland, is overeenstemming bereikt over de verplaatsing van dat benzinestation naar de nu aan de orde zijnde lokatie aan de Provincialeweg.

Die lokatie is gunstig gelegen aan de westelijke uitgaande route van de stad.

(…)

2. Beschrijving van het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid van de realisatie voor een benzineverkooppunt met de daarbij behorende groenvoorziening en ontsluitingsmogelijkheden.

De bestemming "Benzinestation" wordt in het plan in een tweetal bestemmingsvlakken verdeeld, te weten:

vlak I : parkeren, verhardingen en groenvoorzieningen

vlak II : gebouwen, luifels en pompen

De andere bestemmingen zijn "Verkeersdoeleinden" en "Groenvoorziening".

(…)

4. Milieu-aspecten

(…)

Ten aanzien van de L.P.G. installatie is gekeken naar de afstandsnormen in de Integrale nota LPG. De afstanden tussen woningen en opslagtank c.q. vulpunt is min. 80 m. en voor de afleverzuil 20 m.. De installatie kan ruim binnen deze normen worden aangelegd.

5. Economische uitvoerbaarheid

De grond is aangekocht door BP Nederland die hier een verkooppunt voor motorbrandstoffen, annex carwash en carshop wil vestigen. Dit bedrijf zal ook de kosten voor de ontsluiting en verkeerskundige aanpassingen voor zijn rekening nemen.”

2.5. Hieronder is het relevante gedeelte weergegeven van de plankaart d.d. 13 april 1995 die bij het voorontwerp hoort.

2.6. BP beschikt over een andere plankaart van dezelfde datum, met daarop de handgeschreven vermelding “concept”, die voor zover relevant als volgt is:

2.7. Uit de stukken valt af te leiden dat de heer J. [betrokkene 2] van het Total-tankstation aan de [straat] te [woonplaats] bezwaar heeft gemaakt tegen vestiging van een BP-tankstation aan de Provinciale weg. De Gemeente heeft mede in verband daarmee in mei 1997 besloten een Distributie-Planologisch Onderzoek - hierna: DPO - te laten verrichten door BRO Adviseurs te Vught - hierna: BRO - naar de lokale markt voor de verkoop van motorbrandstoffen. Uit het rapport van 8 oktober 1997 worden de volgende gedeelten geciteerd:

“(p. 12) Een drietal pomphouders heeft interesse in verplaatsing van het (één van de) huidige verkooppunt(en).

(…)

2. [woonplaats]se bandenservice (Mobil/BP) aan het [adres] heeft interesse in een locatie aan de Provinciale weg S 104. Dit zou door de gemeente al zijn toegezegd en is volgens de ondernemer inmiddels ook noodzakelijk omdat deze wegens bestemmingsplanwijzigingen het huidige bedrijf niet kan moderniseren. Hier wil BP (zoals de maatschappij gaat heten na voltooiing van de fusie met Mobil) een fors verkooppunt ontwikkelen. BP wil zich met dit punt, behalve op de [woonplaats]se markt, ook richten op vrachtwagens op de route Rotterdam-Ruhrgebied. Volgens BP is autogas voor het zogenaamde heavy duty transport de toekomst. BP wil op de beoogde locatie dan de eerste Nederlandse high-speed-LPG-installatie in gebruik nemen.

(…)

(p. 25-26) HOOFDSTUK 6. CONCLUDEREND

Huidige verzorgingsstructuur

De huidige spreiding van de tankstations over de gemeente [woonplaats] (de verzorgingsstructuur) is niet optimaal:

• Het huidige cluster van 3 stations tegen de binnenstad aan is ongewenst;

• De oostelijke uitgaande route ([route]) naar de afslag [woonplaats] van de A 15 is nagenoeg niet afgedekt. Het enige station aan deze route ([route]) is te zuidelijk gelegen om voldoende uitgaand verkeer af te vangen;

• De stations aan ‘oude’ uitgaande routes ([routes]) zijn steeds meer ‘in de luwte’ komen te liggen.

Bij deze opmerkingen willen we benadrukken dat een voor de structuur ongunstig gesitueerd station niet inhoudt dat dit station ook matig of slecht functioneert.

De westelijke zijde van [woonplaats] is door 2 stations afgedekt ([twee tankstations]). Nagenoeg al het verkeer dat via de Provinciale weg S104 [woonplaats] richting de A 15 wil verlaten, passeert deze stations.

Als in de toekomst de dan voltooide wijk [naam wijk] eventueel een eigen ontsluiting krijgt op de A 15, wordt de dekking van dit deel eveneens onvoldoende.

Het functioneren van de [woonplaats]se tankstations

Momenteel wordt in de gemeente [woonplaats] ca. 22 miljoen liter doorgezet. Uit gegevens van het ondernemersonderzoek blijkt dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de [woonplaats]se tankstations wat de doorzet betreft. Een aantal stations zou zonder nevenactiviteit(en) het bedrijf moeten opheffen.

De in hoofdstuk 4 berekende maximale toekomstige marktruimte van ca. 1 miljoen liter is dan ook absoluut niet voldoende voor toevoeging van een nieuw tankstation in de gemeente [woonplaats]. Enkel via verplaatsing en concentratie (2 ‘oude’ bedrijven van dezelfde ondernemer voor 1 nieuwe) kan de benodigde doorzet voor een modern station op een nieuwe locatie worden gerealiseerd.

Mogelijke toekomstige locaties

Op basis van de verschillende onderzoeksdelen komen een 4-tal locaties naar voren:

[straat], de mogelijke toekomstige ontsluitingsweg van [naam wijk], de Provinciale weg S104 en de hoek van de [straat] met de door te trekken [straat]. Overigens dient gezien de beperkte toekomstige marktruimte in ieder geval uit te worden gegaan van verplaatsing van nu ongunstig gesitueerde tankstations. Het toevoegen van een nieuw station op één van deze locaties tast de huidige structuur aan, ook aan de westelijke zijde van [woonplaats].

Beoordeling verplaatsingsinitiatieven

Verplaatsing van het Mobil/BP-station aan het [adres] naar de Provinciale weg S104 is niet gewenst daar dit station dan een aanzienlijk grotere claim op het [woonplaats]se omzetpotentieel legt (minimaal 4 miljoen liter). Deze grotere claim wordt het sterkst gevoeld bij de bestaande, en eveneens moderne stations van Shell aan de [straat] en van Total aan de [straat] die de westelijke uitgaande route al naar behoren afdekken.

De locatie van het Total-station aan de [straat] is voor de verzorgingsstructuur verre van optimaal. Het heeft dan ook onze voorkeur om deze locatie op te heffen en een nieuwe locatie te ontwikkelen aan de [straat], aan de zijde van Motel van Van der Valk, [woonplaats] uitgaand voor de oprit naar de A 15.

