Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1757

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
175823
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding van schade na ongeval.

Het geschil spitst zich toe op de omvang van de schadevergoeding. Wat zijn de ongevalsgevolgen? Verlies verdienvermogen, kosten huishoudelijke hulp/kinderopvang, verlies van zelfwerkzaamheid, overige materiële schade, smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 175823 / HA ZA 08-1686

Vonnis van 17 juni 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. Z.J. Rittersma te Lochem,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ TVM U.A.,

gevestigd te Hoogeveen,

gedaagde,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe,

behandelend advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en TVM worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 februari 2009

- de brief van mr. Rittersma van 26 februari 2009 met als bijlage productie 20, die tot de gedingstukken behoort

- het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 23 juli 1998 heeft te Groesbeek een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto’s, waarvan de ene door [eiseres] werd bestuurd en de andere door een verzekerde van TVM. TVM heeft aansprakelijkheid aanvaard voor de door [eiseres] ten gevolge van het ongeval geleden schade. [eiseres] droeg ten tijde van de aanrijding geen autogordel.

2.2. Na het ongeval heeft [eiseres] hoofdpijn- en nekklachten ondervonden, alsmede klachten van vermoeidheid en cognitieve klachten. Zij heeft zich kort daarna in verband met deze klachten onder behandeling gesteld van manueel therapeut F.J.L. Janssen te Deventer.

2.3. Ook voor het ongeval heeft [eiseres] zich periodiek onder behandeling van een fysio- en manueeltherapeut gesteld wegens door haarzelf als ‘chauffeurskwaal’ betitelde nekklachten, voor het laatst in april/mei 1998. Haar behandelaar, E. Saedt, heeft op 9 juni 1998 aan de huisarts van [eiseres] geschreven dat na die behandelingen de functiestoornis op hoog-cervicaal niveau was opgeheven en [eiseres] op dat moment vrij van klachten en beperkingen was. Verder heeft hij in die brief opgemerkt [eiseres] te hebben gewezen op de relevantie van een te eenzijdige werkbelasting c.q. levensstijl in combinatie met overgewicht voor het functioneren van de wervelkolom als geheel.

2.4. [eiseres] werkte vanaf haar 18e als taxichauffeur, eerst in de vervoersonderneming van haar ouders en sinds 1997 in dienst van Stationtaxi B.V. te Tilburg. Ten tijde van het ongeval werkte [eiseres] daar 36 uur per week. Na het ongeval is [eiseres] uitgevallen voor haar werk in verband met haar klachten. Stationtaxi B.V. heeft de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met [eiseres], die voortduurde tot en met 25 september 1998, om die reden niet verlengd.

2.5. Op 8 maart 1999 was [eiseres] opnieuw betrokken bij een verkeersongeval, in verband waarmee zij door een ambulance is vervoerd naar de afdeling Spoedeisende Hulp van Ziekenhuis Rijnstate. Na onderzoek mocht zij vrijwel direct weer naar huis.

2.6. Op 22 november 1999 heeft het GAK [eiseres] schriftelijk bericht dat zij weliswaar ongeschikt is bevonden voor haar werk als chauffeur, maar dat zij door haar restverdiencapaciteit minder dan 15% arbeidsongeschikt is, waardoor zij geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering. Wel werd [eiseres] beschouwd als arbeidsgehandicapte, op grond waarvan zij in aanmerking kwam voor omscholing en ondersteuning bij het vinden van ander werk. [eiseres] heeft in die periode tot in 2006 afwisselend WW- en reïntegratieuitkeringen genoten.

2.7. Het GAK heeft - met instemming en medeweten van TVM - de reïntegratie van [eiseres] op zich genomen. Met ingang van 31 mei 2000 heeft [eiseres] de opleiding tot commercieel bemiddelaar aan de HAN (Hogeschool Arnhem [woonplaats]) gevolgd, met de bedoeling die in maart 2001 af te ronden. [eiseres] heeft deze opleiding niet voltooid, doordat zij geen stageplaats heeft kunnen bemachtigen en doordat zij in januari 2001 zwanger raakte. In mei 2001 heeft [eiseres] zich in verband met haar zwangerschap ziek gemeld.

2.8. Op verzoek van beide partijen heeft de neuroloog N. Padt [eiseres] op 13 juli 2001 onderzocht. In zijn rapportage van 1 augustus 2001 heeft hij, samengevat, het volgende vermeld. [eiseres] lijdt ten gevolge van het eerste ongeval aan het post-whiplashsyndroom, waarbij inmiddels haar pijnklachten in relatie tot de ervaren cognitieve klachten zijn afgenomen. Het niet dragen van de autogordel door [eiseres] is voor het ontstane letsel niet relevant, zo volgt uit meerdere publicaties. Het tweede ongeval heeft niet tot blijvende klachten geleid. De voor het ongeval al periodiek terugkerende nekklachten - de ‘chauffeurskwaal’ - waren steeds goed te behandelen, waarna [eiseres] klachtenvrij was. [eiseres] zou in verband met de gevolgen van het post-whiphlashsyndroom baat kunnen hebben bij een multidisciplinaire behandeling in een revalidatiecentrum, na haar zwangerschap, ter bewerkstelliging van acceptatie van haar beperkingen. Het leek Padt raadzaam dat [eiseres] de na het ongeval aangevangen manueel-therapeutische behandelingen voorlopig zou handhaven. Al met al lijkt ondanks de therapiesuggestie een eindtoestand bereikt. Niettemin is denkbaar dat in de toekomst op een niet te beoordelen termijn nog klachtenafname zal plaatsvinden. De als blijvend aan te merken functionele invaliditeit bedraagt 5%. Neuropsychologisch onderzoek is niet verricht en ook niet noodzakelijk, aangezien [eiseres] van mei tot oktober 2000 - zij het met moeite - een omscholingscursus met een nagenoeg volledige leerweek heeft gevolgd en met goed resultaat heeft afgerond. De ervaren cognitieve klachten werden geacht een onderdeel te zijn van het post-whiplashsyndroom en samen te hangen met de abnormale vermoeidheid. Bij zijn rapportage heeft Padt een belastbaarheidsprofiel van [eiseres] gevoegd, waarnaar hij in zijn rapportage heeft verwezen. Op dat profiel zijn na onderling overleg tussen de medische adviseurs van de partijen met de hand twee opmerkingen over de beperkingen bijgeschreven.

2.9. Op 18 oktober 2001 is [eiseres] bevallen van een zoon. In 2002 is [eiseres] gescheiden van haar partner.

2.10. In augustus 2002 is vanuit het GAK het reïntegratietraject van [eiseres] weer opgestart. In verband met het therapeutisch advies van Padt heeft [eiseres] bij DBC Arnhem een nektrainingsprogramma van 12 weken gevolgd, ter verbetering van haar dagelijks functioneren. Dit programma heeft zij in mei 2003 afgerond. [eiseres] is in augustus 2003 op kosten van het GAK en met behoud van uitkering begonnen met een deeltijdopleiding Sociale Dienstverlening (SD) op MBO niveau van 2,5 jaar. Deze opleiding heeft zij voltooid. Vervolgens is zij begonnen aan de MWD-opleiding op HBO-niveau, eveneens met behoud van uitkering (tot uiterlijk 7 november 2006), maar onder handhaving van haar sollicitatieplicht en zonder vergoeding van de studiekosten door het GAK.

