Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1559

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/3627
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een verkeersbesluit om het Gele Rijders Plein en omgeving te Arnhem om te vormen tot voetgangersgebied. De rechtbank Arnhem verklaart de beroepen ongegrond, omdat de bij het verkeersbesluit betrokken belangen in de besluitvorming zijn meegenomen en het besluit ook voldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/3627, 08/3628, 08/3630 en 08/3631

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 29 mei 2009

inzake

1. Vereniging City Centrum Arnhem, gevestigd te Arnhem,

2. De maatschap [maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [eiser] te [woonplaats],

4. [eiser] te [woonplaats],

5. [eiser] te [woonplaats],

6. [eiser] te [woonplaats],

7. [eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] te [vestigingsplaats],

8. [eiser], h.o.d.n. [handelsnaam] te [vestigingsplaats],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 30 juni 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder besloten verkeersmaatregelen te nemen in het gebied Gele Rijders Plein, Looiersstraat, Telefoonstraat en Johnny van Doornplein te Arnhem.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder een aantal daartegen ingediende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, en de overige bezwaren, waaronder de door eisers ingediende bezwaren, ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit zijn beroepen ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 april 2009. De Vereniging City Centrum Arnhem (hierna: CCA) heeft zich daar laten vertegenwoordigen door R.C. Weiss en P.F.M. Hoefsloot. Eisers sub 2 tot en met 6 zijn daar vertegenwoordigd door mr. M.C. Spil. Eiseres sub 2 heeft zich daarnaast laten vertegenwoordigen door mr. P.A.C. de Vries. Eiser sub 7 ( hierna mede te noemen: eiser [naam]) en eiser sub 8 (hierna te noemen: eiser [naam]) zijn in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.F.M. Bouwkamp en door A.K. Uil.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels, voor zover hier van belang, strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit. Ingevolge het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen (BABW) inzake het wegverkeer moet de plaatsing of verwijdering van onder meer de borden B4, B5, B6, E1, E5, E6, E7, G7 en G11, zoals opgenomen in bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het BABW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder de Telefoonstraat, de Looierstraat, het Gele Rijders Plein en het Johnny van Doornplein aangewezen tot voetgangersgebied door middel van het plaatsen van borden overeenkomstig model G7 van bijlage I van het RVV 1990 . De plaatsing van deze borden is ondersteund door het plaatsen van vaste en beweegbare palen.

Door het plaatsen van onderborden bij de borden model G7 is in het aangewezen voetgangersgebied fietsen toegestaan en is het gebied binnen venstertijden voor expeditieverkeer toegankelijk. In het aangewezen gebied wordt een te realiseren fietsvoorziening door plaatsing van borden G11 aangewezen als verplicht fietspad. Verder is besloten om in het gebied een aantal aanwezige verkeersborden te verwijderen, te weten model E1 (parkeerverbod), model E5 (taxistandplaats) model E6 (gehandicaptenparkeerplaats), E7 (laad- en loszone) en de modellen B4, B5 en B6 (voorrangsborden). Ten slotte is besloten om een in het gebied aanwezige voetgangersoversteekplaats te verwijderen.

Aan dit besluit, dat bij het thans bestreden besluit is gehandhaafd, heeft verweerder samengevat ten grondslag gelegd dat de openbare ruimte van het Gele Rijders Plein en omgeving niet meer voldoet aan de hedendaagse normen en daarom voor herinrichting in aanmerking komt. Het drukke verkeer van en naar parkeerplaatsen in dit gebied leidt tot een aanzienlijke vermindering van de aantrekkelijkheid en van de verkeersveiligheid in dit gebied. Om het aantal verkeersgevaarlijke situaties en het onrustige straatbeeld te reduceren is verweerder van mening dat de toegankelijkheid van dit gebied voor autoverkeer moet worden beperkt.