Tot slot

Voor de toekomst is het van belang dat het brandstofverbruik niet evenredig toeneemt met het autogebruik. Oorzaak hiervan zijn de technologische ontwikkelingen, waarbij met name de steeds zuiniger wordende motoren een belangrijke rol spelen. Goed voorbeeld hiervan is de GDI-motor zoals deze nu door Mitsubishi op de markt is gebracht, waarmee het verbruik tot 20% kan worden verminderd.”

2.8. Naar aanleiding van dit rapport hebben B&W bij besluit van 3 februari 1998 besloten de bestemmingsplanprocedure die de vestiging van het BP-tankstation aan de Provinciale weg mogelijk maakte, stop te zetten. Uit het advies aan B&W wordt de volgende passage geciteerd:

“In het eindrapport “Gemeente [woonplaats], DPO motorbrandstoffen” van 8 oktober 1997 wordt ten aanzien van de eerste vraag geconcludeerd dat vestiging van een benzinestation aan de Provincialeweg S104 niet gewenst is, daar dit station dan een aanzienlijk grotere claim op het [woonplaats]se omzetpotentieel legt (minimaal 4 miljoen liter). Deze grotere claim wordt het sterkst gevoeld bij de bestaande stations van Shell aan de[woonplaats]raat] en van Total aan de [straat] die de westelijke uitgaande route al naar behoren afdekken. (Een aanzienlijke schadeclaim is door Total al in het vooruitzicht gesteld). Verplaatsing van het Mobil-station aan het [adres] naar de Provincialeweg S104 is dus ook niet wenselijk.”

2.9. De Gemeente, vertegenwoordigd door wethouder [voorletters] [wethouder], heeft het besluit van B&W aan BP meegedeeld in een gesprek van 3 maart 1998. [wethouder] heeft toen ook aangegeven dat de Gemeente geïnteresseerd is in aankoop van het perceel aan het [adres].

2.10. BP heeft bij brief van 19 maart 1998 bezwaar gemaakt tegen deze ontwikkeling en de Gemeente opgeroepen haar toezegging na te komen. Zij heeft haar bezwaren ook geuit tijdens een vergadering van de Raadscommissie Stadsontwikkeling en -beheer op 26 mei 1998. BP heeft haar bezwaren verder uitgewerkt in een brief aan de Raadscommissie van 17 juni 1998.

2.11. B&W van [woonplaats] hebben op 3 augustus 1999 besloten in kaart te laten brengen of een minnelijke uitkoop van BP mogelijk zou zijn. BP hield echter vast aan de volgens haar door de Gemeente gedane toezegging over verplaatsing naar de Provinciale weg en dreigde met een procedure. B&W hebben bij besluit van 3 oktober 2000 besloten vast te houden aan verplaatsing van het BP-tankstation naar de Provinciale weg mits BP zou meewerken aan beëindiging van de vestiging aan het [adres]. De Gemeente en BP hebben daarover op 10 november 2000 gesproken. De Gemeente heeft in haar brief van 11 december 2000 het besprokene als volgt samengevat:

“1. De gemeente streeft op basis van de in het verleden gemaakte afspraken opnieuw naar een zo spoedig mogelijke verplaatsing van het tankstation aan het [adres] naar een lokatie aan de oostzijde van de provinciale weg N 834, nabij de [lokatie], alhier. Daartoe zal zo spoedig mogelijk worden gestart met de bestemmingsplanprocedure, overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De gemeente zal ter zake de nodige voorbereidingen treffen, met inbegrip van het communicatie-aspect.

2. In de lijn van de afspraken zoals die in onze brief van 24 januari 1994 zijn neergelegd zal bij feitelijke realisering van een tankstation aan de provinciale weg N 834 de exploitatie van het tankstation met toebehoren (autoherstel-inrichting e.d.) aan het [adres] daadwerkelijk worden gestaakt. Er zullen hiertoe sluitende afspraken moeten worden gemaakt met de huidige exploitant van het tankstation.

3. Ook zal B.P. bevorderen dat van de kant van de huidige grondeigenaar alle medewerking wordt verleend aan verkoop van grond en opstallen aan de gemeente, tegen een nader overeen te komen prijs en onder nader overeen te komen bedingen.

4. Het vorengaande (1 t/m 3) wordt overeengekomen onder voorbehoud dezerzijds van vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad en goedkeuring door Gedeputeerde Staten van Gelderland, en voorts behoudens vernietiging door de Raad van State, afd. Bestuursrechtspraak, in geval van beroep door derden.”

2.12. Het overleg is uitgemond in een intentieovereenkomst van 19 februari 2002, waarmee de gemeenteraad heeft ingestemd in zijn vergadering van 21 november 2001. Uit het collegevoorstel aan de raad worden de volgende passages geciteerd:

“1. Inleiding

(…)

In 1999 werd duidelijk dat BP Nederland niet in deze situatie zal berusten en nakoming van de afspraken verlangt, zo nodig in rechte. Dit was aanleiding tot hervatting van het overleg tussen BP Nederland en de gemeente, teneinde alsnog gestalte te geven aan de eertijds gemaakte afspraken. Daarbij hebben wij overwogen dat de gemeentelijke overheid tot taak heeft faciliteiten en randvoorwaarden te scheppen voor het functioneren van de lokale brandstoffenmarkt en voorts terughoudendheid dient te betrachten bij het beoordelen van onderlinge concurrentieverhoudingen.

Het nadere overleg met BP Nederland heeft per saldo geleid tot een beter inzicht in de wederzijdse posities en doelstellingen. Ook zijn afspraken gemaakt over de verdere stappen die thans gezet moeten worden. Deze afspraken zijn verwoord in de bijgevoegde intentie-overeenkomst, die wij thans ter bekrachtiging aan u voorleggen.

Hieraan kan nog worden toegevoegd dat wij de exploitant van het BP-tankstation aan het [adres] 2 dit voorjaar hebben aangeschreven de nodige voorzieningen te treffen, nu op onderdelen in strijd met de milieuwetgeving wordt gehandeld. Een en ander vloeide voort uit een onderzoek van de rijksinspecteur voor de milieuhygiëne.

2. Argumenten

Dit voorstel is gebaseerd op de volgende argumenten.

a. Het beëindigen van een situatie aan het [adres] die uit een oogpunt van externe veiligheid, hygiëne van het milieu en uit verkeerskundig oogpunt ongewenst is;

b. Het doen van een eerste aanzet om te komen tot verdere verbetering van de stedelijke kwaliteit van het gebied [adres]/[straat];

c. Het scheppen van faciliteiten voor marktwerking op het gebied van motorbrandstoffen.

3. Kanttekeningen

Gevreesd moet worden voor hernieuwde, krachtige reacties bij een herstart van de inspraakprocedure en bij de openbare voorbereidingsprocedure ten behoeve van de partiële herziening van het bestemmingsplan. Uiteindelijk is het de gemeenteraad die op lokaal niveau belangen afweegt en het laatste woord heeft.