2.11. Met ingang van 17 augustus 2006 werkt [eiseres] bij de Regionale Instelling Beschermd Wonen (RIBW). Aanvankelijk werkte zij daar 30 uur per week, op basis van een contract voor bepaalde tijd. Op enig moment heeft zij bij het RIBW een arbeidscontract voor onbepaalde tijd verworven en is zij 32 uur per week gaan werken.

2.12. Het minnelijk overleg tussen de partijen over de afwikkeling van de schade is vastgelopen op een verschil van mening bij de vaststelling van het verlies van verdienvermogen van [eiseres]. Met name over het hypothetische carrièreverloop van [eiseres] zonder ongeval en over het toekomstig arbeidsperspectief van [eiseres] - inclusief de noodzaak van verdere scholing - bestond onenigheid. In verband hiermee heeft [eiseres] deze rechtbank in mei 2006 verzocht voorlopige deskundigenberichten in te winnen, van een arbeidsdeskundige en een rekenkundige.

2.13. Bij beschikking van 18 september 2006 heeft de rechtbank de arbeidsdeskundige J.P.H.M. Verhoeven en de actuarieel rekenkundige A.A.Th.M. Hagelaars-Rooijakkers, verbonden aan het NRL, tot deskundigen benoemd. Verhoeven heeft op 19 januari 2007 zijn deskundigenbericht uitgebracht. Op heeft 5 december 2007 heeft Hagelaars haar rapport uitgebracht.

2.14. In juni 2008 heeft [eiseres] de propaedeuse van haar HBO-opleiding gehaald. Begin 2009 is zij met deze opleiding gestopt.

2.15. TVM heeft in der minne in totaal € 115.474,-- aan schadevergoeding aan [eiseres] uitgekeerd.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I TVM zal veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de schade die zij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden door het ongeval van 26 juli 1998 tot het bedrag van € 201.965,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over de onderscheiden schadeposten vanaf het moment dat [eiseres] daarop volgens het recht aanspraak kan maken tot aan de dag der algehele voldoening;

II TVM zal veroordelen

1. in de door/ten behoeve van [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 26.826,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de dag der dagvaarding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening,

2. aan [eiseres] een belastinggarantie te verstrekken ten aanzien van de schadevergoeding wegens verlies verdienvermogen, althans tot veroordeling van de schade die [eiseres] lijdt/zal lijden indien belastingheffing in Box 1 of 2 van de Inkomstenbelasting zal plaatsvinden over de schadevergoeding wegens verlies van verdienvermogen/pensioenschade,

3. in de kosten van deze procedure.

3.2. Het verweer van TVM tegen de vorderingen zal, voor zover nodig, in het navolgende worden besproken.

4. De beoordeling

4.1. Aangezien TVM aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend, spitst het geschil zich toe op de omvang van de door TVM aan [eiseres] te betalen schadevergoeding. TVM meent dat zij met haar betalingen aan [eiseres] van in totaal € 115.474,-- de schade ruimschoots heeft vergoed. [eiseres] daarentegen meent aanspraak te hebben op een aanvullende betaling van in totaal € 228.791,66.

ongevalsgevolgen/beperkingen

4.2. Voor een aantal van de schadeposten waarover de partijen van mening verschillen is van belang wat de ongevalsgevolgen zijn. Op gezamenlijk verzoek van de partijen heeft de neuroloog Padt in augustus 2001 over de gevolgen van het ongeval een rapport uitgebracht (zie onder 2.8). Volgens [eiseres] zijn het rapport van Padt en de daarin door hem benoemde beperkingen (ook nu nog) onverkort het uitgangspunt ter begroting van haar schade wegens verlies van verdienvermogen, kosten van vervangende huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid. TVM daarentegen meent dat de door Padt gerapporteerde mogelijke toekomstige verbetering van de toestand van [eiseres], wat er van de oorzaak van haar aanvankelijke klachten en de beoordeling daarvan door Padt overigens ook zij, zich kennelijk heeft voorgedaan. TVM verwijst hiertoe naar de sedertdien door [eiseres] ten toon gespreide reïntegratie- en arbeidsinspanningen en het gegeven dat [eiseres] daarmee de zorg voor een jong kind - inmiddels als alleenstaande ouder - heeft weten te combineren. Op grond hiervan meent TVM dat (thans) concrete, ongevalsgerelateerde beperkingen ontbreken die [eiseres] beperken in haar beroepswerkzaamheden, huishoudelijk werk en zelfwerkzaamheid. Mocht dit al anders zijn, dan is volgens TVM geen sprake van ongevalsgerelateerde beperkingen die leiden tot schade, althans dient inmiddels nieuw neurologisch onderzoek daarnaar te worden gedaan, gevolgd door onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige.

4.3. Aangezien de partijen gezamenlijk ervoor hebben gekozen Padt in te schakelen om op neurologisch gebied de gevolgen van het ongeval van 23 juli 1998 en de daaruit voortvloeiende klachten en beperkingen van [eiseres] in kaart te brengen, zullen zij het in beginsel met de inhoud van dat rapport moeten doen. Een uitzondering daarop kan bestaan indien er klemmende bezwaren bestaan om aan het aldus tot stand gekomen rapport beslissende betekenis c.q. bewijskracht toe te kennen. De door TVM geopperde bezwaren tegen de door Padt gestelde diagnose - volgens TVM in strijd met de daarvoor onder neurologen destijds geldende richtlijn - leveren (in elk geval thans) niet (meer) die klemmende bezwaren op. TVM is destijds op basis van het rapport van Padt tot (eenzijdige) afwikkeling van de schade overgegaan en heeft in dat verband de bevindingen van Padt geaccepteerd dat er op dat moment ongevalsgerelateerde klachten waren, die [eiseres] toen ongeschikt maakten voor haar oude beroep, die haar noopten tot omscholing en die haar ook beperkten bij het verrichten van bepaalde huishoudelijke taken en zelfwerkzaamheid. Zoals TVM het zelf zegt, heeft TVM daarbij de door [eiseres] gemaakte keuzes gerespecteerd en - tot op zekere hoogte - de financiële consequenties daarvan aanvaard.

4.4. Het voorgaande neemt niet weg dat op basis van het rapport van Padt niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat in 2001 reeds een eindtoestand in de medische situatie van [eiseres] was bereikt. In zijn rapport zinspeelt Padt daarop wel, maar hij vervolgt zijn rapport met de opmerking dat op dat moment niet valt uit te sluiten dan op een - voor hem niet in te schatten termijn - nog verbetering in de situatie van [eiseres] zal optreden. Anders dan [eiseres] meent, is in dit geval niet slechts sprake van deze in algemene termen gestelde opmerking van de deskundige waaraan geen betekenis toekomt. In het licht van de door TVM daarvoor genoemde argumenten is het niet onbegrijpelijk dat TVM dit punt thans aan de orde stelt. Uit de door [eiseres] sinds 2001 ondernomen activiteiten op het gebied van scholing en werk, in combinatie met de (met haar ex-partner gedeelde) zorg voor haar kind, lijkt vooralsnog te kunnen worden afgeleid dat gaandeweg haar belastbaarheid verbeterd is. In het verlengde daarvan rijst de vraag of nog sprake is van een zodanig verminderde belastbaarheid dat die leidt tot schade. Of nieuw - dan wel, zoals ter comparitie namens [eiseres] is aangevoerd, aanvullend - medisch deskundigenonderzoek aangewezen is, zal bij de beoordeling van de onderscheiden schadeposten worden bezien.

