Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1583

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-04-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/3718
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK7478, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is aan verweerster wegens de afwikkeling van de verstrekte hypotheekgarantie een bedrag van € 45.204,51 verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat verweerster in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de schuld niet kwijt te schelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/3718

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 6 april 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 2 juli 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2007 heeft verweerster aan eiser medegedeeld dat hij een bedrag van

€ 45.204,51 aan verweerster is verschuldigd. Eisers woning is gedwongen verkocht en de opbrengst van de verkoop was onvoldoende om de volledige hypotheek af te lossen. Omdat de woning was gefinancierd met Nationale Hypotheek Garantie heeft verweerster het tekort aan de geldgever vergoed. Verweerster heeft verder medegedeeld dat niet is voldaan aan de criteria om kwijtschelding van de schuld te verlenen en dat eiser de schuld voor een bedrag van € 30.458,09 kan afkopen.

Bij besluit van 12 april 2007 heeft verweerster het besluit van 3 april 2007 in die zin gewijzigd dat het afkoopbedrag is verlaagd tot een bedrag van € 22.602,26.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerster het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerster is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 december 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Boudeling, mr. drs. F.M. Schuit en G.W. Kleisen.

3. Overwegingen

Uit de gedingstukken is de rechtbank het volgende gebleken. Op 28 juli 2003 hebben eiser en zijn voormalige partner met de Rabobank een overeenkomst van geldlening tot een bedrag van € 216.000 voor de aankoop van een woning in Oosterhout gesloten. Op de woning is ten gunste van de Rabobank een hypotheek gevestigd. Verweerster heeft ter zake van de financiering van de woning een hypotheekgarantie verstrekt. Wegens betalingsproblemen bij eiser is de Rabobank op 12 september 2006 overgegaan tot gedwongen verkoop van de woning. De opbrengst van de verkoop was onvoldoende om de lening volledig af te lossen. Bij brief van 13 maart 2007 heeft verweerster aan de Rabobank medegedeeld bereid te zijn om van het gedeclareerde totale verlies van € 52.502,65 een bedrag van € 45.204,51 over te nemen.

Indien verweerster als borg een betaling aan de geldgever heeft gedaan is zij op grond van het bepaalde in artikel A3 van de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht 2003 (hierna: de Algemene Voorwaarden) in beginsel bereid de vordering ter zake van deze betaling niet bij de geldnemer in te vorderen mits en voor zover naar haar oordeel is gebleken dat:

1. de geldnemer ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening te goeder trouw is geweest, en

2. de geldnemer zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening te geraken.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerster ten grondslag, dat aan voormelde voorwaarden voor kwijtschelding van de vordering niet is voldaan, omdat geen sprake is van aangetoonde werkloosheid in combinatie met onderhandse verkoop van de woning. Verweerder heeft om tot dit standpunt te komen het volgende vastgesteld:

- ten tijde van de aanvraag voor een Nationale Hypotheek Garantie is op een werkgeversverklaring van de besloten vennootschap [vennootschap] ten onrechte aangegeven dat eiser geen directeur-grootaandeelhouder van deze vennootschap was;

-de inkomsten uit dit bedrijf nihil waren;

-eiser kan niet aantonen dat hij werkloos is geworden;

-eiser gebruikte het onderpand in 2006 niet meer als hoofdverblijf;

-eiser heeft het onderpand tegen het advies van de Rabobank in verhuurd;

-een onderhands uitgebracht bod op de woning van € 200.000 is, ondanks doorverwijzing door de bank, niet bij de notaris uitgebracht.

In het verweerschrift heeft verweerster daaraan nog toegevoegd, dat eiser het niet tot een veiling van de woning had moeten laten komen. Hij had in zijn communicatie met de Rabobank vanaf april 2006, toen hij kennelijk een makelaar had ingeschakeld voor de onderhandse verkoop van de woning, moeten benadrukken dat hij zich inspande de woning te verkopen zodat de Rabobank zou hebben afgezien van het inzetten van de veiling. Daarbij is het voor verweerster onbegrijpelijk dat de door eiser (kennelijk) ingeschakelde makelaar eiser niet heeft geadviseerd en begeleid bij het overleg met de Rabobank en de notaris bij het bod van € 200.000.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en voert daartoe samengevat aan, dat hij met de beste intenties heeft gehandeld. De betalingsachterstanden zijn ontstaan door overmacht, namelijk door een brand in januari 2006 in het bedrijf van zijn ex-partner, waardoor dit bedrijf heeft opgehouden te bestaan. Nadat de Rabobank het besluit tot verkoop van de woning heeft genomen, heeft hij zich tot het uiterste ingespannen om tot een snelle verkoop van de woning te komen, door een makelaar in te schakelen, de woning zelf op te knappen en door de Rabobank en de notaris van CMS Derks Star Busmann te berichten over het bod van € 200.000, uitgebracht door de heer [naam] van investeringsmaatschappij De Vaan Heerenveen BV. De Rabobank heeft volgens eiser om voor hem onbekende redenen het bod van [naam] niet geaccepteerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan: een persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 12 november 1998 (LJN: ZF3610) het oordeel uitgesproken, dat verweerster bij beslissingen inzake het al dan niet verstrekken van hypotheekgaranties openbaar gezag uitoefent, omdat daarbij kort gezegd van nauwe betrokkenheid van overheidswege sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit, mede gelet op de ter zitting namens verweerster gegeven toelichting, evenzeer het geval bij beslissingen inzake de afwikkeling van de verstrekte hypotheekgarantie jegens degene aan wie de garantie is verstrekt. Een dergelijke beslissing moet daarom worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser aan verweerster wegens de afwikkeling van de verstrekte hypotheekgarantie een bedrag van € 45.204,51 is verschuldigd. In dit geding moet worden beoordeeld of verweerster in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de schuld niet kwijt te schelden. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het gelet op voormelde voorwaarden aan eiser is om aannemelijk te maken dat aan beide voorwaarden voor kwijtschelding is voldaan.

De rechtbank heeft het standpunt van verweerster, dat geen sprake is van aangetoonde werkloosheid in combinatie met onderhandse verkoop van de woning, aldus begrepen, dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat eiser zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening te geraken. De rechtbank is van oordeel, dat verweerster zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat eiser in januari 2006 werkloos is geworden en om die reden in betalingsproblemen is geraakt. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij in het bedrijf van zijn voormalige partner heeft gewerkt, maar heeft deze stelling niet met bewijsstukken ondersteund.

Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank ook niet in geslaagd aannemelijk te maken, dat hij voldoende heeft getracht te voorkomen dat de Rabobank zou overgaan tot een gedwongen verkoop van de woning. De enkele inschakeling van een makelaar in april 2006, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat een in september 2006 uitgebracht bod op de woning, ondanks dat een makelaar was ingeschakeld, niet heeft geleid tot een onderhandse verkoop van de woning.

Het niet voldoen aan het in artikel A3, eerste lid, onder 2, van de Algemene Voorwaarden opgenomen vereiste heeft tot gevolg, dat verweerster in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiser geen kwijtschelding van de schuld te verlenen. De rechtbank laat in het midden of al dan niet aan de eerste voorwaarde inzake de goede trouw is voldaan.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande geen termen aanwezig om verweerster te veroordelen tot een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb. Verweerster heeft verzocht om eiser te veroordelen in de gemaakte proceskosten, maar ook daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding. Ingevolge het eerste lid van voornoemd artikel moet dan sprake zijn van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht en daarvan is in dit geval geen sprake.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, en mr. W.H.A.C.M. Bouwens en

mr. E. Klein Egelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Smeenk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 6 april 2009