Bedacht moet worden dat ook de exploitant van het bestaande BP-tankstation en de eigenaresse belanghebbenden zijn waarmee nog geen overeenstemming is bereikt. BP voert ter zake onderhandelingen met de exploitant (zie punt 4 van de intentie-overeenkomst). De onderhandelingen tussen de gemeente en de eigenaresse (De Veluwe Investments te Nijmegen) verkeren nog in een beginstadium.

Door de raadsman van de exploitant van het bestaande BP-tankstation is de gemeente op 31 mei 2001 aansprakelijk gesteld voor alle schade die het gevolg is van niet-handelen door de gemeente. Deze aansprakelijkstelling hebben wij op 14 juni 2001 in handen gesteld van assuradeuren via Willis B.V. te Amsterdam, registermakelaar in assurantiën.

Op 30 oktober 2001 hebben wij van de raadsman van een andere in [woonplaats] gevestigde eigenaar van brandstofverkooppunten ontvangen een aansprakelijkheidsstelling die wij eveneens in handen hebben gesteld van onze assuradeuren. Voorshands leggen wij deze aansprakelijkheidsstelling uit als een poging om de uitwerking van de voorliggende intentie-overeenkomst op een bepaalde wijze te beïnvloeden.”

2.13. Uit de intentieovereenkomst, gesloten tussen de Gemeente en BP Nederland V.O.F. - hierna: BP vof - worden de volgende overwegingen en bepalingen geciteerd:

“In aanmerking nemende

dat de Gemeente in het onherroepelijke bestemmingsplan "Binnenstad" aan de ondergrond van het bestaande BP -.tankstation, gevestigd [adres] 2, een andere bestemming heeft gegeven;

dat met het oog hierop tussen de Gemeente en BP afspraken zijn gemaakt die gericht zijn op:

o de vestiging van een nieuwe BP-tankstation aan de provinciale weg N834;

o opheffing van het bestaande BP-tankstation aan het [adres] 2

dat de Gemeente voor de vestiging van een nieuw BP-tankstation, mede omvattend een L.P.G - installatie en een autowas-installatie een planologische procedure in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zal starten;

dat BP zich binnen de grenzen van de redelijkheid maximaal zal inspannen om te komen tot beëindiging van de exploitatie van het bestaande BP-tankstation aan het [adres] 2, voordat een nieuw BP-tankstation op de beoogde lokatie in gebruik wordt genomen;

komen overeen als volgt:

1. De Gemeente zal een ontwerp-bestemmingsplan opstellen ten behoeve van de vestiging van een tankstation op een terrein aan de oostzijde van de provinciale weg N834, ten noorden van de [adres] en ten zuiden van de [lokatie].

Het tankstation omvat de opslag en verkoop van motorbrandstoffen, een LPG - installatie, een autowas-installatie, alsmede een bijbehorende verkoopruimte,

2. De Gemeente zal uiterlijk 1 januari 2002 starten met een planologische procedure, welke omvat het voeren van overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening, het voeren van een inspraakprocedure als bedoeld in de gemeentelijke "Inspraakverordening" en het voeren van een bestemmingsplanprocedure als bedoeld in de artikelen 23 tot en met 25 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

3. De inzet van de Gemeente is erop gericht om:

o uiterlijk 1 april 2002 een bestemmingsplan ter inzage te leggen, overeenkomstig artikel 23 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

o uiterlijk 15 september 2002 een raadsbesluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan te nemen.

4. BP draagt er zorg voor dat de exploitatie van het bestaande BP-tankstation aan het [adres] 2 uiterlijk 1 maart 2002 definitief wordt gestaakt. Hiertoe zullen de leveranties van motorbrandstoffen door BP worden beëindigd. Daarenboven zal BP een passende regeling treffen met de exploitant van het bestaande tankstation, de heer [ ] [betrokkene]. BP vrijwaart de gemeente voor schade-aanspraken (zowel in civielrechtelijke als bestuursrechtelijke zin) van de exploitant en van BP zelve, tot het moment waarop redelijkerwijs komt vast te staan dat de vestiging van een nieuw BP-tankstation niet kan worden gerealiseerd en het onder 6. bedoelde overleg evenmin uitzicht biedt op een nieuwe vestigingslokatie.

5. De Gemeente zal zich maximaal inspannen om met de eigenaresse van grond en opstallen van het bestaande tankstation aan het [adres] 2, te weten De Veluwe Investments B.V. te Nijmegen, overeenstemming te bereiken over verwerving van grond en opstallen.

De inzet van de gemeente is gericht op verwezenlijking van de ter plaatse geldende bestemming, overeenkomstig het bestemmingsplan voor de "Binnenstad".

6. Indien voor 31 december 2003 geen onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan voor de beoogde lokatie van een nieuw tankstation aan de provinciale weg N834 van kracht is, zullen partijen overleg plegen over:

a. het al dan niet continueren van de bestemmingsplanprocedure;

b. andere lokaties binnen de gemeente [woonplaats] voor de vestiging een tankstation;

c. tegemoetkoming door de Gemeente in kosten die BP heeft gemaakt en nog zal maken, samenhangend met de thans beoogde lokatie, hieronder mede begrepen kosten voor de tenuitvoerlegging van deze intentie-overeenkomst.

(…)

8. De Gemeente zal niet aansprakelijk zijn voor tekort schieten in de nakoming van deze intentie-overeenkomst, indien dit tekortschieten voortvloeit uit handelen of nalaten, waartoe zij op grond van het publiekrecht gehouden is. In het bijzonder kan zij niet aansprakelijk worden gehouden voor handelen of nalaten dat voortvloeit uit aanwijzingen en dergelijke van hogere overheden of uitspraken van rechtelijke instanties.

Ook zal er geen sprake zijn van tekort schieten indien de gemeente uit hoofde van een redelijke uitoefening van de publieke taak - zulks ter beoordeling van de rechter - tegemoet dient te komen aan zienswijzen, bedenkingen of bezwaren van derden.

9. Voorzover in deze of volgende overeenkomsten verbintenissen zijn of zullen worden opgenomen die tevens een publiekrechtelijke afweging vergen, hebben deze het karakter van een inspanningsverplichting. Dit betekent dat de gemeente zich zal inspannen om de verbintenissen na te komen, voorzover de wet of beginselen van behoorlijk bestuur dan wel gerechtvaardigde belangen van derden - zulks ter beoordeling van de rechter - zich daartegen niet verzetten.

10.Deze overeenkomst zal niet tot stand komen indien de Raad van de gemeente [woonplaats], dan wel de Directie van BP Nederland V.O.F. deze niet bekrachtigen.”

2.14. In de tussentijd hebben B&W [woonplaats]se Bandenservice bij besluit van 15 februari 2001 bestuursdwang aangezegd wegens, kort gezegd, het ontbreken van vloeistofdichte vloeren en een dampretoursysteem Stage II. [woonplaats]se Bandenservice diende de overtreding binnen de begunstigingstermijn van zes maanden ongedaan te maken onder meer door de exploitatie van het tankstation te staken en de ondergrondse tanks te saneren. [woonplaats]se Bandenservice heeft de exploitatie van het garagebedrijf en tankstation met ingang van 1 januari 2002 beëindigd. BP heeft haar daarvoor een schadeloosstelling uitgekeerd. In een later stadium heeft de Gemeente het perceel van De Veluwe Investments gekocht. In haar opdracht worden thans saneringswerkzaamheden uitgevoerd.