verlies verdienvermogen

4.5. Bij de vaststelling van verlies van verdienvermogen komt het erop aan wat feitelijk sinds het ongeval aan inkomsten is en zal (kunnen) worden ontvangen en wat dat zou zijn geweest als het ongeval niet was geschied. Het eventuele voor [eiseres] negatieve verschil tussen haar feitelijke inkomen sinds het ongeval en haar hypothetische inkomen zonder het ongeval vormt de schade die TVM zal moeten vergoeden. In dit verband strijden de partijen erover van welk hypothetisch carrièreverloop (zonder ongeval) moet worden uitgegaan en in hoeverre de door [eiseres] gevolgde omscholing nog in verband te brengen is met (ondervanging van de gevolgen van) het ongeval.

hypothetische situatie (zonder ongeval)

4.6. [eiseres] heeft gesteld dat zij ten tijde van het ongeval het beroep van ambulancechauffeur ambieerde en dat zij deze ambitie enkel als gevolg van het ongeval niet omstreeks 1998/1999 heeft kunnen verwezenlijken. Ter onderbouwing van haar stelling beroept zij zich erop dat zij die functie te Tilburg had willen bemachtigen en dat zij daarom als taxichauffeur in Tilburg was gaan werken, teneinde alvast topografische kennis van die omgeving op te doen. Zij is het niet eens met de bevindingen van de arbeidsdeskundige Verhoeven, die in zijn voorlopig deskundigenbericht de kans dat [eiseres] destijds een functie als ambulancechauffeur zou hebben kunnen bemachtigen klein - en voor haar [toenmalige; rb] woonomgeving zelfs afwezig - acht. [eiseres] houdt er ondanks dit rapport aan vast dat een carrière als ambulancechauffeur een redelijke, bij de schadebegroting te hanteren toekomstverwachting is, die aansluit bij haar (toenmalige) mogelijkheden en capaciteiten, mede gelet op haar grote motivatie. Die blijkt mede uit het behalen - zelfs na het ongeval - van het door Verhoeven als vereiste genoemde mbo-niveau. [eiseres] meent dat Verhoeven niet op basis van de juiste informatie tot zijn conclusies is gekomen en heeft ter staving daarvan twee schriftelijke verklaringen overgelegd, afkomstig van bij de ambulancedienst GGD Hart van Brabant te Tilburg werkzame personen: A. van Bekhoven en C. van Engelen. Uit die verklaringen volgt volgens [eiseres] dat tot 2003 geen harde ‘mbo-eis’ werd gesteld en dat in 2001 nog een kandidaat met alleen lbo-vooropleiding is aangenomen. Op grond van dit alles meent zij te hebben bewezen - in aanmerking genomen de verlichte bewijslast die in dit verband op haar rust - dat zij zonder ongeval ambulancechauffeur zou zijn geworden. Voor zover nodig heeft zij (nader) bewijs van haar stelling aangeboden. TVM heeft tegen het relaas van [eiseres] ingebracht dat de beide in het geding gebrachte verklaringen - van personen die bij één instelling werkzaam zijn - onvoldoende zijn ter weerlegging van de bevindingen van Verhoeven.

4.7. De arbeidsdeskundige Verhoeven heeft in het kader van zijn onderzoek het dossier bestudeerd en (onder meer) met vertegenwoordigers van het opleidingsinstituut van de ambulancesector (SOSA) respectievelijk de teamleider P&O van RAV Brabant (waaronder onder meer Tilburg valt) gesproken. Mede op basis van dit onderzoek heeft Verhoeven in zijn rapport (onder andere) vermeld:

“Ik acht de kans klein dat betrokkene een functie als ambulancechauffeuse zou hebben kunnen bemachtigen. In haar eigen woonomgeving zou zij geen kans hebben gemaakt, gelet op haar (toentertijd) lbo-opleiding. Betrokkene had daarenboven geen verpleegervaring. Uit ons onderzoek blijkt dat er veel gegadigden voor de functie van ambulancechauffeur zijn. Er is aldus geen schaarste in het aanbod van gegadigden. P&O geeft aan het belangrijker te vinden dat sollicitanten ervaring hebben op verplegend-/verzorgend gebied dan dat zij beschikken over topografische kennis.”

In reactie op de opmerkingen en verzoeken van de advocaat van [eiseres] naar aanleiding van het concept-rapport heeft Verhoeven in het rapport voorts vermeld:

“De beantwoording van de vraag [naar het hypothetische arbeidsperspectief van [eiseres] als ambulancechauffeuse; rb] heeft betrekking op de periode waarin cliënte zou hebben gesolliciteerd zonder ongeval, zijnde 1998-1999.

(...)

Wij hebben contact opgenomen met mevrouw S. van den Hoek, werkzaam bij RAV Brabant sinds 1991. Sinds 2000 is zij regiomanager van Tilburg en Waalwijk. In deze functie schrijft zij de sollicitatieprocedures uit, voert ze sollicitatiegesprekken en begeleidt ze aspirant werknemers. Voordat ze deze functie bekleedde, heeft zij als ambulanceverpleegkundige immer deel uitgemaakt van het selectieteam bij sollicitaties.

Mevrouw Van den Hoek gaf aan dat de eisen voor ambulancechauffeur in 1998 waren:

- in bezit zijn van groot rijbewijs C

- kennis hebben van medische terminologie

- minimaal mbo-niveau

(...)

Op onze vraag of men bij uitzondering iemand met een opleiding lager dan mbo-niveau zou aannemen, kregen wij een volmondig neen te horen. Er zijn/waren zoveel gegadigden met een mbo- en zelfs hbo-opleiding dat men lbo-ers niet hoeft/hoefde te selecteren.

(...)

De aanname-eisen voor ambulancechauffeurs verschilden per regio. Echter voor geheel Brabant gold dat men strikte aanname-eisen had daar men reeds eerder dan bij andere RAV’s was aangevangen met het voldoen aan certificeringseisen. In dit kader hebben wij ook gesproken met de heer A. van Bekhoven. Van 1984 tot 2001 was hij algemeen hoofd van RAV Midden-Brabant. In 1995 behaalde hij met zijn ambulancevoorziening als eerste in Nederland het ISO 9001 kwaliteitscertificaat en in 1997 het HKZ-certificaat. De heer Van Bekhoven gaf aan dat hij in de jaren 80, ambulancechauffeurs van allerlei pluimage in dienst had. Het betroffen dan met name technisch ingestelde chauffeurs, ook lbo’ers. In de loop der jaren werden er echter striktere eisen gesteld aan het personeel en werd de sollicitatieprocedure zoals hierboven ingekleed. Onder die strikte eisen behoorde tevens het opleidingsniveau. Men startte met mbo-niveau. Op een vacature ontving men in de jaren 80 soms 300 reacties, de laatste jaren zijn dat er ongeveer 40 geweest.”

