Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1550

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-06-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/5874
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BV5418
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In artikel 1.3, aanhef en onder f, van de Verordening is bepaald dat er geen recht op een voorziening bestaat indien de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bepaling in strijd met artikel 4 van de Wmo en derhalve onverbindend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5874

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 15 juni 2009

inzake

[naam eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. I. Winia,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 november 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) in de vorm van verhuiskosten afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 12 mei 2009. Eiser is daar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser geen recht heeft op een verhuiskostenvergoeding nu hij de verhuiskosten heeft gemaakt voorafgaand aan het moment van het besluit op de aanvraag.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de noodzaak voor de verhuizing ook achteraf nog had kunnen vaststellen.

De rechtbank dient ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep te beoordelen. Op grond van artikel 7:1 van de Awb – voor zover hier van belang – dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar in te stellen. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 25 augustus 2008 niet is ondertekend door eiser maar door zijn partner, mw. [naam partner]. Zij heeft zichzelf daarbij aangeduid als ‘mevr. [naam eiser]’. Nu mevrouw [naam partner] blijkens de overige gedingstukken normaal gesproken onder haar eigen naam optreedt, concludeert de rechtbank dat zij door de aangehaalde ondertekening beoogd heeft het bezwaarschrift namens eiser in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee aan artikel 7:1 van de Awb is voldaan en acht het beroep derhalve ontvankelijk.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 6 juni 2008 heeft eiser een aanvraag tot vergoeding van verhuiskosten ingediend. Op dezelfde dag heeft eiser het huurcontract voor de nieuwe woning ondertekend en op 21 juli 2008 is hij met zijn partner naar de nieuwe woning aan de [adres] verhuisd. Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag op 18 augustus 2008 een huisbezoek afgelegd op het oude adres van eiser aan de [adres] met als doel de noodzaak van de verhuizing te beoordelen. Deze woning was op dat moment niet bewoond.

Het wettelijk kader is als volgt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, onderdeel 6, van de Wmo wordt onder maatschappelijke ondersteuning verstaan: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a van de Wmo is bepaald – voor zover hier van belang – dat het college ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is door de gemeente Arnhem uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Arnhem 2008 (hierna: de Verordening).

In artikel 1.3, aanhef en onder f, van de Verordening is bepaald dat er geen recht op een voorziening bestaat indien de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 1.3, aanhef en onder f, van de Verordening in het voorliggende geval in de weg staat aan het toekennen van een verhuiskostenvergoeding. Eiser was immers al verhuisd voordat verweerder een besluit op zijn aanvraag had genomen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze bepaling uit de Verordening in overeenstemming is met het bepaalde in de Wmo. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit artikel 4 van de Wmo vloeit voort dat verweerder gehouden is voorzieningen te verstrekken aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer. De aard van de voorziening dient te zijn afgestemd op de door de belanghebbende ondervonden beperkingen waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat door het verstrekken van voorziening de belanghebbende in een gelijkwaardige positie wordt gebracht als een persoon die deze beperkingen niet ondervindt. Op verweerder rust in dit verband een resultaatsverbintenis.

Het vorenstaande brengt met zich dat bepalingen die zijn opgenomen in de Verordening geen afbreuk mogen doen aan de compensatieplicht. Naar het oordeel van de rechtbank is het bepaalde in artikel 1.3 aanhef en onder f, van de Verordening niet in overeenstemming met het hiervoor omschreven uitgangspunt.

Het doel van artikel 1.3., aanhef en onder f, van de Verordening is om verweerder niet in de positie te brengen dat de noodzaak, waaronder de rechtbank de adequaatheid en de passendheid mede begrijpt, van de aangevraagde voorzieningen niet meer kan worden beoordeeld. Dit doel acht de rechtbank op zichzelf genomen in overeenstemming met artikel 4 en 5 van de Wmo. De tekst van de bepaling sluit evenwel toekenning van een kostenvergoeding uit in alle gevallen dat de kosten reeds gemaakt zijn op het moment van het nemen van het besluit. Daarmee worden naar het oordeel van de rechtbank ook gevallen uitgesloten waarin de noodzaak tot compensatie al wel is vastgesteld of nog kan worden vastgesteld.

Zo heeft in het voorliggende geval eiser op dezelfde dag, 6 juni 2008, de aanvraag voor de verhuiskostenvergoeding ingediend en het huurcontract voor de nieuwe woning ondertekend. Eiser heeft daarbij in de aanvraag aangegeven dat de verhuizing op een latere datum, vermoedelijke 20 juli 2008, zou plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor verweerder in ieder geval tot aan de feitelijke verhuizing mogelijk de noodzaak daarvan te beoordelen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 1.3, aanhef en onder f, van de Verordening in strijd is met artikel 4 van de Wmo. De rechtbank acht deze bepaling daarom onverbindend. Daaraan doet niet af dat, zoals door verweerder is gesteld, de toelichting bij de bepaling duidelijk maakt dat deze niet zo strikt geïnterpreteerd moet worden en deze in de praktijk ook niet zo strikt wordt toegepast. In het voorliggende geval is de bepaling immers ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder artikel 1.3, aanhef en onder f, van de Verordening niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank zal om die reden het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Met het oog daarop merkt de rechtbank op dat verweerder zal moeten onderzoeken of het nog mogelijk is de noodzaak van de verhuizing te beoordelen. Bij deze beoordeling kan verweerder het feit dat de oude woning gelegen was in heuvelachtig terrein buiten beschouwing laten nu, zoals verweerder terecht heeft gesteld, dit geen reden kan zijn voor een verhuizing, maar hooguit voor de toekenning van een vervoersvoorziening. Indien de beoordeling van de noodzaak niet meer mogelijk blijkt, dient dit naar het oordeel voor risico van verweerder te komen en zal verweerder gehouden zijn een verhuiskostenvergoeding te verstrekken. De reden hiervoor is dat de rechtbank van oordeel is dat niet gebleken is dat het voor verweerder niet mogelijk was de noodzaak van de verhuizing te beoordelen voorafgaande aan de feitelijke verhuizing.

De rechtbank ziet geen grond verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gestelde schade nu de vraag of er reden is voor schadevergoeding mede afhankelijk is van het door verweerder te nemen besluit. Verweerder zal zich hierover moeten uitlaten bij het te nemen besluit op bezwaar.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 322 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322 en wijst de gemeente Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Arnhem het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan hem vergoedt;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, mrs. E. Klein Egelink en M.J.P. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 15 juni 2009