2.15. Op 15 juli 2002 hebben BP en de Gemeente overlegd over de verplaatsing. In het door de Gemeente opgestelde verslag wordt vermeld dat de Gemeente op basis van de tekeningen van de locatie het bestemmingsplan opzet, dat de door BP/LP-gas vervaardigde terreinindeling daarin zal worden verwerkt en dat er een shop zal komen met een omvang van ± 18 bij 12 m met een gemakswinkelconcept, waar hooguit een koffiehoek met statafels als horecafaciliteit zal worden opgenomen. Op 11 oktober 2002 hebben partijen weer overlegd. De Gemeente heeft laten weten dat er een nieuwe portefeuillehouder ruimtelijke ordening is, te weten de heer drs. [ ] [portefeuillehouder]. Verder is er vooral over de veiligheidscontouren van de LPG-installatie gesproken. Dat onderwerp is ook aan de orde gekomen in het daaropvolgende overleg van 10 december 2002. Men heeft toen berekend dat bij een verwachte doorvoer van 500.000 tot 600.000 liter LPG (“1 op 10 van de geprognosticeerde totaalomzet”) de contour 80 m bedraagt. Vervolgbesprekingen hebben plaats gevonden op 11 februari 2003 en 10 juni 2003. Uit het verslag van de bespreking van 10 juni 2003 wordt het volgende gedeelte geciteerd:

“Met het oog op de komende R.O. procedure en de daarbij te verwachten oppositie, wordt aan BP verzocht zo concreet mogelijk de motivering van de verhuizing van het Hasselmanplein zowel qua omvang in geprognosticeerde omzet als naar de schaalgrootte van het station bij de nieuwe locatie aan te geven. Met name vanwege de conclusies uit het DPO van destijds, dat er slechts ruimte in de markt zou zijn voor ca 1 mio liter brandstof, zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat er niet alleen sprake is van een verplaatsing doch ook sprake is van het aanboren van nieuwe marktomzet (vanaf A15 en/of N834). BP zal zich beraden op de vraagstelling. De gemeente geeft aan dat bij een zorgvuldige interne analyse geconcludeerd is dat de motivatie van de impact van de verhuizing op de gevestigde brandstofverkooppunten een belangrijke rol zullen spelen bij de tot stand koming van een raadsbesluit tot wijziging van het bestemmingsplan. BP wordt nogmaals dringend aanbevolen zich over e.e.a. te buigen en goed te beargumenteren.”

2.16. Op 30 juni 2003 heeft BP van Royal Haskoning te Nijmegen, die in opdracht van de Gemeente adviseerde, een tekening ontvangen, die er voor zover relevant als volgt uit ziet:

2.17. Rond 28 juli 2003 is een eerste concept van het bestemmingsplan aan BP verstrekt. De daarbij behorende plankaart d.d. 28 oktober 2002 ziet er, voor zover relevant, als volgt uit:

2.18. Naar aanleiding van de vragen van de Gemeente tijdens het overleg van 10 juni 2003 heeft BP de Gemeente het volgende geschreven bij brief van 29 oktober 2003:

“1. Het basisvolume wordt gevormd door het volume van het voormalige BP station van de heer [betrokkene] aan het [adres]: ca. 1,5 miljoen liter.

2. Verreweg het grootste deel van het volume zal worden aangetrokken van het verkeer op de A 15. BP is langs deze belangrijke rijksweg in het geheel niet vertegenwoordigd. De bewuste locatie ligt zeer dicht nabij de op- en afritten "[woonplaats]-West" van de A 15. Door een actief acquisitiebeleid binnen ons "Routex" klantenbestand verwachten wij van de A 15 ca. 2,5 miljoen liter aan te trekken.

3. Tenslotte verwachten wij verkeer aan te trekken dat als bestemming het McDonalds restaurant (tegenover de lokatie) heeft. Een voorlopige aanname is ca. 0,5 miljoen liter.”

2.19. Op 3 november 2003 is er wederom een bespreking geweest tussen BP en de Gemeente, waarbij de nieuwe wethouder [portefeuillehouder] aanwezig was. [portefeuillehouder] heeft tijdens het overleg aangegeven dat het tankstation aan de Provinciale weg even groot zou moeten zijn als dat aan het [adres]: een 1 op 1 verplaatsing. BP heeft bij brief van19 februari 2004 haar verbazing uitgesproken over de nieuwe wending van het overleg. Bij brief van 1 maart 2004 heeft BP verder toegelicht welke verwachtingen zij had omtrent de omzet op de nieuwe locatie. Bij brieven van 2 april en 12 mei 2004 heeft BP om een reactie van [portefeuillehouder] verzocht.

2.20. De Gemeente heeft hierop gereageerd bij brief van 24 mei 2004, waarin zij het volgende heeft geschreven:

“Het maken van een afspraak lijkt ons vooralsnog niet aan orde omdat onze uitgangspunten niet veranderd zijn. Wij gaan nog steeds uit van het “verplaatsen” van 2 pompen. Uw nadere onderbouwing geeft ons geen aanleiding dit uitgangspunt te verlaten.”

2.21. Op 25 augustus 2004 is er tussen partijen overleg geweest. [portefeuillehouder] heeft aangegeven dat hij uitgaat van een bedrijfsverplaatsing 1:1. BP moest van [portefeuillehouder] gedetailleerder aantonen wat haar “bedrijfsformule” is, een en ander aan de hand van negen door de Gemeente opgegeven vragen. BP heeft de vragen beantwoord en daarbij tevens tekeningen van het tankstation toegestuurd. Op 11 oktober 2004 hebben partijen overlegd over de vragen, waarbij [portefeuillehouder] aanvullende bedrijfsgegevens van BP heeft gevraagd en ook een analyse van de te verwachten schadeclaims. [portefeuillehouder] heeft aangegeven dat B&W uitgaan van een 1 op 1 verplaatsing.

2.22. De Gemeente heeft BP bij brief van 27 december 2004 een voorstel van B&W van 9 november 2004 voor de raad gezonden. Uit dit raadsvoorstel worden de volgende passages geciteerd:

“De nieuwe locatie voor het brandstofverkooppunt is bekend. Voor BP wordt de verplaatsing beoogd naar de oostzijde van de Provinciale weg (N384) ter hoogte van de [lokatie]. De intentieovereenkomst met BP is steeds gekoppeld geweest aan het benzinestation aan het [adres]. In de intentieovereenkomst wordt niets gezegd over de capaciteit die het brandstofverkooppunt op de nieuwe locatie zou moeten hebben. Ons uitgangspunt is dat de capaciteit die BP via een franchise-onderneming aan het [adres] in [woonplaats] had, dus redelijkerwijs ook vergund kan worden aan BP op de nieuwe locatie.”