4.8. [eiseres] wordt niet gevolgd in haar betoog dat uit de door haar overgelegde verklaringen blijkt dat het rapport van Verhoeven op een verkeerde insteek berust, op onderdelen onlogische antwoorden geeft en niet uitgaat van het concrete aannamebeleid van destijds. Deze kritiek van [eiseres], die in zekere zin ook destijds al in reactie op het concept-deskundigenbericht was geuit, is door Verhoeven met het voorgaande afdoende weerlegd. Er is geen aanleiding [eiseres] toe te laten tot het door haar op dit punt aangeboden bewijs door het horen van C. van Engelen en A. van Bekhoven als getuigen. Immers, ook indien van de juistheid van hun schriftelijke verklaringen wordt uitgegaan, is op basis van de door Verhoeven ingewonnen informatie nog steeds aannemelijk dat ook in de relevante periode en regio er veel meer belangstelling was voor de functie van ambulancechauffeur dan er vacatures waren, dat kandidaten met mbo-niveau en medische kennis de voorkeur hadden en dat zich veel meer mbo’ers dan lbo’ers aandienden. Bij deze stand van zaken is te onzeker dat [eiseres] - bij gebreke van mbo-niveau en bij gebreke van medische kennis - erin zou zijn geslaagd als ambulancechauffeuse te worden aangenomen. Hieraan doet niet af dat - wederom uitgaande van de juistheid van de schriftelijke verklaringen daaromtrent - in 2001 nog één kandidaat met lbo-niveau is aangenomen. Dit oordeel wordt ook niet anders indien in aanmerking genomen wordt dat [eiseres] heeft bewezen het mbo-niveau te kunnen behalen en over doorzettingsvermogen te beschikken. Te onzeker blijft of zij, het ongeval weggedacht, zich aan een dergelijke opleiding zou hebben gezet en - gelet op de verdere eisen en de hoeveelheid gegadigden voor vacatures - ook of zij op het moment van afronding daarvan aan alle dan geldende eisen zou hebben voldaan. Voorts wordt mede in aanmerking genomen dat [eiseres] ook al eens was afgewezen na een sollicitatie op de functie van ambulancechauffeuse. Alle argumenten overziend is er, de goede en kwade kansen in aanmerking genomen, geen aanleiding in afwijking van het rapport van Verhoeven een carrière als ambulancechauffeuse als redelijke hypothetische toekomstverwachting tot uitgangspunt te nemen.

4.9. Ingeval niet een carrière als ambulancechauffeuse tot uitgangspunt genomen wordt, kan [eiseres] zich niet vinden in de suggestie van Verhoeven dat zij zonder het ongeval als chauffeuse in het waardetransport zou zijn gaan werken. Deze suggestie zou gegrond zijn op een verkeerde interpretatie door Verhoeven van [eiseres]s belangstelling. Evengoed kan wat [eiseres] betreft tot uitgangspunt worden genomen dat zij bij gebreke van carrièreperspectief als ambulancechauffeuse in het transportbedrijf van haar ouders zou zijn gaan werken en op termijn daarin mede-aandeelhouder zou zijn geworden, maar ook die optie noemt [eiseres] speculatief. TVM heeft betwist dat [eiseres] in het bedrijf van haar ouders zou zijn gaan werken, omdat de familierelatie daar niet naar was. Ook op dit punt onderschrijft TVM het rapport van Verhoeven. Zij meent dan ook dat [eiseres], het ongeval weggedacht, als chauffeuse waardetransport zou zijn gaan werken.

4.10. Verhoeven heeft zijn oordeel over de hypothetische carrière van [eiseres] gebaseerd op haar opleiding, haar arbeidsverleden en haar keuzes op dat vlak. Niet onbegrijpelijk is dat hij het aannemelijk acht dat [eiseres] binnen de transportsector zou zijn blijven werken. Hoewel volgens hem niet valt uit te sluiten dat [eiseres] op enig moment - bij gebreke van perspectief als ambulancechauffeuse - in de transportonderneming van haar ouders zou zijn gaan werken, kan hij daarvoor geen ander argument noemen dan dat zij daar al heeft gewerkt. Dat is echter onvoldoende om van een dergelijke carrière uit te gaan, temeer waar op grond van de stukken en van de stellingen van de partijen aangenomen moet worden dat - in elk geval destijds - de verhouding tussen [eiseres] en (de transportonderneming van) haar ouders niet optimaal was. Daarbij komt dat niet met voldoende mate van zekerheid iets valt te zeggen, zo is de rechtbank met Verhoeven van mening, op welke termijn, in welke functie(s) en tegen welke verdiensten [eiseres] dan binnen die onderneming zou hebben gewerkt. Er is ook daarom aanleiding Verhoeven te volgen in zijn suggestie dat [eiseres] - gelet op haar opleidingsniveau, interesse en arbeidsverleden - als (bijvoorbeeld) chauffeuse waardetransport zou zijn gaan werken, het ongeval weggedacht.

4.11. Ook het aantal uren dat [eiseres], het ongeval weggedacht, zou hebben gewerkt, is tussen de partijen in geschil. [eiseres] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat zij zich als ambulancechauffeuse fulltime zou hebben kunnen laten inroosteren, op de vijf jaren na de geboorte van haar zoon na waarin zij 80% zou hebben gewerkt. TVM acht het niet reëel ervan uit te gaan dat [eiseres] op slechts een beperkt aantal jaren na fulltime zou hebben gewerkt, in welke functie dan ook.

4.12. Vast staat dat [eiseres] vóór het ongeval 32 uren per week als taxichauffeur werkte. Zij heeft niet toegelicht waarom ervan uitgegaan zou moeten worden dat zij zonder het ongeval fulltime zou zijn gaan werken. Verder staat vast dat de gezinssituatie van [eiseres] in september 2002 is gewijzigd: zij werd alleenstaande moeder. Ook geldt - zie hiervoor - niet als uitgangspunt dat [eiseres] ambulancechauffeuse - met specifieke inroostermogelijkheden - zou zijn geworden. Bij deze stand van zaken kan er zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet van worden uitgegaan dat [eiseres] - op een korte onderbreking na - zonder het ongeval fulltime zou hebben gewerkt. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het reëel tot uitgangspunt te nemen dat [eiseres] zonder het ongeval steeds (maximaal) 32 uren zou hebben gewerkt.

4.13. De partijen hebben zich er niet over uitgelaten op welk moment [eiseres] zonder het ongeval aan een andere functie c.q. als chauffeur waardetransport zou zijn begonnen. In aanmerking genomen dat [eiseres] eerst (tevergeefs) nadere pogingen zou hebben ondernomen als ambulancechauffeuse te worden aangenomen, wordt de datum waarop zij de hypothetische functie van chauffeuse waardetransport zou zijn gaan vervullen gesteld op 1 januari 2000. Over de het aantal jaren dat [eiseres] zonder het ongeval zou hebben gewerkt, waren de partijen aanvankelijk nog verdeeld. Sinds de comparitie betwist TVM echter niet langer dat [eiseres] tot haar 65e jaar zou hebben doorgewerkt, zodat dit als uitgangspunt geldt.

feitelijke situatie (met ongeval)

4.14. Zoals al is overwogen, heeft TVM op basis van het rapport van Padt aanvaard dat [eiseres] in haar oude functie niet meer kon werken. Ook de door [eiseres] gekozen opleiding MBO SD is door TVM aanvaard. De hiermee verband houdende schade van [eiseres] komt op grond daarvan voor rekening van TVM.

