Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1751

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
171598
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:411 BW bepaalt dat indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling daarvan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. De opdrachtnemer heeft slechts recht op het volle loon, indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 171598 / HA ZA 08-1048

Vonnis van 10 juni 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAKMAN RETAIL ADVIES B.V.,

gevestigd te Meppel,

eiseres,

advocaat mr. G.A. de Boer te Meppel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DRESSXPRESS B.V.,

gevestigd te Barneveld,

gedaagde,

advocaat mr. R.F.M.E. Gommers.

Partijen zullen hierna Hakman Retail Advies en Dressxpress genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 december 2008

- de akte van Hakman Retail Advies,

- de akte van DressXpress.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Gebleven wordt bij hetgeen in het vonnis van 17 december 2008 is overwogen en beslist. Bij dat vonnis heeft de rechtbank Hakman Retail Advies in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de status van de vier kandidaten en haar beroep op artikel 7:411 BW uit te werken.

2.2. Allereerst dient te worden geoordeeld over de stelling van Hakman Retail Advies dat op grond van de overeenkomst met DressXpress is voldaan aan de voorwaarden waaronder zij aanspraak heeft op betaling van de overeengekomen vergoeding. Uitgangspunt is dat Hakman Retail Advies volgens de overeenkomst eerst aanspraak kan maken op betaling nadat een kandidaat is geplaatst (zie het tussenvonnis van 17 december 2008, rechtsoverweging 4.11).

2.3. Uit de door de partijen bij hun akte na tussenvonnis overgelegde stukken blijkt dat geen van de vier kandidaten die Hakman Retail Advies heeft genoemd ([kandidaat 1], [kandidaat 2], [kandidaat 3], [kandidaat 4]) in een winkel van DressXpress is geplaatst. Hieruit volgt dat de voorwaarde waaronder aanspraak bestaat op betaling van de overeengekomen vergoeding, niet is vervuld.

2.4. Hakman Retail Advies heeft daarover gesteld dat de kandidaten niet zijn geplaatst doordat tussen [betrokkene 1]s en [betrokkene 2] onenigheid is ontstaan. Daardoor heeft DressXpress geen vervolg gegeven aan de vier kandidaten, geen ondernemingsplannen voor hen opgesteld en niet meer gezocht naar geschikte locaties. Deze omstandigheid ligt buiten de invloedsfeer van Hakman Retail Advies en volledig binnen de invloedsfeer van DressXpress. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zo heeft Hakman Retail Advies betoogd, heeft zij onder deze omstandigheden aanspraak op de overeengekomen vergoeding.

2.5. Deze omstandigheden dienen echter niet zozeer in overweging te worden genomen bij de vraag of aanspraak op loon bestaat omdat de opdracht is volbracht (de kandidaten zijn geplaatst) als wel bij de vraag of aanspraak bestaat op het gehele of gedeeltelijke loon op grond van artikel 7:411 BW. Dat artikel geeft immers een regeling voor gevallen van voortijdige beëindiging van de opdracht.

2.6. Aangenomen moet worden dat de opdracht is beëindigd. Weliswaar is geen sprake geweest van een uitdrukkelijk zo aangeduide opzegging, maar tussen partijen staat vast dat [betrokkene 2] namens DressXpress aan Hakman expliciet te kennen heeft gegeven, naar hij stelt reeds in het gesprek van 12 september 2007, maar in ieder geval bij brief van 30 oktober 2007 en ook in deze procedure, dat hij geen grond ziet voor de vordering, dat hij geen opdracht heeft gegeven en dat hij niet van zins is van de wervingsactiviteiten van Hakman Retail Advies gebruik te maken. Hakman Retail Advies heeft zich voorts bij haar akte na tussenvonnis op het standpunt gesteld dat de overeenkomst is beëindigd, hetgeen door DressXpress niet is betwist. Daarvan zal dus worden uitgegaan.

2.7. Artikel 7:411 BW bepaalt dat indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling daarvan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. De opdrachtnemer heeft slechts recht op het volle loon, indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is.

2.8. Ook bij de beoordeling van de vordering op grond van artikel 7:411 BW zal het uitgangspunt zijn dat het handelen van [betrokkene 1]s aan DressXpress wordt toegerekend (zie het tussenvonnis van 17 december 2008, rechtsoverweging 4.8). Met andere woorden, ook in dit kader is uitgangspunt dat Hakman Retail Advies er op mocht vertrouwen dat [betrokkene 1]s DressXpress vertegenwoordigde.

Het verweer van DressXpress gaat er op verschillende onderdelen van uit dat het handelen van [betrokkene 1]s haar niet regardeert. Dat uitgangspunt is onjuist. Dat tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1]s een breuk is ontstaan, is een omstandigheid waar Hakman Retail Advies buiten staat. DressXpress heeft jegens Hakman Retail Advies de gevolgen te dragen van het handelen van [betrokkene 1]s, ook al kan zij zich in dat handelen niet vinden.