2.23. Het onderwerp is besproken tijdens de vergadering van de Raadscommissie Stadsontwikkeling en -beheer van 25 januari 2005. BP heeft van haar inspraakrecht gebruik gemaakt en geprotesteerd tegen de eis van de Gemeente dat de capaciteit van het oude station bepalend is voor het nieuwe station. Bij brief van 7 februari 2005 heeft BP haar standpunt nog eens uiteengezet aan de raadscommissieleden. Tijdens overleg tussen BP en de Gemeente op 6 april 2006 heeft [portefeuillehouder] meegedeeld dat B&W uitgaan van een 1 op 1 verplaatsing. BP heeft bij brief van 2 mei 2005 commentaar gegeven op het verslag van de Gemeente.

2.24. BP heeft bij brief van 17 mei 2005 aan de raadscommissieleden een schriftelijke verklaring van die dag gestuurd van de heer mr. [ ] [betrokkene 4], van april 1999 tot september 2003 als consultant betrokken bij de onderhandelingen met BP. In essentie heeft [betrokkene 4] verklaard dat een 1 op 1 verplaatsing in de periode dat hij bij de zaak betrokken is geweest, nooit aan de orde is geweest. Volgens hem was vanaf het begin overeengekomen dat BP aan de Provinciale weg een groter tankstation zou mogen bouwen.

2.25. Het onderwerp is vervolgens aan de orde gekomen tijdens de raadscommissievergadering van 30 augustus 2005. Tijdens deze vergadering heeft BP gebruik gemaakt van haar recht om in te spreken.

2.26. De Gemeente heeft BP bij brief van 1 september 2005 een gewijzigd raadsvoorstel toegestuurd. Uit dit raadsvoorstel worden de volgende passages geciteerd:

“Argumenten

Dit voorstel is gebaseerd op de volgende argumenten:

Ad 2. 1. Intentieovereenkomst

In de jaren tachtig/negentig is gesproken over verplaatsing van het brandstofverkooppunt. In 1996 is een ontwerpbestemmingsplan voor de nieuwe locatie in procedure gebracht. Dit ontwerpbestemmingsplan heeft toen ook ter inzage gelegen. Naar aanleiding van bezwaren van derden is vervolgens een distributie-planologisch onderzoek (DPO) uitgevoerd. Uit dat onderzoek volgde dat de verplaatsing van het brandstofverkooppunt grote gevolgen had voor de bestaande tankstations in het westen van [woonplaats]. Vanwege deze bezwaren en mogelijke planschadeclaims is de bestemmingsplanprocedure vervolgens in 1998 beëindigd nu deze planvorming financieel niet uitvoerbaar bleek.

In 1999 zijn de gesprekken tussen partijen hervat omdat BP naleving van de gemaakte afspraken uit 1994 eiste.

In 2002 zijn de destijds gemaakte afspraken geactualiseerd en neergelegd in een intentieovereenkomst. Het college van burgemeester en wethouders stelt zich op het standpunt dat gezien de planvorming die vóór het totstandkomen van de intentieovereenkomst heeft plaatsgevonden, de gemeente uitgaat van 1 op 1 verplaatsing.

Ad 2.2.BP heeft aangegeven dat 1 op 1 verplaatsing niet interessant voor hen is

De heer [betrokkene 6] heeft (namens BP) tijdens de vergadering van de commissie SOB van 25 januari 2005 aangegeven dat een 1 op 1 verplaatsing voor BP niet interessant is.

Ad 2.3. Visie Wonen en werken

De visie wonen en werken is eind 2004 door u vastgesteld. In deze visie wordt het gebied "Overlinge" aangewezen als een potentiële (zoek)locatie voor het bouwen van woningen. De plaats waar het BP brandstofverkooppunt zou moeten komen valt in dit zoekgebied. In dat licht is het vanuit planologisch oogpunt niet gewenst een brandstofverkooppunt van een door BP gewenste omvang te projecteren, nog afgezien van mogelijke planschadeclaims die niet verhaalbaar zijn.

(…)

Aanpak/uitvoering

Na uw besluit zal aan BP nog éénmaal schriftelijk de 1 op 1 verplaatsing worden aangeboden. In de brief zal ook staan dat de gemeente [woonplaats] met het aanbieden van de 1 op 1 verplaatsing ruim voldoende aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Wanneer BP niet op het aanbod ingaat, zal de gemeente stoppen met de onderhandelingen.”

2.27. De raad heeft dit voorstel in zijn vergadering van 5 oktober 2005 aanvaard. Het besluit is BP meegedeeld bij brief van 20 oktober 2005.

3. Het geschil

3.1. BP vordert dat de rechtbank in een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. voor recht verklaart dat

1. uit de gemeentelijke brief van 24 januari 1994, de overeenkomst van 4 februari 2002 en/of de nadere gesprekken tussen BP en de gemeente in onderlinge samenhang bezien de verplaatsing van het tankstation niet beperkt is tot een “1-op-1-verplaatsing” binnen de gemeente [woonplaats], doch dat deze verplaatsing de vestiging van een aanmerkelijk groter tankstation op de nieuwe locatie mogelijk zou moeten maken.

2. uit de gemeentelijke brief van 24 januari 1994, de overeenkomst van 4 februari 2002 en/of de nadere gesprekken tussen BP en de gemeente een gehoudenheid van de gemeente jegens BP voortvloeit tot medewerking aan een vestiging van een brandstoffenverkooppunt voor eiseres in de gemeente [woonplaats], die niet beperkt blijft tot een “1-op-1-verplaatsing”, doch dat deze verplaatsing de vestiging van een aanmerkelijk groter tankstation op de nieuwe locatie mogelijk zou moeten maken.

3. gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld en/of wanprestatie heeft gepleegd, door (blijvend) te weigeren om medewerking te verlenen aan de vestiging van een brandstoffenverkooppunt voor eiseres in de gemeente [woonplaats], die niet beperkt blijft tot een “1-op-1-verplaatsing”, doch dat deze verplaatsing de vestiging van een aanmerkelijk groter tankstation op de nieuwe locatie mogelijk zou moeten maken.

4. gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld en/of wanprestatie heeft gepleegd, door te weigeren om medewerking te verlenen aan de vestiging van een brandstoffenverkooppunt voor eiseres in de gemeente [woonplaats], dat niet beperkt blijft tot een “1-op-1-verplaatsing”, doch dat deze verplaatsing de vestiging van een aanmerkelijk groter tankstation op de nieuwe locatie mogelijk zou moeten maken.

b. gedaagde veroordeelt aan eiseres te voldoen de schade die eiseres heeft geleden en nog zal lijden in verband met de ontstane vertraging bij de bedrijfsverplaatsing en/of de onverhoopt ontstane onmogelijkheid om deze te realiseren, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2. BP heeft het geschil en haar stellingen als volgt samengevat:

“2. Aanleiding voor deze procedure is een twist tussen de gemeente en BP over de beoogde, door partijen overeengekomen en ook anderszins door partijen bedoelde en besproken omvang van het nieuw te vestigen tankstation. BP is van mening dat overeengekomen en besproken is, en ook aan een dergelijke verplaatsing inherent is, dat een groter, moderner en ruimer opgezet station zou worden gerealiseerd en dat zij anders ook niet aan een dergelijke verplaatsing zou hebben meegewerkt, en dat BP mede daarom steeds heeft mogen uitgaan van een dergelijke verplaatsing en daarop heeft mogen vertrouwen. De gemeente heeft zich op enig moment ruim na de gemaakte afspraken, na vele besprekingen, na plannen en bijbehorende tekeningen van zowel de gemeente als BP, zonder nadere aankondiging vooraf plotseling op het standpunt gesteld dat de beoogde verplaatsing beperkt zou moeten worden tot een zogeheten “1-op 1-verplaatsing”, derhalve een verplaatsing die niet zou leiden tot een verkooppunt met een modernere grotere omvang en capaciteit. Volgens de gemeente mag het beoogde nieuwe station niet groter worden dan het oude. Deze “1-op-1-verplaatsing” is ruim na de totstandkoming van de gemaakte afspraken aan de orde gesteld door de toenmalige nieuwe wethouder van de gemeente [woonplaats], de heer [ ] [portefeuillehouder]. Deze inmiddels weer vertrokken wethouder is echter niet bij het overleg en de besluitvorming betrokken geweest, die hebben geleid tussen de afspraken tussen BP en de gemeente. BP is mede daarom van mening, dat de door deze wethouder later ingebrachte “1-op-1-verplaatsing” geen recht doet aan de gemaakte afspraken, de diverse besprekingen daarover en het vertrouwen dat BP daaraan mocht ontlenen.”

3.3. De Gemeente voert verweer. Zij heeft haar verweer als volgt samengevat:

“5. Ten onrechte stelt BP zich op het standpunt dat uit de brief van de Gemeente van 24 januari 1994, de intentieovereenkomst van februari 2002 en/of uit nadere gesprekken tussen BP en de Gemeente in onderlinge samenhang bezien zou voortvloeien dat de verplaatsing van het tankstation aan het [adres] de vestiging van een aanmerkelijk groter station op de nieuwe locatie aan de Provinciale weg N834 mogelijk zou maken, en dat de Gemeente gehouden zou zijn daaraan haar medewerking te verlenen.

6. De Gemeente heeft jegens BP niet onrechtmatig gehandeld, noch wanprestatie gepleegd.

7. Zij is niet overeengekomen, noch heeft zij het vertrouwen gewekt dat BP mocht uitgaan van de realisering van een groter formaat tankstation langs de Provinciale weg dan het tankstation in de binnenstad aan het [adres]. De Gemeente is dan ook niet gehouden medewerking te verlenen aan de louter door BP beoogde realisering van dat aanmerkelijk grotere station. De Gemeente is evenmin gehouden tot betaling van de door BP gestelde schadevergoeding wegens wanprestatie en/of onrechtmatig handelen. De Gemeente betwist bovendien uitdrukkelijk dat sprake zou zijn van enige schade aan de zijde van BP, althans schade ten gevolge van enig handelen of nalaten van de Gemeente.”

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Beroep op verjaring en op misbruik van procesrecht

4.1. De Gemeente voert het verweer dat de vordering is verjaard. Dit verweer wordt verworpen. BP vordert - naast een aantal verklaringen voor recht uiteindelijk- schadevergoeding wegens wanprestatie en/of een onrechtmatige daad van de Gemeente. Op grond van art. 3:310 lid 1 BW verjaart zo’n rechtsvordering onder meer na verloop van vijf jaren nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. BP heeft gesteld dat zij voor het eerst op de hoogte raakte van de “1-op-1-eis” van de Gemeente tijdens het overleg op 3 november 2003, toen wethouder [portefeuillehouder] voor het eerst deelnam aan de besprekingen over de verplaatsing en die eis kenbaar maakte. Eerst toen was zij ermee bekend dat de Gemeente niet meer wilde meewerken aan de vestiging van een aanmerkelijk groter verkooppunt dan volgens haar tussen partijen was afgesproken. Eerst toen is de verjaringstermijn gaan lopen. Deze termijn is gestuit bij brief van 20 oktober 2005. De rechtsvordering is daarom niet verjaard.

4.2. De Gemeente voert verder het verweer dat BP misbruik van procesrecht maakt, omdat deze vier verklaringen voor recht vordert. Dit verweer faalt, omdat het vorderen van vier verklaringen voor recht geen misbruik van procesrecht oplevert. Hierna zal worden beoordeeld of en zo ja in welke mate de verklaringen voor recht toewijsbaar zijn.

De “1-op-1-eis”

4.3. BP stelt dat de Gemeente wanprestatie en/of een onrechtmatige daad heeft gepleegd door vanaf 3 november 2003 de eis te stellen dat het tankstation aan de Provinciale weg even groot diende te zijn als dat aan het [adres]. Volgens BP heeft de Gemeente daarmee in strijd gehandeld met de brief van 24 januari 1994, de intentieovereenkomst van 19 februari 2002 en/of de nadere gesprekken tussen partijen, omdat de “1-op-1-eis” afwijkt van wat daar is afgesproken.

4.4. De brief van B&W van 24 januari 1994 en de intentieovereenkomst van 19 februari 2002 bevatten in essentie de afspraak dat de Gemeente planologische medewerking zal verlenen aan vestiging van een nieuw tankstation aan de Provinciale weg en dat BP zorg zal dragen voor beëindiging van het tankstation aan het [adres]. De intentieovereenkomst is een meerzijdige obligatoire overeenkomst als bedoeld in art. 6:213 BW, waarbij de Gemeente de (inspannings-)verbintenis is aangegaan haar planologische medewerking te verlenen aan vestiging van een nieuw tankstation. De inhoud van die verbintenis moet worden vastgesteld door uitleg van de bepalingen van de intentieovereenkomst. Daarbij komt het niet aan op een zuiver taalkundige uitleg van de intentieovereenkomst, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de intentieovereenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-criterium). Na het sluiten van de intentieovereenkomst voorgevallen feiten mogen worden betrokken bij de uitleg (HR 20 mei 1994, NJ 1994, 574).

