Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1798

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/4711
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom, gericht tegen zonder bouwvergunning aangebrachte voorzieningen. Sprake van bouwen van beperkte betekenis in de zin van art. 43, eerste lid, onder c van de Woningwet en art. 3, eerste lid, onder k van het Bblb?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4711

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 9 juni 2009

inzake

[naam eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. F.B.M. van Aanhold,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 september 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2008 heeft verweerder (onder meer) eiseres, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000 ineens, gelast om vóór 1 september 2008 alle woontechnische voorzieningen, te weten het keukenblok incl. toebehoren, de wastafel incl. toebehoren, de douchekop, de kranen en toiletpot incl. stortbak en de douchebak, op de zolderverdieping van het gebouw op het perceel kadastraal bekend gemeente [naam gemeente], sectie U, nummer 4944, gelegen achter de woning aan de [adres] te [plaats], te verwijderen en alle aansluitingen van water en gas onklaar te maken. Daarbij is vermeld: "De zolderverdieping dient zodanig ongeschikt gemaakt te worden voor bewoning (door het verwijderen van de genoemde voorzieningen) dat deze niet meer op eenvoudige wijze als woonruimte in gebruik kan worden genomen".

Bij besluit van 29 augustus 2008 is de termijn waarbinnen aan de lastgeving moet zijn voldaan verlengd tot zes weken na de datum van bekendmaking van het te nemen besluit op het ingediende bezwaar.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 april 2009. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. F.B.M. van Aanhold. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem.

3. Overwegingen

Eiseres is mede-eigenares van het pand, gelegen achter [adres] te [plaats], door de toenmalige bewoners aangeduid als [adres2] te [plaats]. Op 12 juli 2007 is van de zijde van verweerder geconstateerd dat verbouwingen aan de zolderverdieping hebben plaatsgevonden en dat deze ruimte als woonverblijf was ingericht met een keuken, douche en slaap- en woonkamer. Voor deze bouwwerkzaamheden is geen bouwvergunning verleend.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, voor zover hier van belang, wordt onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, voor zover hier van belang, is het verboden een bouwwerk dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, voor zover hier van belang, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb), wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt: het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1o de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie van dat bouwwerk,

2o de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid, en

3o het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 5 juli 2006 (LJN: AY0334), stelt de rechtbank voorop dat de verschillende bouwwerkzaamheden waarop de lastgeving ziet naar haar oordeel als één bouwkundig samenhangend geheel moeten worden beschouwd. Dit geheel is aan te merken als de verandering van een bouwwerk, zodat sprake is van bouwen in de zin van de Woningwet.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 februari 2009 (LJN: BH2534), kan het aanbrengen van voorzieningen niet worden aangemerkt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, gelezen in verbinding met artikel 3, eerste lid, onder k, van het Bblb, wanneer met het aanbrengen van deze voorzieningen wordt beoogd het gebruik van het bouwwerk te wijzigen.

Anders dan eiseres kennelijk meent, is niet doorslaggevend of sprake is van een verandering naar wederrechtelijk gebruik. De vraag of sprake is van wijziging van het gebruik dient dan ook niet te worden beantwoord aan de hand van een toetsing aan de verschillende gebruiksmogelijkheden die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan, maar dient aan de hand van het feitelijk gebruik en de eventuele wijziging daarvan te worden beantwoord.

Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2004 (LJN: AO8508) dient met betrekking tot de vraag wat als bestaand gebruik moet worden aangemerkt aansluiting te worden gezocht bij de blijkens de voor het bewuste pand verleende bouwvergunningen voorziene gebruik. Voor het in geding zijnde pand is laatstelijk op 23 maart 2004 bouwvergunning verleend. Deze vergunning heeft betrekking op het veranderen en vergroten van een loods met kelder. Ook op de bijbehorende bouwtekening wordt het pand aangeduid als bestaande loods. Uit deze bouwvergunning blijkt niet van een gebruik ten behoeve van bewoning. Dat, zoals eiseres heeft aangevoerd, deze bouwvergunning geen betrekking heeft op de zolderruimte waarop de lastgeving betrekking heeft, maakt niet dat aan de aanduiding van het pand als loods geen gewicht zou toekomen. Niet is gesteld of gebleken dat tegenover deze bouwvergunning een recentere bouwvergunning kan worden gesteld, waaruit het gebruik van de zolderruimte ten behoeve van bewoning blijkt.

