Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ2174

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
05/503249-09, 05/602275-07 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op paviljoen de Posbank: Verdachte en zijn medeverdachten hebben d.d. 16 maart 2009 een gewapende overval gepleegd op horecagelegenheid Paviljoen De Posbank. Daarbij hebben de daders door geweld en bedreiging met geweld de medewerkers van de horecagelegenheid gedwongen tot afgifte van een geldbedrag en een aantal portemonnees, waarbij zij deze medewerkers hebben geboeid met tape en zijn ontvlucht. Straf: Gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Geëist was 60 maanden, maar de rechtbank vond dit te hoog gelet op eerder opgelegde straffen in soortgelijke zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/503249-09, 05/602275-07 (tul)

Datum zitting : 23 juni 2009

Datum uitspraak : 10 juli 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

raadsman : mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 maart 2009 in de gemeente Rheden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag van ongeveer 11.000 euro en/of een aantal portemonnees, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan paviljoen de Posbank,

althans de rechthebbende(n) op de gelden en/of goederen van paviljoen de

Posbank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen E.C. [slachtoffer1] en/of P.[slachtoffer2]

en/of J. [slachtoffer3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het

bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

dreigend (een) vuurwapen(s), althans een op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e)

voorwerp(en), op voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben gericht en/of gericht

heeft/hebben gehouden en/of voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben geboeid met

tape;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 16 maart 2009 in de gemeente Rheden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld J. [slachtoffer3] en/of E.C. [slachtoffer1] en/of

P. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer

11.000 euro en/of een aantal portemonnees, in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan paviljoen de Posbank, althans aan de

rechthebbende(n) op de gelden en/of goederen van paviljoen de Posbank, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend (een) vuurwapen(s), althans een

op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), op voornoemde perso(o)n(en)

heeft/hebben gericht en/of gericht heeft/hebben gehouden en/of voornoemde

perso(o)n(en) heeft/hebben geboeid met tape;

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 05/602275-07.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 23 september 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

P.C. [naam] heeft zich namens de benadeelde partij Paviljoen De Posbank B.V., schriftelijk in het geding gevoegd.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld onder de nummers 38, 41 en 44 op de aangehechte beslaglijst verbeurd zullen worden verklaard en de inbeslaggenomen goederen, zoals vermeld onder de nummers 30 en 33 op de aangehechte beslaglijst, zullen worden onttrokken aan het verkeer. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de goederen, zoals vermeld onder de nummers 31, 32, 34 t/m 37, 39, 40, 43 en 45 op de aangehechte beslaglijst zullen worden teruggegeven aan de rechthebbenden.

De officier van justitie heeft voorts verzocht de vordering van de benadeelde partij Paviljoen De Posbank B.V. niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van 4 maanden gevangenisstraf die door de meervoudige kamer in dit arrondissement op 17 maart 2008 voorwaardelijk is opgelegd.

Daarnaast heeft de officier van justitie aangekondigd dat er een ontnemingsvordering tegen verdachte zal volgen.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie hem ten onrechte slechts inzage in en geen kopieën heeft verstrekt van het zogeheten BOB-dossier in een ander strafrechtelijk onderzoek, te weten Roetbij II. Hij meent dat dit dossier dient te worden gerekend tot de processtukken, waarvan de raadsman - met het oog op een degelijke voorbereiding - tijdig de beschikking moet krijgen. De raadsman acht door het weigerachtige standpunt van het openbaar ministerie de beginselen van ‘gelijkheid van instrumenten’ en ‘eerlijk proces’ van het EVRM in zodanige mate opzettelijk geschonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie bestrijdt dit standpunt. Hij geeft aan dat het hier gaat om stukken uit een andere zaak. Het is sinds jaar en dag beleid de raadsman hiervan inzage te verschaffen en - indien de raadsman daartoe een redelijk onderbouwd verzoek doet – tevens afschriften. De raadsman heeft inzage verkregen en slechts een algemeen, niet specifiek onderbouwd verzoek gedaan om kopieën.

Beoordeling van de standpunten

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen die stukken in het dossier te worden gevoegd die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. Dit houdt echter niet in dat een raadsman recht heeft op inzage in en afschriften van alle informatie die mogelijk betrekking heeft op zijn cliënt. In een andere strafzaak had het hof namelijk een verzoek van de raadsman afgewezen om de zogeheten ‘Nijmeegse mappen’ in te mogen zien, omdat het verzoek, dat de strekking had materiaal uit andere opsporingsonderzoeken aan het dossier toe te voegen, zodanig onbestemd was dat honorering ervan niet in het belang van het onderzoek noodzakelijk was te achten. De Hoge Raad liet die beslissing in stand.