4.5. Partijen verschillen van mening over de vraag aan welk plan de Gemeente haar planologische medewerking had moeten verlenen. Daarvoor is van belang dat de Gemeente in mei 1997 een DPO naar de markt voor motorbrandstoffen in [woonplaats] heeft laten verrichten, omdat een concurrent, het Total-tankstation aan de [straat] te [woonplaats], bezwaar had gemaakt tegen de BP-vestiging aan de Provinciale weg. BRO is in haar rapport van 8 oktober 1997 tot de volgende conclusie gekomen:

“Verplaatsing van het Mobil/BP-station aan het [adres] naar de Provinciale weg S104 is niet gewenst daar dit station dan een aanzienlijk grotere claim op het [woonplaats]se omzetpotentieel legt (minimaal 4 miljoen liter). Deze grotere claim wordt het sterkst gevoeld bij de bestaande, en eveneens moderne stations van Shell aan de[woonplaats]raat] en van Total aan de [straat] die de westelijke uitgaande route al naar behoren afdekken.”

4.6. Op basis van dit advies hebben B&W in hun vergadering van 3 februari 1998 besloten geen medewerking meer te verlenen aan de vestiging van een tankstation aan de Provinciale weg. Toen BP daarop dreigde met een procedure in verband met het niet nakomen van een toezegging, zijn B&W van dit standpunt terugkomen en hebben zij bij brief van 11 december 2000 de bestaande afspraken met BP herbevestigd. Daarin wordt niet vermeld dat het tankstation niet de omvang zal kunnen hebben waarvan BRO is uitgegaan. Een en ander is vervolgens vastgelegd in de intentieovereenkomst van 19 februari 2002, waarin een dergelijke restrictie ook niet is opgenomen. Uit het raadsvoorstel voor de intentieovereenkomst blijkt hoezeer de Gemeente moest laveren tussen Scylla en Charybdis: werkte zij niet mee aan vestiging van een tankstation aan de Provinciale weg, dan zou BP schadevergoeding vorderen; werkte zij wel mee, dan zou Total schadevergoeding vorderen. De Gemeente besloot tot het verlenen van planologische medewerking aan de vestiging van een BP-tankstation aan de Provinciale weg mede op basis van de volgende zin uit het raadsvoorstel:

“Daarbij hebben wij overwogen dat de gemeentelijke overheid tot taak heeft faciliteiten en randvoorwaarden te scheppen voor het functioneren van de lokale brandstoffenmarkt en voorts terughoudendheid dient te betrachten bij het beoordelen van onderlinge concurrentieverhoudingen.”

4.7. Uit die zin heeft BP het gerechtvaardigde vertrouwen mogen putten dat de Gemeente de kwestie in hoeverre de omzet vanuit het nieuwe tankstation invloed zou hebben op de omzet van de concurrentie, terughoudend zou beoordelen. In het daarop volgende overleg tussen BP en de ambtelijke delegatie van de Gemeente blijkt dat partijen uit zijn gegaan van een tankstation, zoals BP dat voor ogen heeft, dus met een omvangrijke omzet. BP is dan ook tijdens het overleg van 10 juni 2003 gevraagd om goed te verantwoorden dat een dergelijk tankstation inpasbaar is:

“Met het oog op de komende R.O. procedure en de daarbij te verwachten oppositie, wordt aan BP verzocht zo concreet mogelijk de motivering van de verhuizing van het Hasselmanplein zowel qua omvang in geprognosticeerde omzet als naar de schaalgrootte van het station bij de nieuwe locatie aan te geven. Met name vanwege de conclusies uit het DPO van destijds, dat er slechts ruimte in de markt zou zijn voor ca 1 mio liter brandstof, zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat er niet alleen sprake is van een verplaatsing doch ook sprake is van het aanboren van nieuwe marktomzet (vanaf A15 en/of N834).”

4.8. Uit dit alles blijkt dat partijen in 2000 de draad weer hebben opgepakt om te komen tot vestiging van een BP-tankstation aan de Provinciale weg met een schaalgrootte zoals BP die toen voor ogen stond en zoals die al vanaf in ieder geval 1997 aan de Gemeente bekend was. Uit de schriftelijke stukken blijkt niet dat de Gemeente vóór het sluiten van de intentieovereenkomst een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de omvang van het tankstation. Partijen hebben na het sluiten van de intentieovereenkomst ruim anderhalf jaar met elkaar onderhandeld over de vestiging van een groot BP-tankstation, totdat wethouder [portefeuillehouder] op 3 november 2003 liet weten dat de Gemeente alleen wilde meewerken aan een verplaatsing 1 op 1, er vervolgens zes maanden het stilzwijgen toe deed om op 24 mei 2004 kort te berichten dat verder overleg niet nodig was, omdat de Gemeente uitging van verplaatsing van twee pompen.

4.9. Met het sluiten van de intentieovereenkomst was deze bruuske koerswijziging een gepasseerd station geworden, zodat de Gemeente door die koerswijziging toch in te zetten wanprestatie tegenover BP pleegde. De Gemeente kon immers op 3 november 2003 niet meer de eis stellen dat zij alleen haar planologische medewerking aan vestiging van een BP-tankstation zou verlenen, als dit qua omzet even groot zou zijn als het tankstation aan het [adres]. Aan die conclusie zou alleen te ontkomen zijn, als aan BP vóór het sluiten van de intentieovereenkomst te kennen was gegeven dat het om een “1-op-1-verplaatsing” zou gaan. Op verzoek van BP is voor deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor gehouden over de besprekingen tussen partijen (zaak-/rekestnummer 153147 / HA RK 07-62). BP heeft in enquête de heren [ ] [getuige 1], bedrijfsjurist van BP, [ ] [betrokkene 4], destijds als externe consultant werkzaam voor de Gemeente, en [getuige 2], projectontwikkelaar bij BP, laten horen. De Gemeente heeft in contra-enquête haar ambtenaren de heren [ ] [getuige 3], [ ] [getuige 4] en [ ] [getuige 5] laten horen.

4.10. Getuige [betrokkene 6] heeft over dit punt onder meer verklaard:

“Tot het moment dat er bij de gemeente een nieuwe portefeuillehouder kwam, wethouder [portefeuillehouder], ging ook de gemeente steeds uit van een groter station.

4.11. Getuige [getuige 1] heeft over dit punt onder meer verklaard:

“In deze periode was een één op één verplaatsing niet aan de orde, dat is pas jaren later gekomen. In deze periode is door de gemeente nooit aangegeven dat er geen groter tankstation mogelijk was. Uit de tekeningen bleek duidelijk dat een groter tankstation voorzien was met veel opstelplaatsen en een grote gemakswinkel. In het eerste gesprek dat [betrokkene 6] en ik hadden met de nieuwe wethouder [portefeuillehouder] kwam de gemeente voor het eerst met een ander standpunt.”

4.12. Getuige [betrokkene 4] heeft over dit punt onder meer verklaard:

“U vraagt mij of er is gesproken over de omvang van het nieuwe verkooppunt. Ja er is over gesproken dat er aan de N834 een modern, goed geoutilleerd en economisch exploitabel verkooppunt zou komen. (…) De gemeente voelde zich niet geroepen om enige economische sturing met betrekking tot de omvang van het tankstation aan te brengen.(…)

In de periode dat ik bij de gemeente [woonplaats] betrokken ben geweest is niet aan de orde geweest dat het nieuwe verkooppunt van BP niet groter mocht zijn dan het oude station in de stad. (…)

Ik ben tot 1 september 2003 werkzaam geweest voor de gemeente [woonplaats]. Mij is in dat kader niet de discussie over een 1 op 1 verplaatsing ter ore gekomen.”