4.15. Tussen de partijen is verschil van mening ontstaan over de vraag of TVM ook nog de financiële consequenties dient te dragen van het volgen van de HBO-opleiding door [eiseres], naast het de werkzaamheden die [eiseres] op dat moment inmiddels voor 30 uren per week voor het RIBW verrichtte. Volgens [eiseres] kon zij met haar MBO-diploma (aanvankelijk) geen werk vinden en is zij uiteindelijk toch door het RIBW aangenomen op voorwaarde dat zij de HBO-opleiding ging volgen. Daarom behoort de daardoor ontstane schade (verlies verdienvermogen en kosten opleiding) volgens [eiseres] toch voor rekening van TVM te komen. Ter comparitie heeft [eiseres] haar stellingen als volgt genuanceerd en aangevuld. Zij diende slechts de HBO-propaedeuse te behalen om bij het RIBW in aanmerking te komen voor een contract voor onbepaalde tijd. Die propaedeuse heeft zij in juni 2008 behaald. Haar arbeidsovereenkomst geldt nu voor onbepaalde tijd en zij werkt thans 32 uren per week. TVM meent dat zij, door [eiseres] na het ongeval in staat te stellen zich op te werken van LBO- naar MBO-niveau, voldaan heeft aan haar reïntegratieverplichtingen jegens [eiseres]. TVM betwist dat [eiseres] met het MBO-diploma op zak nog steeds schade wegens verlies van verdienvermogen leed en lijdt. Volgens haar handelt [eiseres] in strijd met haar verplichting haar schade te beperken door haar tijd en energie in een HBO-opleiding te steken in plaats van in loonvormende arbeid.

4.16. TVM heeft de stelling van [eiseres] dat het behalen van de propaedeuse HBO voorwaarde was voor het verkrijgen van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet betwist, zodat die als vaststaand wordt aangenomen. Het betreft in zoverre een redelijke maatregel ter beperking van haar schade. Bij deze stand van zaken heeft te gelden dat de kosten en schade die [eiseres] tot en met juni 2008 heeft gemaakt en geleden doordat zij de HBO-opleiding volgde door TVM moeten worden vergoed. Op grond van de - niet door TVM weersproken - stellingen daaromtrent van [eiseres], die in het studiejaar 2007-2008 aan de HBO-opleiding is begonnen, komt de schade allereerst neer op 4 uren per maand aan teveel opgenomen verlof, dat ten koste is gegaan van haar vakantieuren. De (netto) loonwaarde daarvan over het studiejaar 2007-2008 komt in beginsel voor vergoeding door TVM in aanmerking. De eventuele arbeidsvermogensschade van [eiseres] die is toe te rekenen aan een (tijdelijk, gedurende het studiejaar 2007-2008) in aantal uren verminderde inzetbaarheid voor betaald werk wegens studiebelasting komt ook voor rekening van TVM. Daarnaast moet TVM het niet door haar werkgever vergoede deel (25%) van de studiekosten in dat jaar ad € 2.250,-- aan [eiseres] vergoeden, hetgeen neerkomt op € 562,50. Deze materiële schadepost behoort echter (strikt genomen) niet tot de schade wegens het verlies van verdienvermogen. De overige kosten die in causaal verband staan met de omscholing, zullen later (rov. 4.29 e.v.) worden besproken.

4.17. De feitelijke inkomsten van [eiseres] sinds het ongeval staan vast op grond van de jaaropgaven van haar (ex-)werkgevers en de betrokken uitvoeringsinstanties van de sociale zekerheidsuitkeringen die zij heeft genoten. Recente informatie over haar inkomen en de omvang van haar dienstverband ontbreekt en zal door [eiseres] aan de in te schakelen rekenkundige (zie hierna, onder 4.19 e.v.) moeten worden verstrekt.

4.18. Ook voor de feitelijke situatie zal tot uitgangspunt worden genomen dat [eiseres] tot haar 65e jaar gedurende 32 uren per week zal werken.

rekenkundige

4.19. Een rekenkundige zal op grond van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten de rechtbank moeten voorlichten over de omvang van de schade wegens verlies van verdienvermogen van [eiseres]. Het rekenkundig rapport van Hagelaars-Rooijakkers, dat op verzoek van [eiseres] bij wijze van voorlopig deskundigenbericht tot stand is gekomen, is daarvoor in de huidige versie niet geschikt, aangezien het ten dele van afwijkende uitgangspunten uitgaat. Bovendien werkt [eiseres] inmiddels 32 uren per week. Voor een deel bevat het rapport van Hagelaars-Rooijakkers echter informatie en uitgangspunten die vooralsnog kunnen worden gebruikt voor een herberekening van het verlies van verdienvermogen van [eiseres]. De rechtbank is dan ook voornemens Hagelaars-Rooijakkers - of een andere rekenkundige van het NRL - tot deskundige te benoemen ter beantwoording van de volgende vragen:

1) Wilt u het verlies van verdienvermogen van [eiseres] (inclusief de pensioenschade) herberekenen op basis van de (relevante delen van de) rapportage van de arbeidsdeskundige Verhoeven van 19 januari 2007, uitgaande van de gewijzigde burgerlijke staat van [eiseres] en van de volgende uitgangspunten:

a) zonder ongeval:

- voortzetting van het vóór het ongeval bestaande dienstverband bij Stationstaxi Tilburg tot en met 31 december 1999;

- betrekking als chauffeuse waardetransport met ingang van 1 januari 2000 voor 32 uren per week tot aan het 65e levensjaar, met inschaling conform de inschatting van arbeidsdeskundige Verhoeven;

b) met ongeval:

- inkomen volgens de jaaropgaven van (oud-)werkgevers en uitkeringsinstanties;

- dienstverband bij het RIBW met ingang van 17 augustus 2006 tot aan het 65e levensjaar voor aanvankelijk 30 en later (per een nog door [eiseres] te vermelden datum; zie 4.17) 32 uren per week als ambulant begeleidster;

- een uit de loonstroken of andere stukken blijkende, daadwerkelijke vermindering van de omvang van het dienstverband in verband met scholing (volgens het rapport van Hagelaars-Rooijakkers tot 70%) mag in het voorkomende geval worden meegenomen over de periode september 2007 tot en met juni 2008?

Daarnaast zal de deskundige worden gevraagd de netto loonwaarde te berekenen van het door [eiseres] opgenomen studieverlof (zie onder 4.16):

2) Wilt u de netto loonwaarde berekenen van het door [eiseres] opgenomen studieverlof van 4 uren per week in de periode van september 2007 tot en met juni 2008. Wilt u dit bedrag bij haar verlies van verdienvermogen optellen, tenzij daardoor een dubbeltelling zou ontstaan doordat al rekening is gehouden met de vermindering van inkomen uit arbeid zoals hiervoor, onder b, derde gedachtestreepje genoemd?

4.20. Aan de partijen, [eiseres] als eerste, zal worden verzocht zich bij akte uit te laten over de voorgenomen benoeming van Hagelaars-Rooijakkers (of een andere rekenkundige van het NRL) en de te stellen vragen.

kosten huishoudelijke hulp/kinderopvang

4.21. [eiseres] vordert (aanvullende) vergoeding van alle kosten van vervangende huishoudelijke hulp, voor zover zij die niet uit het haar vanaf 2004 tot mei (comparitie) dan wel 9 juli (nr. 62 dagvaarding) 2008 verstrekte Persoonsgebonden Budget (PGB) heeft kunnen bestrijden. Volgens [eiseres] gaat het over de periode 1998 tot mei 2001 om drie uren per week en van mei 2001 tot maart 2041 (wanneer zij 70 jaar wordt) om zes uren per week. Zij vordert ook vergoeding van de eigen bijdrage die zij in verband met het haar verstrekte PGB heeft voldaan. Aan haar vordering legt zij ten grondslag dat zij bij het door haar gewerkte aantal uren in combinatie met haar beperkingen niet volledig in staat is de huishoudelijke taken te verrichten. Door haar maximale inzet te richten op het verwerven van arbeidsinkomen, is er niet de ruimte de zwaardere huishoudelijke taken over de week uit te smeren. Voorts vordert zij onder deze noemer vergoeding van de kosten van kinderopvang, voor zover die niet door het UWV zijn vergoed. Zij stelt dat zij, het ongeval weggedacht, bij de GGD te Tilburg als ambulancechauffeuse zou hebben gewerkt en door gunstige inroostering alsmede het daar aanwezige sociale netwerk deze kosten zou hebben kunnen uitsparen. [eiseres] wijst er verder op dat TVM de onderhavige schadepost - kosten huishouding en kinderopvang - heeft erkend en terzake € 25.000,-- heeft uitgekeerd. Deze vergoeding schiet volgens haar echter tekort.