In deze strafzaak gaat het om tapverslagen die mede ten grondslag lagen aan het ontstaan van een verdenking tegen verdachte. Deze (belastende) tapverslagen zijn aan het dossier van verdachte toegevoegd. Aan de raadsman is bovendien inzage(mogelijkheid) gegeven in de BOB-stukken die aan deze taps ten grondslag lagen. De rechtbank heeft ter zitting kennis genomen van deze (niet omvangrijke) stukken en deze alsnog aan het strafdossier toegevoegd, onder verstrekking van kopieën aan de raadsman. De raadsman heeft (ook na ter zitting wederom de mogelijkheid te hebben gehad deze te bestuderen) geen concrete aanwijzingen aangedragen dat bij de totstandkoming van de tapmachtigingen (of in het onderzoek daarvóór) onregelmatigheden zouden zijn begaan. Ook de rechtbank heeft dergelijke aanwijzingen overigens niet gevonden.

Zoals hiervoor blijkt, vindt het standpunt van de raadsman dat hij te allen tijde recht heeft op kopieën van alle BOB-stukken, geen onvoorwaardelijke steun in het recht. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie of uitsluiting van de desbetreffende tapverslagen van het bewijs bestaat derhalve geen aanleiding. Het verdedigingsbelang is ook op andere wijze niet in betekenisvolle mate geschonden, nu de raadsman vooraf inzage(mogelijkheid) heeft gehad in de desbetreffende BOB-stukken en deze stukken niet zo omvangrijk zijn dat bestudering daarvan bij wijze van inzage of tijdens een onderbreking van de zitting onmogelijk zou zijn. Ook overigens heeft de raadsman geen steekhoudende argumenten aangedragen voor nader onderzoek, die zouden nopen tot aanhouding van deze zaak. De rechtbank heeft daartoe ook zelf geen reden gevonden. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen kunnen de navolgende feiten worden vastgesteld:

Op 16 maart 2009 is in de gemeente Rheden een gewapende overval gepleegd op horecagelegenheid Paviljoen De Posbank. Daarbij hebben de daders tezamen en in vereniging, met het oogmerk zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer3], [slachtoffer1] en [slachtoffer2] gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 11.000 euro en een aantal portemonnees. Voornoemde goederen behoorden geheel toe aan de eigenaar van Paviljoen De Posbank. De bedreigingen met geweld en het geweld dat de daders hebben uitgeoefend bestond uit het opzettelijk dreigend richten en gericht houden van een vuurwapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer3], [slachtoffer1] en [slachtoffer2]. Daarnaast hebben de daders deze personen geboeid met tape.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair aan verdachte tenlastegelegde kan worden bewezen. De officier van justitie heeft betoogd dat de betrokkenheid van verdachte bij de overval onder andere blijkt uit de verklaringen zoals die door getuige [getuige1] en de medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] zijn afgelegd. Met name de laatste twee hebben gedetailleerde verklaringen afgelegd omtrent de betrokkenheid van verdachte, welke verklaringen qua inhoud en tijdslijn in overeenstemming zijn met de diverse tapgesprekken die zich in het dossier bevinden. Daarnaast heeft de officier van justitie bepleit dat de betrokkenheid van verdachte bij de overval, behalve uit de afgelegde verklaringen ook blijkt uit het feit dat een bordeauxrode Volvo 440, zoals verdachte er een bezit, door diverse getuigen is opgemerkt in de nabijheid van de Paviljoen de Posbank op 16 maart 2009. De verklaring van verdachte hieromtrent, dat hij de Volvo mogelijk zou hebben verhuurd aan een onbekende ten tijde van het feit, acht de officier van justitie ongeloofwaardig. Dit geldt eveneens voor de verklaring van verdachte dat hij om ‘veiligheidsredenen’ niet heeft willen verklaren waar hij ten tijde van de overval verbleef. Tenslotte heeft de officier van justitie aangevoerd dat de betrokkenheid van verdachte eveneens vast is komen te staan nu er op de rol tape, die door de overvallers is gebruikt om de slachtoffers te boeien, celmateriaal is aangetroffen van verdachte.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting iedere betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde ontkend. Verdachte heeft hiertoe aangevoerd dat de medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] kennelijk ‘iets’ gedaan hebben en dat hij hiervan onterecht de schuld krijgt. Voorts heeft verdachte aangegeven zich niet meer precies te kunnen herinneren waar hij ten tijde van de overval verbleef en dat hij zijn auto op dat moment had uitgeleend aan een onbekende.