4.13. Getuige [getuige 3] heeft over dit punt verklaard:

“Ik ben zelf niet direct betrokken geweest bij het totstandkomen van de intentieovereenkomst. (…) Gevraagd naar ontwikkelingen eind 2003: (…) [portefeuillehouder] heeft direct de vraag gesteld wat we aan het doen waren. De 1 op 1 discussie is toen op scherp gesteld en heel nadrukkelijk door de gemeente als standpunt ingenomen. Tot dat moment is de grootte nooit zo concreet ter tafel gekomen.

(…) Over de 1 op 1 beslissing: ik durf niet te zeggen uit wiens koker die oplossing komt. Die is wel direct ontstaan vanaf dat [portefeuillehouder] portefeuillehouder werd.”

4.14. Getuige [getuige 4] heeft over dit punt verklaard:

“Mijn gesprek met BP was oriënterend, aftastend of er überhaupt een verplaatsingsverplichting was. Dat was niet het gesprek dat rechtstreeks tot de gesloten intentieovereenkomst heeft geleid. Als gemeentesecretaris heb ik destijds wel steeds voorstellen aan het college daarover voorbij zien komen, maar bij de overeenkomst zelf ben ik niet betrokken geweest. Ik heb nooit enige tekening gezien. (…)

Aan BP is door de gemeente nooit gezegd destijds dat de verplaatsing één op één zou zijn. Dat was immers geen issue omdat het usance was en dat wist ook een partij als BP.”

4.15. Getuigen [getuige 5] heeft onder meer verklaard:

“Ik kan me niet herinneren dat BP de grootte van het pompstation ooit heeft aangekaart. (…). De gemeente heeft nooit bevestigd dat zo’n grote shop er zou komen, maar er is ook nooit gezegd dat dat niet het geval zou kunnen zijn.”

4.16. De getuigenverklaringen weerspreken elkaar niet: tot de komst van wethouder [portefeuillehouder] is niet aan BP meegedeeld dat het zou gaan om een “1-op-1-verplaatsing”. Op basis van hetgeen in 4.5 - 4.7 is overwogen, mocht BP er dus op vertrouwen, toen zij de intentieovereenkomst sloot, dat zij op de nieuwe locatie aan de Provinciale weg een groter tankstation zou mogen bouwen dan het tankstation op het [adres]. De Gemeente heeft daarom vanaf 3 november 2003 wanprestatie gepleegd door geen planologische medewerking te verlenen aan de vestiging van zo’n groter tankstation.

4.17. Dit brengt echter niet mee dat voor BP geen beperkingen gelden voor de omvang van het te vestigen tankstation aan de Provinciale weg. Uit het DPO van BRO blijkt dat een tankstation op die plaats leidt tot een overaanbod van motorbrandstoffen in het westelijke deel van [woonplaats]. In dat verband heeft [betrokkene 2] van het Total-tankstation aan de [straat] gedreigd met een schadevergoedingsvordering, als BP een tankstation zou mogen vestigen aan de Provinciale weg. Met deze zorgen voor de Gemeente heeft BP als onderhandelingspartner rekening te houden. Vóór de inbreng van wethouder [portefeuillehouder] had de Gemeente daarvoor al aandacht gevraagd (zie het verslag van 10 juni 2003, weergegeven in 2.15 en 4.7).

4.18. De Gemeente heeft opgeworpen dat BP alleen gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op vestiging van een groter tankstation, als zij op basis van dit vertrouwen heeft gehandeld en daardoor schade heeft geleden. Dit verweer wordt verworpen. In deze procedure staat de vraag centraal aan welk plan van BP de Gemeente haar planologische medewerking moet verlenen. Hiervóór is dat vastgesteld aan de hand van uitleg van de bepalingen van de intentieovereenkomst. Bij het uitleggen van een contractsbepaling is niet van belang dat een der partijen in vertrouwen op de door hem verdedigde uitleg heeft gehandeld en daardoor schade zal lijden als die uitleg niet wordt gevolgd: de Haviltex-norm kent geen nadeelvereiste. Overigens heeft BP voldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden (zie verder 4.21).

4.19. De Gemeente heeft verder het verweer gevoerd dat BP niet of nauwelijks betrokken is geweest bij de beëindiging van de exploitatie van het tankstation aan het [adres]: [betrokkene] heeft de exploitatie zelf beëindigd en de Gemeente heeft de grond gekocht en de sanering voor haar rekening genomen. Dit verweer wordt ook verworpen. Het feit dat [woonplaats]se Bandenservice de exploitatie vrijwillig heeft beëindigd op 1 januari 2002, impliceert niet dat BP daardoor haar verplichtingen niet is nagekomen en al helemaal niet dat de Gemeente daardoor haar verplichtingen niet zou behoeven na te leven. Over sanering is niets geregeld in de intentieovereenkomst.

4.20. De Gemeente voert ten slotte het verweer dat zwaarwegende maatschappelijke opvattingen zich verzetten tegen honorering van het opgewekte vertrouwen. Het belang van een goede ruimtelijke ordening en de belangen van derden zouden dan in het gedrang komen. Voor zover de Gemeente hiermee een beroep heeft willen doen op onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat BP naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten (art. 6:258 lid 1 BW), faalt het verweer. De uitkomsten van het BRO-onderzoek waren aan de Gemeente bekend, zodat zij geen onvoorziene omstandigheden waren als in het artikel bedoeld.

4.21. Op grond van al het voorgaande zal de verklaring voor recht aldus worden toegewezen dat de Gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen van de intentieovereenkomst door zich vanaf 3 november 2003 op het standpunt te stellen dat zij alleen planologische medewerking wilde verlenen aan de vestiging van een tankstation aan de Provinciale weg dat qua omzet even groot was als het tankstation aan het [adres]. Tevens zal de Gemeente worden veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Het is aannemelijk dat BP schade heeft geleden, omdat de Gemeente niet heeft meegewerkt aan vestiging van het tankstation aan de Provinciale weg.

4.22. De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Tot op heden bedragen de kosten aan de zijde van BP het vast recht van € 303,00, de getuigentaxen van € 500,00 en het salaris advocaat van € 1.808,00, tezamen € 2.611,00.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de Gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen van de intentieovereenkomst door zich vanaf 3 november 2003 op het standpunt te stellen dat zij alleen planologische medewerking wilde verlenen aan de vestiging van een tankstation aan de Provinciale weg dat qua omzet even groot was als het tankstation aan het [adres],

5.2. veroordeelt de Gemeente in verband met de in 5.1 omschreven wanprestatie tot schadevergoeding nader op te maken bij staat,

5.3. veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van BP begroot op EUR 2.611,00,

5.4. verklaart het onder 5.2 en 5.3 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2009.