2.9. Het verweer van DressXpress dat Hakman Retail Advies niet de bij dergelijke franchiseformules normaal gehanteerde toelatingsprocedure heeft gevolgd, is daarom niet van belang. Het staat immers wel vast dat Hakman Retail Advies in nauw overleg met [betrokkene 1]s haar wervingsactiviteiten heeft verricht. Het was dan aan [betrokkene 1]s om Hakman Retail Advies op de te hanteren toelatingsprocedure te wijzen

2.10. Verder heeft DressXpress niet voldoende gemotiveerd betwist dat de kandidaten [kandidaat 1], [kandidaat 3], [kandidaat 4] en [kandidaat 2] door [betrokkene 1]s zijn goedgekeurd. Haar stelling dat [betrokkene 1]s dat mogelijk uit rancune heeft bevestigd, acht de rechtbank te vaag, te meer daar de stelling van Hakman dat vier kandidaten zijn goedgekeurd wordt ondersteund door de email van 10 april 2007 van [betrokkene 1]s, dus van vóór de breuk tussen [betrokkene 1]s en [betrokkene 2]. DressXpress wordt daarom ook niet gevolgd in haar stelling dat de kandidaat [kandidaat 3] ongeschikt zou zijn vanwege zijn onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Die onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal heeft immers aan de goedkeuring door [betrokkene 1]s niet in de weg gestaan. Wat betreft de kandidaat [kandidaat 4] heeft DressXpress nog aangevoerd dat zij niet verder is gekomen dan een eerste gesprek. Die stelling wordt echter gelogenstraft door het statusoverzicht ten aanzien van deze kandidaat, en de email van [betrokkene 1]s van 10 april 2007, waaruit blijkt dat deze kandidaat de dag erna zou worden getest.

2.11. Hakman Retail Advies heeft echter ten aanzien van de kandidaat [kandidaat 2] onvoldoende duidelijk gemaakt op welke grond zij aanspraak kan maken op een fee. Uit de door Hakman Retail Advies overgelegde emailcorrespondentie blijkt dat [kandidaat 2] via de website van DressXpress contact heeft gezocht, dat [betrokkene 1]s haar vervolgens in contact heeft gebracht met de franchisenemer van DressXpress uit Heerenveen voor een bezoekje aan de winkel, en dat [betrokkene 1]s daarna een vervolgafspraak met [kandidaat 2] heeft gemaakt. Uit het statusoverzicht dat Hakman Retail Advies ten aanzien van [kandidaat 2] in het geding heeft gebracht wordt niet duidelijk welke werkzaamheden Hakman Retail Advies ten behoeve van de werving van [kandidaat 2] heeft verricht, te meer daar DressXpress volgens de stellingen van Hakman Retail Advies de testen, het ondernemingsplan en de locatie verzorgde. Ook in het als productie 24 bij akte door Hakman Retail Advies overgelegde overzicht komt [kandidaat 2] niet voor. Omdat wat betreft deze kandidaat onvoldoende is gesteld, zal de vordering voorzover die op haar ziet worden afgewezen.

2.12. Voor wat de overige kandidaten betreft heeft DressXpress niet voldoende gemotiveerd betwist dat Hakman Retail Advies deze heeft geworven en overigens in beginsel alle door haar te verrichten werkzaamheden wat betreft deze kandidaten heeft verricht. Ook staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat het op de weg van DressXpress lag te zorgen voor financiering, een ondernemingsplan en een locatie, zij het dat het risico dat dat niet zou lukken op grond van de no cure no pay afspraak in beginsel bij Hakman Retail Advies ligt.

2.13. Het is echter niet zozeer dát risico, te weten dat de kandidaten geen financiering konden krijgen of dat geen locatie zou worden gevonden, dat zich heeft verwezenlijkt. De oorzaak van het uitblijven van plaatsing is eerst en vooral gelegen in het feit dat tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1]s een breuk is ontstaan, dat DressXpress geen actie meer heeft ondernomen ten aanzien van deze kandidaten en dat DressXpress nadien de diensten van Hakman Retail Advies heeft geweigerd. Die breuk en de gevolgen daarvan (waaronder de beëindiging van de overeenkomst) zijn aan DressXpress toe te rekenen.

2.14. Onder deze omstandigheden, waarin het einde van de overeenkomst aan DressXpress is toe te rekenen, waarin gesteld noch gebleken is dat voor Hakman Retail Advies noemenswaardige besparingen uit de voortijdige beëindiging van de overeenkomst zullen voortvloeien, en waarin aannemelijk is dat Hakman Retail Advies zich aanzienlijke inspanningen heeft getroost voor de werving ten behoeve van DressXpress, acht de rechtbank het in beginsel redelijk dat Hakman Retail Advies aanspraak maakt op het volle loon voor de kandidaten.