4.22. TVM heeft hiertegen allereerst ingebracht dat haar bereidheid in der minne een bedrag ter zake van huishoudelijke hulp uit te keren uitgaande van een hulpbehoefte van drie uren per week niet betekent dat zij heeft aanvaard dat uit de rapportage van Padt valt af te leiden dat [eiseres] beperkingen ondervindt bij huishoudelijke taken. Dergelijke beperkingen zijn volgens TVM nooit concreet vastgesteld en in elk geval schiet de huidige medische informatie wat haar betreft te kort om de gestelde behoefte aan hulp van inmiddels zelfs zes uren per week te rechtvaardigen tot aan het jaar waarin [eiseres] 70 wordt. TVM ziet verder veeleer de niet-ongevalsgerelateerde persoonlijke situatie van [eiseres] - 32 uren werken per week als alleenstaande moeder - als oorzaak van de gestelde behoefte aan hulp. Ook zonder het ongeval zou [eiseres] volgens TVM in die omstandigheden hebben verkeerd en dus dezelfde behoefte hebben gehad aan huishoudelijke hulp. Ook de kosten voor kinderopvang had [eiseres] zonder het ongeval in dezelfde mate gemaakt, aldus TVM. Hieraan doet volgens haar niet af dat zij tijdens de reïntegratie van [eiseres] voorschotten heeft betaald waaruit [eiseres] deze kosten kon bestrijden.

4.23. Met betrekking tot de kosten van kinderopvang wordt geconstateerd dat [eiseres] die vordering heeft gebaseerd op de inmiddels verworpen stelling dat zij zonder het ongeval als ambulanceverpleegkundige in de regio Tilburg werkzaam zou zijn geweest. Nu niet van die situatie kan worden uitgegaan, kan er evenmin van worden uitgegaan dat zij zonder het ongeval geen kosten voor kinderopvang zou hebben hoeven te maken. De vergoeding die TVM op grond van minnelijk overleg heeft betaald, doet daaraan niet af. Voor toewijzing van een (aanvullende) vergoeding ter zake van deze kosten is bij deze stand van zaken geen plaats.

4.24. Met betrekking tot de kosten van huishoudelijke hulp wordt overwogen dat destijds niet op basis van het door Padt opgestelde beperkingenprofiel in concreto is onderzocht of en zo ja, in welke mate bij [eiseres] door het ongeval beperkingen zijn ontstaan bij het doen van haar huishouden. De rechtbank acht het, gelet op de inmiddels verstreken tijd, niet meer zinvol dit alsnog voor de hele looptijd van deze schadepost te laten onderzoeken door een of meer deskundigen. Niet valt te verwachten dat thans uit te voeren deskundigenonderzoek voldoende nauwkeurige aanknopingspunten zal opleveren ten behoeve van de begroting van deze schade over de gehele sinds het ongeval verstreken periode. Over de periode vanaf het ongeval tot en met juni 2008 is dergelijk onderzoek wat de rechtbank betreft ook niet nodig, omdat uit het dossier voldoende feiten en omstandigheden blijken om de in die periode verschenen schade te begroten op basis van een beredeneerde schatting (art. 6:97 BW). Op basis van Padts rapport en beperkingenprofiel is voldoende aannemelijk dat [eiseres] door het ongeval in elk geval aanvankelijk lichamelijke beperkingen bij de zwaardere huishoudelijke werkzaamheden ondervond. Ook is voldoende aannemelijk dat vervolgens de reïntegratie-inspanningen van [eiseres], die zij in de laatste fase ervan naast een (veelal) 30-urige werkweek uitvoerde, van negatieve invloed zijn geweest op haar belastbaarheid voor huishoudelijke taken. De mate waarin [eiseres] in de genoemde periode behoefte had aan huishoudelijke hulp, zal de rechtbank schatten op zes uren per week. Tegen de in de dagvaarding vermelde uurtarieven en eigen bijdragen (nr. 61 dagvaarding) die met het inschakelen van de hulp volgens [eiseres] waren gemoeid als zodanig heeft TVM geen verweer gevoerd. Die bedragen komen de rechtbank ook niet onredelijk voor, zodat daarvan uitgaand de schade wegens kosten voor huishoudelijk hulp tot en met juni 2008 zal worden begroot. Tot en met 2003 bedraagt de schade conform de berekening door [eiseres] (afgerond) € 7.000,--, in de jaren 2004 tot en met 2007 € 3.864,-- (4 maal € 966,--) en over de eerste zes maanden van 2008 € 817,50 (€ 49,50 eigen bijdrage, € 192,-- particuliere hulp tot en met maart 2008 en € 576,- particuliere hulp van april tot en met juni 2008). In totaal komt de tot en met juni 2008 verschenen schade wegens de kosten van huishoudelijk hulp op € 11.681,50.

4.25. Voor beoordeling van de eventuele, ongevalsgerelateerde behoefte aan huishoudelijke hulp vanaf juni 2008 schiet de huidige beschikbare (medische) informatie tekort. Zoals eerder al is overwogen (onder 4.4), kan de door Padt in 2001 geschetste situatie niet als eindtoestand worden beschouwd. Dit wordt niet anders doordat, zoals [eiseres] op zichzelf terecht heeft opgemerkt, nieuw of aanvullend neurologisch onderzoek vanwege de nieuwe richtlijn die binnen de beroepsgroep van neurologen wordt gehanteerd bij de beoordeling van postwhiplashproblematiek, naar verwachting geen bruikbare aanknopingspunten zal bieden ter vaststelling van eventuele resterende ongevalsgerelateerde beperkingen. Bij de huidige stand van zaken is het nu eenmaal aan [eiseres] haar stelling te bewijzen dat zij als gevolg van het ongeval ook na juni 2008 nog behoefte heeft aan zes uren huishoudelijke hulp per week. Hierbij geldt dat er in een geval als hier wellicht andere mogelijkheden zijn dit bewijs te leveren dan door het inwinnen van een (nieuw of aanvullend) neurologisch deskundigenbericht. Aangezien de diagnose van Padt - postwhiplashsyndroom - het uitgangspunt blijft, alsmede zijn bevinding dat [eiseres] daarvan destijds enige beperkingen ondervond, zou wellicht een verzekeringsgeneeskundige op grond van dit uitgangspunt alsmede door hemzelf te verrichten, nieuw dossier- en lichamelijk onderzoek kunnen vaststellen of [eiseres] ook na juni 2008 beperkingen ondervond en ondervindt die aan het ongeval zijn toe te schrijven. Aan [eiseres] wordt verzocht zich bij akte erover uit te laten hoe zij haar desbetreffende stelling wenst te bewijzen. Mocht zij benoeming van een medisch deskundige voorstaan, dan zal zij zich ook daarover en over de vragen moeten uitlaten.