Door het aanbrengen van een keukenblok, douche en toilet, is de zolderruimte geschikt gemaakt voor bewoning. De zolderruimte is daartoe ook gebruikt. De voorzieningen moeten dan ook geacht worden met het oog op bewoning te zijn aangebracht.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bouwen met het oog op een gewijzigd gebruik, dat niet kan worden aangemerkt als bouwvergunningsvrij. Niet in geschil is dat hiervoor geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, is verleend. Er is dan ook sprake van overtreding van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Blijkens onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2007 (LJN: AZ7435) ontbreekt, wanneer legalisatie tot de mogelijkheden behoort, concreet zicht daarop, indien de overtreder geen aanvraag ter legalisatie wenst in te dienen. Die situatie doet zich hier voor.

Hoewel zij daartoe door verweerder in de brief van 13 februari 2008 in de gelegenheid is gesteld heeft eiseres, zo heeft zij ter zitting bevestigd, geen aanvraag willen indienen.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nader in te gaan op de partijen verdeeld houdende vraag of het Bouwbesluit aan verlening van bouwvergunning in de weg zou staan. Die vraag leent zich immers bij uitstek voor beantwoording in een bouwvergunningsprocedure. Indien eiseres hieromtrent duidelijkheid wenst dient zij een aanvraag om bouwvergunning in te dienen bij verweerder en de in dat kader vereiste bescheiden en gegevens over te leggen.

Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden onevenredig zou zijn. De door eiseres in dit kader genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2007 betreft geen vergelijkbare situatie, nu in die zaak sprake was van door het bestuursorgaan verleende toestemming om diverse woontechnische voorzieningen aan te brengen. De Afdeling heeft gewicht gehecht aan de omstandigheid dat een verleende bouwvergunning mede zag op aansluitpunten voor een toilet en wasbak, zij het op een andere plaats dan waar deze voorzieningen waren aangebracht. Die omstandigheid is in de voorliggende zaak van eiseres niet aan de orde.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder op onjuiste wijze van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Volgens haar is de last te ruim geformuleerd. Door in de lastgeving op te nemen dat alle aansluitingen van water en gas onklaar moeten worden gemaakt en dat de zolderverdieping zodanig ongeschikt moet worden gemaakt voor bewoning (door het verwijderen van de in de last genoemde voorzieningen) dat deze niet meer op eenvoudige wijze als woonruimte in gebruik kan worden genomen, heeft verweerder volgens eiseres miskend dat de overtreding slechts bestond uit het ontbreken van een bouwvergunning, en dat bewoning als zodanig geen overtreding vormt.

De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Zoals hiervóór reeds is overwogen, moeten de aangebrachte voorzieningen als één geheel worden beschouwd. Verweerder was om die reden niet gehouden om voorzieningen die op zichzelf beschouwd als vergunningsvrij zouden kunnen worden aangemerkt, van de last uit te zonderen. Doorslaggevend is of de voorzieningen tezamen een wijziging van het gebruik (van een loods naar een woonruimte) mogelijk maken. Zoals ter zitting namens verweerder is bevestigd, heeft hij met de formulering van de last beoogd deze te beperken tot de verwijdering van de voorzieningen, voor zover daardoor woonruimte kon worden gecreëerd en derhalve bouwvergunning was vereist. Het ongeschikt maken voor bewoning van de zolderverdieping, zoals in de last opgenomen, dient immers uitsluitend te geschieden door verwijdering van de genoemde voorzieningen, en niet tevens op andere wijze. Aldus heeft verweerder juist van de last willen uitzonderen die voorzieningen, die niet maken dat de ruimte geschikt is als woonruimte. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de last voldoende uiteengezet op welke concrete voorzieningen de last ziet en op welke wijze concreet aan de last kan worden voldaan. De rechtbank merkt daarbij op dat het onklaar maken van aansluitingen van gas en water op de zolderverdieping als een aanvaardbaar alternatief voor gehele verwijdering van die aansluitingen kan worden beschouwd.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M. Groverman als voorzitter, mr. S.W. van Osch-Leysma en mr. A.A.J. de Gier als rechters, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2009 in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 9 juni 2009