2.15. DressXpress heeft nog aangevoerd dat Hakman Retail Advies, nadat DressXpress te kennen had gegeven dat zij zich niet gebonden achtte aan de overeenkomst die [betrokkene 1]s namens DressXpress met Hakman Retail Advies was aangegaan, doorgegaan is met het zoeken van een locatie voor de kandidaten [kandidaat 1], [kandidaat 2], [kandidaat 4] en [kandidaat 3]. Bovendien is gebleken dat de kandidaat [kandidaat 3] inmiddels is geplaatst als franchisenemer van 2DressUp, een concurrerende franchiseformule waarbij [betrokkene 1]s intensief betrokken is. Hakman Retail Advies is dus volgens DressXpress contacten blijven onderhouden met [betrokkene 1]s, nadat zij ervan op de hoogte was gesteld dat [betrokkene 1]s niet (langer) als contactpersoon voor DressXpress kon worden beschouwd. Daarom kan Hakman Retail Advies zich volgens DressXpress niet te goeder trouw op artikel 7:411 BW beroepen. Zij heeft de kandidaten kennelijk aangeboden aan de concurrerende keten 2DressUp, op een moment dat zij wist dat [betrokkene 1]s niet langer voor DressXpress werkzaam was, maar voor 2DressUp. Daarmee is Hakman Retail Advies tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen jegens DressXpress, aldus nog steeds DressXpress.

2.16. Dat Hakman Retail Advies zelf in september en oktober 2007 op zoek is gegaan naar een locatie voor de kandidaten, kan de rechtbank uit de overgelegde gegevens niet afleiden. Bij [kandidaat 1] bijvoorbeeld staat op 25 oktober 2007 zowel vermeld ‘locatie zoeken’ als ‘einde proces’. Bij [kandidaat 3] staat op 25 september 2007 zowel vermeld ‘inhuren locatie’ als ‘plaats, formule en bvo bepalen’. Daarbij staat vermeld ‘ligt bij adriaan’, ‘naar adriaan vragen en kijken hoe het verder gaat’. Daaruit blijkt dus niet dat Hakman Retail Advies de locatie zou zoeken. Hetzelfde geldt voor de kandidaat [kandidaat 4]. Wel blijkt uit de door Hakman Retail Advies overgelegde statusoverzichten dat er na 12 september 2007 nog contact is geweest tussen [betrokkene 1]s en Hakman. Ook is voldoende aannemelijk dat [kandidaat 3] zich heeft verbonden aan 2DressUp. Die omstandigheden acht de rechtbank echter onvoldoende voor het oordeel dat Hakman Retail Advies zich niet te goeder trouw op artikel 7:411 BW mag beroepen, met andere woorden, dat het beroep van Hakman Retail Advies op artikel 7:411 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Over de wijze waarop [kandidaat 3] zich aan 2DressUp heeft verbonden en wat de betrokkenheid van Hakman Retail Advies daarbij was, heeft DressXpress geen concrete feiten gesteld. Uit de stukken blijkt niet van enige betrokkenheid van Hakman Retail Advies bij de kandidaten na september 2007 ([kandidaat 3], [kandidaat 4]) en oktober 2007 ([kandidaat 1]). Wat betreft de contacten uit september 2007 en oktober 2007 blijkt uit de stukken niet meer dan dat is genoteerd wat de status van de kandidaten was, dat zij bij Adriaan lagen en dat een locatie werd gezocht. Ook heeft DressXpress niet gesteld dat Hakman Retail Advies betaling voor de plaatsing van [kandidaat 3] heeft verkregen van 2DressUp.

2.17. Al met al kan worden geconcludeerd dat Hakman Retail Advies gedurende de periode van bijna een jaar dat zij wervingswerkzaamheden voor DressXpress verrichtte steeds contact heeft gehad met [betrokkene 1]s, dat vervolgens een breuk is ontstaan tussen [betrokkene 1]s en [betrokkene 2], welke breuk in de risicosfeer van DressXpress ligt en dat [betrokkene 2] naar zijn zeggen toen (op 12 september 2007) aan Hakman Retail Advies te kennen heeft gegeven geen grond te zien voor haar vordering. Onder die omstandigheden is niet direct in te zien waarom het een toerekenbare tekortkoming van Hakman Retail Advies jegens DressXpress zou zijn dat zij nog contact met [betrokkene 1]s heeft gehad of waarom haar beroep op artikel 7:411 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

2.18. Op grond van het voorgaande is in hoofdsom € 12.495,00 toewijsbaar. Nu niet is komen vast te staan dat de algemene voorwaarden van Hakman Retail Advies op de overeenkomst van toepassing zijn (zie het tussenvonnis van 17 december 2008, rechtsoverweging 4.14), bestaat geen grond voor toewijzing van de contractuele rente. Wel is toewijsbaar de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 15 oktober 2007, zijnde de vervaldatum van de factuur van 1 oktober 2007.

2.19. De buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, omdat Hakman Retail Advies onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van werkzaamheden die meer omvatten dan een enkele aanmaning.

2.20. DressXpress zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hakman Retail Advies worden begroot op:

- dagvaarding € 71,80

- vast recht € 420,00

- salaris advocaat € 1.130,00 (2,5 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal € 1.621,80

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt Dressxpress om aan Hakman te betalen een bedrag van EUR 12.495,00 (twaalfduizendvierhonderdvijfennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119a BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 15 oktober 2007 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt Dressxpress in de proceskosten, aan de zijde van Hakman tot op heden begroot op € 1.621,80,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2009.