4.26. Indien en voor zover door nader deskundigenonderzoek komt vast te staan dat sprake is van na juni 2008 voortdurende, ongevalsgerelateerde beperkingen bij het verrichten van huishoudelijk werk, zal een arbeidsdeskundige moeten worden benoemd ter voorlichting van de rechtbank over de vraag of - en zo ja, tot welke - behoefte aan huishoudelijke hulp die beperkingen leiden. [eiseres] wordt met het oog daarop verzocht zich ook over de eventueel te benoemen arbeidsdeskundige en de aan deze te stellen vragen in haar akte uit te laten.

verlies van zelfwerkzaamheid

4.27. [eiseres] vordert voorts vergoeding van de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden doordat zij door het ongeval een deel van de voorheen door haar uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden aan haar woning en tuin niet meer zelf kan verrichten. Zij heeft betoogd dat deze schade voor haar als eigenaar van een rijtjeswoning op basis van de richtlijn van de Letselschaderaad (voorheen het Nationaal Platform Personenschade geheten) in redelijk begroot kan worden op € 650,-- per jaar, waar volledige uitval tot een jaarschade van € 800,-- leidt. Doorgerekend tot aan haar 70e jaar bedraagt deze schadepost volgens [eiseres] in totaal € 22.987,--. Het bedrag van € 5.000,-- dat TVM in dit verband heeft vergoed, acht zij onvoldoende.

4.28. TVM meent dat ook in hier onvoldoende vaststaat dat [eiseres] door (voortdurende) ongevalsgerelateerde beperkingen wordt gehinderd in haar zelfwerkzaamheid. Ook hier geldt haar betaling van € 5.000,-- niet als erkenning van deze schade, aldus TVM.

4.29. Voor de onderhavige schadepost geldt hetzelfde als hiervóór, met betrekking tot de kosten van huishoudelijk hulp is overwogen en beslist. Samengevat: tot en met juni 2008 is op grond van het rapport van Padt en het door [eiseres] gevolgde reïntegratietraject voldoende aannemelijk dat zij ten gevolge van het ongeval niet alle in het kader van de zelfwerkzaamheid voorkomende taken zelf heeft kunnen doen. Aangezien TVM tegen de toepassing van de Aanbeveling Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad als zodanig geen bezwaren heeft geuit, zal met gebruikmaking daarvan de tot en met juni 2008 verschenen schade worden begroot. Uitgaande van een jaarschade van € 650,--, hetgeen de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet onredelijk acht, en een looptijd van (afgerond) 10 jaren bedraagt deze schadepost tot en met juni 2008 € 6.500,--. De stelling dat zij ook na juni 2008 aan het ongeval toe te rekenen beperkingen bij de zelfwerkzaamheid ondervindt, zal [eiseres] moeten bewijzen. Ook op dit punt wordt [eiseres] verzocht zich uit te laten (vgl. hiervoor, onder 4.25 en 4.26).

overige materiële schade

4.30. Onder de noemer ‘materiële kosten’ heeft [eiseres] vergoeding gevorderd van de volgende kosten die zij stelt ten gevolge van het ongeval te hebben gemaakt: extra kosten voor de aanschaf van een geschikt bed, kosten van (para-)medische behandelingen, therapieën en reïntegratie (waaronder reiskosten), toekomstige therapiekosten, kosten (waaronder reiskosten) van omscholing, extra telefoon- en portokosten, kosten in verband met kinderopvang gedurende medische behandelingen en de reïntegratie/omscholing, de aanschaf van schoolspullen en leermiddelen in verband met de omscholing. TVM heeft voor een bedrag van € 6.000,-- deze schade erkend en vergoed, maar dat is onvoldoende aangezien haar eigen optelsom sluit op een bedrag van € 19.373,05, aldus [eiseres].

4.31. Ook hier beroept TVM zich erop dat met de in het kader van de buitengerechtelijke afwikkeling gedane betalingen geen erkenning in houden. In geen geval overtreffen deze schadeposten het bedrag van € 6.688,-- dat zij ter zake daarvan heeft uitgekeerd, aldus TVM. Meer in het bijzonder heeft TVM nog betwist gehouden te zijn de toekomstige therapiekosten ad € 5.079,69 te voldoen, alsmede de kosten met betrekking tot ‘Cico Utrecht’, psychotherapie en ontspanningsmassages ad in totaal € 1.250,--, waarvan de medische zin niet vaststaat en het resultaat haar nooit is meegedeeld. Ook de in dit verband opgevoerd kosten van kinderopvang meent TVM niet aan [eiseres] verschuldigd te zijn.

4.32. De rechtbank zal de door [eiseres] opgevoerde schadeposten in het navolgende één voor één beoordelen en daarbij de door [eiseres] in de dagvaarding (onder nr. 60) gehanteerde nummering volgen.

4.33. In de (als onderdeel van productie 2 bij dagvaarding) overgelegde brief van de manueel therapeut Janssen van 20 augustus 2002 is vermeld dat [eiseres] op zijn aanraden een beter bed heeft aangeschaft. Op grond hiervan, in combinatie met de destijds bestaande klachten, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat [eiseres] op een beter bed was aangewezen, temeer waar TVM dit ook niet heeft betwist. De - door TVM evenmin weersproken - extra kosten daarvan ad € 1.408,-- (post a.) komen voor vergoeding in aanmerking.

4.34. Met betrekking tot de opgevoerde kosten van psychotherapie heeft TVM terecht gewezen op het ontbreken van een (voldoende duidelijke), ongevalsgerelateerde indicatie voor het ondergaan van die behandelingen. Enkel de (als onderdeel van productie 2) overgelegde, ongedateerde brief van E. Dalman - voor zover [eiseres] zich daarop wenst te beroepen ter onderbouwing van deze schadepost - is daarvoor onvoldoende. De met deze behandelingen samenhangende kosten (post b. i, b. v 2e bullet, post c. 3e bullet) komen niet voor vergoeding in aanmerking.

4.35. De onder b. ii opgevoerde schadepost van € 2.500,-- is onderbouwd met de verwijzing ‘(zie brief HK 12/12/02) t/m juli 2002’. Die brief is niet in het dossier te traceren, terwijl een adequate omschrijving van de achterliggende kosten ontbreekt. Voor toewijzing van deze kosten is dan geen plaats.

4.36. Wel voor vergoeding in aanmerking komen de kosten die verband houden met de manueel-therapeutische behandelingen die [eiseres] heeft ondergaan. De indicatie daarvoor blijkt genoegzaam uit de brief van de huisarts van [eiseres] van 18 januari 2000 (onderdeel van productie 2). Het betreft de - door TVM overigens niet bestreden - posten onder b. iii

(€ 55,--), c. 1e bullet (€ 618,24) en c. 2e bullet (€ 200,--), dus in totaal € 873,24.

4.37. Met betrekking tot de onder b. iv opgevoerde geschatte kosten van toekomstige therapie ad € 5.079,69 is ter zitting door en namens [eiseres] aangegeven dat geen behandelingen meer hebben plaatsgevonden. Nu is gesteld noch gebleken dat daarvan in de toekomst wel weer sprake zal zijn, slaagt het verweer van TVM daartegen en is deze schadepost niet toewijsbaar.