Eisers sub 1 tot en met 7 hebben tegen het bestreden besluit aangevoerd dat het na bezwaar gehandhaafde besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet is gebaseerd op objectieve gegevens. Verweerder had volgens hen onderzoek moeten doen naar de effecten van het besluit op de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Deze eisers verwachten door de verminderde bereikbaarheid van het gebied een omzetdaling bij de ondernemers, die uiteindelijk tot meer leegstand in het gebied zal leiden. CCA heeft verder betoogd dat de maatregelen waartoe verweerder heeft besloten, de verkeersonveiligheid niet verminderen en zelfs ter hoogte van een door hen genoemde afsluiting een ontoelaatbare verkeerssituatie oplevert. Eisers sub 1 tot en met 7 hebben verder aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de effecten van een door hen ontwikkeld alternatief plan. Dit plan, dat mede door CCA is ontwikkeld, voorziet in een alternatieve ontsluiting van het Gele Rijders Plein door het creëren van een doorsteek naar het Willemsplein. CCA heeft gewezen op het belang van haar leden bij het bevorderen van de leefbaarheid van het gebied en op een goede bereikbaarheid, ook met de auto, van de in het gebied gevestigde ondernemers. Eisers sub 2 tot en met 6 vrezen ten gevolge van de maatregelen een verminderde bereikbaarheid en bruikbaarheid van de parkeerplaatsen achter de panden Jansbinnensingel 24 en 25 te Arnhem. Zij vrezen dat de verhuurbaarheid en in verband daarmee de waarde van deze panden in het geding komt. Eiser [naam] heeft aangegeven dat verweerder geen passend antwoord heeft gegeven op de vraag hoe zijn eigen parkeerplaatsen bereikbaar blijven voor zijn klanten. Resumerend zijn deze eisers van mening dat verweerder hun bezwaren onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd en dat niet alle belangen behoorlijk zijn meegewogen.

Eiser [naam] heeft aangegeven dat zijn onderneming sterk afhankelijk is van een goede bereikbaarheid per auto en van voldoende parkeergelegenheid. De gevolgen van de verkeersmaatregelen zijn voor hem onaanvaardbaar. Hij is van mening voetgangers in het gebied niet veilig zijn voor bromfietsers, fietsers en auto’s voor vergunninghouders omdat het gebied niet geheel als voetgangersgebied wordt ingericht. Eiser [naam] is eveneens van mening dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor de aangedragen alternatieven, waaronder het alternatief plan dat mede door CCA is ontwikkeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, LJN: BA2645, komt verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een verkeersbesluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de wens tot herinrichting van het Gele Rijders Plein en omgeving en de omvorming daarvan tot een autovrij winkelgebied reeds in het Stedelijk Vervoerplan 2000-2010 staan vermeld. Verweerders opvatting dat herinrichting van het gebied onvoldoende is om de door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of de functie van het gebied tegen te gaan, vindt steun in een in 2006 gehouden enquête en informatieavond. Deze hebben uitgewezen dat een ruime meerderheid van de ondervraagden de toenmalige inrichting van het Gele Rijders Plein onvoldoende vond en voorstander was van een omvorming van het Gele Rijders Plein tot voetgangersgebied met deels parkeren voor vergunninghouders. Verder zijn in opdracht van verweerder in 2007 visuele verkeerstellingen verricht die uitwijzen dat een groot deel van het gemotoriseerd verkeer in het gebied als sluipverkeer dient te worden bestempeld.

Verweerders standpunt dat de verkeerssituatie in het gebied voorafgaand aan het bestreden besluit met verkeersonveilige situaties gepaard gaat is onder meer onderbouwd met het zich onder gedingstukken bevindende rapport “Ongevallen onderzoek Gele Rijders Plein en omgeving”. Volgens dit rapport hebben in de periode 2002-2006 98 geregistreerde ongelukken in het gebied plaatsgevonden, waarbij in diverse gevallen voetgangers of (brom)fietsers betrokken waren. Uit het rapport blijkt verder dat de meeste slachtofferongevallen tussen gemotoriseerd en langzaam verkeer hebben plaatsgevonden.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de belangen waaraan het bestreden besluit beoogt tegemoet te komen, belangen zijn die vallen binnen de reikwijdte en strekking van artikel 2 van de WVW 1994. Gelet hierop was verweerder bevoegd een verkeersbesluit te nemen in de zin van artikel 15 van de WVW 1994. De hiervoor genoemde stukken bieden, anders dan een aantal eisers betogen, voorts voldoende objectieve gegevens om de genomen verkeersmaatregelen op te kunnen baseren.

De stelling van een aantal eisers dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de effecten van het besluit, falen. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder zich de nodige moeite heeft getroost om de bij de besluitvorming betrokken belangen in beeld te brengen. Behalve de eerdergenoemde informatieavond en de gehouden enquête is voorafgaand aan de besluitvorming de gelegenheid geboden om ten aanzien van de voorgenomen maatregelen zienswijzen kenbaar te maken. De ingekomen zienswijzen zijn door verweerder in een nota van zienswijzen van november 2007 besproken en zijn bij de besluitvorming betrokken.