Beoordeling van de standpunten

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van verdachte dat hij niet betrokken is geweest bij de overval op het paviljoen bij de Posbank als volgt.De verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] komen er –kort gezegd– op neer dat verdachte betrokken is geweest bij de overval op Paviljoen de Posbank op 16 maart 2009. Ten aanzien van de rol van verdachte bij de planning en uitvoering van de overval hebben zij uitvoerige, gedetailleerde, - innerlijk en onderling - consistente verklaringen afgelegd. Zo heeft medeverdachte [medeverdachte1] verklaard dat zij voorafgaand aan de overval samen met verdachte bivakmutsen heeft gemaakt en dat zij op 16 maart 2009 samen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte3] met de bordeauxrode Volvo 440 van verdachte naar Paviljoen De Posbank is gereden om vervolgens de overval te plegen. Gezien het voorgaande en het feit dat door aldus te verklaren zij ook zichzelf ernstig hebben belast en gelet op het ontbreken van andere contra-indicaties voor het waarheidsgehalte van deze verklaringen dan de ontkenning van verdachte, acht de rechtbank de afgelegde verklaringen betrouwbaar en geloofwaardig en derhalve bruikbaar als bewijs. Behalve de volledig bekennende verklaringen van deze twee medeverdachten verwijst ook de verklaring van getuige [getuige1], naar de betrokkenheid van verdachte bij de overval. De getuige heeft bij de politie verklaard dat hij verdachte en zijn medeverdachten op 16 maart 2009 ’s middags nabij het huis van medeverdachte [medeverdachte2] heeft opgehaald met zijn auto. Tijdens de autorit zouden verdachte en medeverdachte [medeverdachte3] hebben verteld zojuist een bivakmuts te hebben gedragen en herhaaldelijk hebben gezegd ‘het is gelukt, het is gelukt’. Ook zouden verdachte en medeverdachte [medeverdachte3] tijdens de autorit uitspraken gedaan hebben zoals ‘dat die vrouw echt bang was’ en ‘het geeft je echt een machtig gevoel’. Daarnaast heeft de getuige verklaard dat hij later gehoord heeft dat verdachte zou hebben gezegd: ‘ik kan nu zelfs een Audi A3 kopen’.Tijdens de rit zouden de verdachten volgens [getuige1] een tas –naar zijn idee– gevuld met geld bij zich hebben gehad. Eveneens hebben verdachte een zijn medeverdachte [medeverdachte3] een wapen laten zien aan getuige [getuige1]. Twee dagen na de overval heeft verdachte een Audi A4 gekocht en op zijn naam laten zetten. Gezien al het voorgaande en het feit dat het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen op de rol tape waarmee de werknemers van het paviljoen zijn geboeid zal de rechtbank het verweer van de verdachte verwerpen.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrij¬spreken. De rechtbank overweegt hiertoe dat naar haar oordeel de door verdachte verrichte wegnemingshandelingen dienen te worden gekwalificeerd als ‘afgifte’ in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht en niet als ‘wegnemen’ zoals primair aan verdachte is tenlastegelegd. Verdachte en zijn medeverdachte hebben immers de medewerkers van het paviljoen onder bedreiging met een vuurwapen gedwongen de kluis te openen waarop één van de medewerksters de aanwezige afstortzak en muntgeld aan verdachte en zijn medeverdachte heeft afgeven. Ook de portemonnees zijn door deze medewerkster van het paviljoen, onder dreiging van een vuurwapen, afgegeven aan verdachte en zijn medeverdachten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 16 maart 2009 in de gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld J. [slachtoffer3] en E.C. [slachtoffer1] en P. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 11.000 euro en een aantal portemonnees, geheel toebehorende aan de rechthebbenden op de gelden en goederen van paviljoen de Posbank, welk

geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend een vuurwapen, en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op voornoemde personen hebben gericht en gericht hebben gehouden en voornoemde

personen hebben geboeid met tape.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van subsidiair:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel of gedeeltelijk uitsluiten met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 12 juni 2009 en een voorlichtingsrapport van IrisZorg, gedateerd 11 juni 2009, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt. Verdachte heeft samen met een ander een overval gepleegd op een restaurant te Rheden. Bij deze overval hebben zowel verdachte als zijn mededader de op dat moment in het restaurant aanwezige werknemers bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Een van de slachtoffers werd gedwongen de kluis open te maken en moest verdachte en zijn mededader helpen het geld te pakken. Verdachte en zijn mededader hebben de drie aanwezige personen vervolgens met tape vastgebonden.