4.38. Welke behandelingen [eiseres] bij ‘Cico Utrecht’ (post b. v 1e bullet) in 2004-2005 heeft ondergaan en of daarvoor een medische indicatie bestond, is niet duidelijk. Gelet op het daartegen door TVM nu juist gevoerde verweer had het op de weg van [eiseres] gelegen deze schadepost nader te onderbouwen. Bij gebreke daarvan kunnen de met ‘Cico Utrecht’ verband houdende schadeposten niet worden toegewezen. Het betreft naast de behandelkosten de in dat verband opgevoerde reiskosten (sub c. 6e bullet).

4.39. De vordering ter zake van ‘ontspanningsmassage’ (post b. v 3e bullet), die eveneens door TVM is betwist, deelt het lot van de vordering inzake ‘Cico Utrecht’.

4.40. De posten die verband houden met de omscholing van [eiseres] in het kader van haar reïntegratie op de arbeidsmarkt die niet door het GAK of UWV zijn vergoed - en die overigens ook niet door TVM worden betwist - komen wel voor vergoeding in aanmerking. Het betreft de ‘reiskosten intake school’ ad € 20,-- (post c. 4e bullet) en de reiskosten in verband met school en stage in de tweede helft 2005 minus de van het stageadres ontvangen vergoeding, derhalve € 208,-- en € 957,60 (post c. 6e bullet). Ook de onder post c. 7e bullet opgenomen reiskosten in verband met de opleiding MBO en HBO in 2006 tot en met 2008 komen voor vergoeding in aanmerking, zij het dat voor het jaar 2008 de reiskosten voor slechts een half jaar (tot en met juni) voor vergoeding door TVM in aanmerking komen. Na aftrek van de reiskosten voor een half jaar (ad € 176,--) resteert een te vergoeden schadepost van € 880,--. Ook de op € 110,-- geschatte reiskosten van een stage (wederom post c. 7e bullet) behoren tot de te vergoeden schade. Voor de onder post d., 5e en 6e bullet genoemde kosten wegens de aanschaf van schoolspullen en leermiddelen ad € 150,-- en € 1.350,-- geldt hetzelfde. Het totale bedrag aan schade wegens niet door derden vergoede kosten van omscholing komt op € 3.675,60.

4.41. De ‘reiskosten DBC’ ad in totaal € 310,-- (post c. 5e bullet) komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. De indicatie voor dit trainingsprogramma volgt uit de rapportage van Padt.

4.42. Waarmee de in 2006-2008 gemaakte en onder post c. 7e bullet opgevoerde reiskosten ‘besprekingen advocaat en zitting rechtbank’ verband houden, heeft [eiseres] niet toegelicht. Het ligt echter voor de hand dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht. Ambtshalve wordt overwogen dat vergoeding van dergelijke kosten is inbegrepen in een eventuele proceskostenveroordeling in de desbetreffende procedure. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is er geen grond voor toewijzing van deze schadepost.

4.43. De onder post d., 2e tot en met 4e bullet gevordere kosten van kinderopvang tijdens de omscholing van [eiseres] vormen, op de eerder (in 4.24) al genoemde grond, geen door TVM te vergoeden schade.

4.44. Dat [eiseres] in de jaren na het ongeval extra telefoon- en portokosten heeft gemaakt, is op zichzelf aannemelijk en wordt niet bestreden, ook niet de beweerde omvang van die extra kosten. Het bedrag van € 1.000,-- dat [eiseres] daarvoor heeft opgevoerd komt voor vergoeding in aanmerking.

4.45. Opgeteld bij het hiervoor (onder 4.16) al genoemde bedrag van € 562,50 wegens in het studiejaar 2007-2008 niet door de werkgever vergoede studiekosten, komt het totale bedrag aan door TVM te vergoeden overige materiële schade op € 7.829,34.

smartengeld

4.46. De partijen hebben destijds al overeenstemming bereikt over de hoogte van het [eiseres] toekomende smartengeld. In de door TVM reeds betaalde bedragen aan schadevergoeding is dienovereenkomst een bedrag van € 8.643,45 begrepen.

buitengerechtelijke kosten

4.47. [eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in art. 6:96 die zij heeft gemaakt. Op grond van de BGK-L regeling vordert zij het ‘fixed fee’-bedrag van € 1.663,-- waarop de kosten van rechtsbijstand die haar rechtsbijstandsverzekeraar haar heeft heeft verleend tot en met oktober 2001. Dat betrof op grond van de polisvoorwaarden in wezen een voorschot, aldus [eiseres]. Verder maakt zij op grond van dezelfde regeling aanspraak op vergoeding van de daarna, in verband met de inschakeling door de rechtsbijstandsverzekeraar van haar advocaat tot en met (afgerond) april 2008 gemaakte, buitengerechtelijke kosten ad € 23.500,96 inclusief omzetbelasting en verschotten. Op grond van de polisvoorwaarden is zij gehouden ook vergoeding van deze kosten te vorderen, aldus [eiseres], namens wie ter zitting is aangeboden die in het geding te brengen. TVM volhardt in haar standpunt dat [eiseres] zelf geen kosten heeft gemaakt, maar haar rechtsbijstandsverzekeraar, op grond waarvan TVM [eiseres] in dit opzicht niets is verschuldigd. Aan de BGK-L regeling is TVM niet gebonden, zo heeft zij betoogd.

4.48. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding [eiseres] te verzoeken de polisvoorwaarden van haar rechtsbijstandsverzekeraar in het geding te brengen, bij akte, ter staving van haar aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door TVM.

eigen schuld wegens niet gedragen gordel

4.49. TVM heeft zich er in deze procedure verder nog op beroepen dat de op haar rustende schadevergoedingsplicht met 25% dient te worden verminderd, aangezien [eiseres] tijdens het ongeval haar autogordel niet droeg. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding hierop en op het verweer daartegen van [eiseres] nader in te gaan. In dit stadium van de procedure staat immers nog niet vast dat TVM aan [eiseres] nog een aanvullende betaling zal moeten doen, terwijl TVM van het reeds door haar betaalde in deze procedure niets terugvordert van [eiseres] wegens onverschuldigde betaling.

wettelijke rente

4.50. Tegen de door [eiseres] gevorderde wettelijke rente heeft TVM ingebracht dat zij door haar betalingen aan [eiseres] geen rente is verschuldigd. De rechtbank houdt ook haar beslissing op dit punt aan totdat de omvang van de totale schade vaststaat. Wel verzoekt zij de partijen zich bij akte respectievelijk antwoordakte uit te laten over de bedragen waarmee en de data waarop TVM voorschotbetalingen heeft gedaan, opdat in een later stadium van de procedure de eventuele verplichting tot vergoeding van de wettelijke rente kan worden vastgesteld.

volgorde deskundigenberichten

4.51. Ingeval naast het rekenkundig rapport ook een medisch (rov. 4.25) en een arbeidsdeskundig (rov. 4.26) moet worden ingewonnen, dient zich de vraag aan in welke volgorde deze rapporten worden ingewonnen. Aan de partijen wordt de gelegenheid geboden in hun akte hierover hun zienswijze te geven.

4.52. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 juli 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres] over hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.20, 4.25, 4.26, 4.29, 4.48, 4.50 en 4.51 is overwogen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries, mr. A.E.B. ter Heide en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2009.

Coll: CL