Anders dan eisers betogen heeft verweerder bij de afweging van de belangen in voldoende kenbare mate oog gehad voor de gevolgen van de afsluiting voor autoverkeer en het verdwijnen van parkeerplaatsen voor bezoekers op het Gele Rijders Plein en aan de Looierstraat. Zo is de bereikbaarheid van het gebied voor expeditieverkeer en vergunninghouders geregeld en is als uitgangspunt geformuleerd dat het gebruik van de aan bedrijven toebehorende parkeerplaatsen zoveel mogelijk wordt gewaarborgd. Verder is onderzoek gedaan naar de akoestische gevolgen van de maatregel en naar de gevolgen van de maatregelen voor de waarde van panden in het gebied. Door eisers is verder niet bestreden dat verweerder heeft geïnvesteerd in een uitbreiding van parkeercapaciteit in de omgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus, ook zonder een diepgaander onderzoek naar de economische consequenties van het besluit, voldoende kennis vergaard omtrent de af te wegen belangen om een besluit te kunnen nemen.

Ook de stelling dat de verkeersmaatregelen waartoe verweerder heeft besloten, de verkeersonveiligheid niet zullen verminderen, faalt. Gelet op het niet onaanzienlijke aantal geregistreerde ongevallen tussen 2002 en 2006 in het gebied, waarbij in 92% van de gevallen een motorvoertuig betrokken was, ligt het in de rede te veronderstellen dat terugdringing van het aantal voertuigbewegingen in het gebied de verkeersveiligheid ten goede zal komen.

De rechtbank volgt CCA ook niet in haar stelling dat ter hoogte van de ter zitting nader aangeduide afsluiting een ontoelaatbare verkeerssituatie ontstaat. Namens verweerder is ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat een automobilist die zonder ontheffing voor die afsluiting komt te staan, op een verantwoorde wijze zijn weg zal kunnen vervolgen. De rechtbank heeft verder onvoldoende grondslag gevonden voor de stelling van eiser [naam] dat de maatregelen zullen leiden tot een verkeersonveilige situatie voor voetgangers. Hierbij neemt de rechtbank onder meer in aanmerking dat het besluit voorziet in de inrichting van een afzonderlijke en als zodanig herkenbare fietsstrook.

Ook het betoog dat verweerder niet zonder nader onderzoek voorbij heeft kunnen gaan aan het door CCA ontwikkelde alternatieve plan, faalt. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het kader van de voorbereiding van een verkeersbesluit verweerder binnen zijn ruime beoordelingsmarge aandacht moet besteden aan mogelijke alternatieve maatregelen die eenzelfde effect bereiken met minder bezwaren, maar dat het aan verweerder is om een keuze te maken. In dit geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dat met het aangedragen alternatief eenzelfde effect wordt bereikt. Het ter zitting nader besproken alternatief heeft weliswaar als voordeel dat het Johnny van Doornplein geheel autovrij wordt gemaakt, maar verweerder heeft reeds in de bezwaarfase aangegeven dat hiertegenover staat dat dit plan een verkeersonveilige situatie op de Jansbinnensingel creëert. Het alternatieve plan leidt verder tot een toename van het aantal verkeersbewegingen in het gebied. Ook voorziet het plan in een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen op het Gele Rijders Plein en de Looierstraat. Verweerder heeft dit aangedragen alternatief, vanwege de strijdigheid daarvan met het gemeentelijke beleid om het gebied leefbaarder, aantrekkelijker en veiliger te maken, daarom in redelijkheid terzijde kunnen schuiven.

Het in beroep aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de belangen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, en artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994, heeft kunnen laten prevaleren boven de in de beroepschriften genoemde belangen van eisers bij de bereikbaarheid van de in het gebied gevestigde bedrijven en van de aan die bedrijven toebehorende parkeerplaatsen. De rechtbank neemt daarbij met betrekking tot de bereikbaarheid van de eigen parkeerplaatsen in ogenschouw dat verweerder in de bezwaarprocedure heeft toegezegd dat parkeren door bezoekers op deze parkeerplaatsen wordt toegestaan. De mogelijkheid tot het gebruik van parkeerplaatsen door bezoekers is ten aanzien van de parkeerplaatsen van de kantoorpanden aan de Jansbinnensingel 24-25 inmiddels op een zodanige wijze uitgewerkt, dat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aan de gerezen bezwaren wordt tegemoetgekomen. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van de zaak vanuit dat verweerder zich ook ten aanzien van de parkeerplaatsen van andere bedrijven, waaronder die van eiser [naam], de nodige moeite zal getroosten om tot een op die bedrijven toegespitste uitwerking van de mogelijkheid tot het parkeren door bezoekers te komen, zoals hij ter zitting heeft verklaard.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de genoemde individuele belangen afdoende in de belangenafweging heeft betrokken en het besluit ook voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. De beroepen dienen dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.H.A. van der Grinten, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 29 mei 2009