De overval was door verdachte en zijn medeverdachte al eerder gepland en goed voorbereid. Er was geen sprake van een impulsieve daad.

In het algemeen geldt dat slachtoffers van een dergelijke overval vaak nog lange tijd last hebben van de psychische gevolgen. In dit geval is gebleken dat één van de slachtoffers daarvoor momenteel in therapie is en dat nog niet duidelijk is hoe lang dit nog zal duren.

De officier van justitie heeft voor de afdoening van dit feit een gevangenisstraf geëist voor de duur van 5 jaren.

De raadsman heeft aangevoerd dat de geëiste gevangenisstraf te hoog. Er dient gekeken te worden naar de straffen die in soortgelijke zaken door de rechtbank Arnhem en door andere rechtbanken zijn opgelegd. Deze straffen zijn over het algemeen lager dan de straf die de officier van justitie in dit geval heeft geëist.

De rechtbank is van oordeel dat voor een gewapende overval een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel een passende straf is. De rechtbank deelt de visie van de raadsman dat de door de officier van justitie geëiste straf te hoog is. Daar staat tegenover dat de door de raadsman aangehaalde zaken niet (geheel) vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Met name het feit dat verdachte reeds eerder en ook recent (in 2008) nog is veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf maakt dat de op te leggen straf hoger uitvalt.

Daarnaast is van belang dat er in dit geval sprake was van meerdere daders, tenminste één vuurwapen en dat er drie slachtoffers waren die zijn vastgebonden. Ten slotte komt de rechtbank ook met het oog op de generale preventie uit op gevangenisstraf van een langere duur dan door de raadsman is bepleit.

Gelet op de ernst van de feiten, de eerdere veroordelingen van verdachte en de straffen die in vergelijkbare zaken worden heeft opgelegd acht de rechtbank een gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden.

6a. Ten aanzien van het beslag

Ten aanzien van de afwikkeling van het beslag zal de rechtbank het standpunt van de officier van justitie volgen, met dien verstande dat het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 280,35,- (zie nummer 41 op de aangehechte beslaglijst) niet verbeurd zal worden verklaard maar met toepassing van artikel 353, tweede lid, onderdeel b Wetboek van Strafvordering. zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten Paviljoen De Posbank B.V., nu deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst onder de nummers 38 en 44 (Volvo kenteken [nummer]), zijn voorwerpen met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid. De rechtbank zal deze voorwerpen verbeurd verklaren en het verzoek van de verdediging de Volvo aan verdachte terug te geven afwijzen.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst onder de nummers 30 en 33 dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst onder de nummers 31, 32, 34 t/m 37, 39, 40, 43 en 45 dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbenden. Over de Audi zal de rechtbank geen beslissing nemen, aangezien hierop inmiddels conservatoir beslag rust.

6b. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De gemachtigde P.C. [naam] heeft namens de benadeelde partij Paviljoen De Posbank B.V. een bedrag van € 11.910,50,- gevorderd.

De rechtbank zal, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat deze vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De rechtbank acht zonder nadere stukken onvoldoende duidelijk of, en zo ja voor welk gedeelte, de schade is vergoed door de verzekering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

6c. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie juist. Zij zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank in dit arrondissement d.d. 17 maart 2008 onder parketnummer 05/602275-07.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14g, 14 h, 14i, 14 j, 27, 36b, 36d, 47, 312 en 317, van het Wetboek van Strafrecht .

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

En voorts

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst onder de nummers 38 en 44.

En voorts

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwer¬pen zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst onder de nummers 30 en 33.

En voorts

Beveelt de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, zoals vermeld in de aangehechte beslaglijst onder de nummers 31, 32, 34 t/m 37, 39, 40, 43 en 45 en het 1 dollarbiljet, bedoeld onder 41.

En voorts

Beveelt dat het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 280,35,- wordt teruggegeven aan Paviljoen De Posbank B.V.,

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Paviljoen De Posbank B.V.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem, d.d. 17 maart 2008, onder parketnummer 05/602275-07.

Aldus gewezen door:

mr. P.A.H. Lemaire, voorzitter, mrs. E.M. Vermeulen en V. van der Kuil, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juli 2009.