Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1463

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/4566 en 08/5410
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op andere gronden. Plusje. Geen hogere plus noodzakelijk. Met verzoek om volledige schadeloosstelling miskent eiser dat ook hij een aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 08/4566 en 08/5410

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 7 mei 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Zandt,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

I Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit (hierna: besluit I);

II Besluit van verweerder van 24 oktober 2008 (hierna: besluit II).

2. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2008 heeft verweerder eiser op grond van artikel 8:8 van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met ingang van 1 april 2008 eervol ontslag verleend onder toekenning van de aanvullende en aansluitende uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

Tegen dit besluit heeft eiser op 21 april 2008 bezwaar gemaakt. Toen een beslissing op bezwaar uitbleef, heeft eiser bij brief van 3 oktober 2008 beroep ingesteld tegen het onder rubriek 1 aangeduide besluit I.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit II heeft verweerder alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Verweerder heeft het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard maar het bezwaar tegen de hoogte van de ontslagvergoeding gegrond. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder eiser een aanvullende vergoeding toegekend van maximaal € 53.000 voor de feitelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand alsmede een aanvullende vergoeding van € 50.000 als aanvulling op het inkomen.

Tegen besluit II heeft eiser eveneens beroep ingesteld.

Door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 maart 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Zandt voornoemd, regiojurist bij de Abvakabo FNV Regiokantoor Oost, te Deventer. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, advocaat te Zwolle.

3. Overwegingen

Eiser is sinds 1973 als ambtenaar werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) gemeente Nijkerk. Sinds 1997 was eiser werkzaam in de functie [functienaam,] afdeling Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting. In 1997 heeft eiser tevens een BV opgericht met als doel het geven van adviezen op het gebied van ruimtelijke ordening en volkhuisvesting, aan- en verkoop van onroerende zaken en projectmanagement. In de jaren 1997 tot 2002 heeft eiser door middel van zijn BV werkzaamheden verricht.

Bij besluit van 22 september 2004 heeft verweerder eiser met ingang van 1 oktober 2004 eervol ontslagen met toepassing van artikel 8:6 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Nijkerk (AGN). Het bezwaar van eiser is ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 juli 2005, registratienummers AWB 05/1067 en 05/1827, heeft deze rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 22 september 2004 vernietigd. Daarbij is overwogen dat eiser door zijn nevenactiviteiten met de BV de schijn van belangenverstrengeling heeft laten ontstaan en dat hij hierdoor tekort is geschoten in de vervulling van zijn functie maar dat eiser een verbeterkans had moeten krijgen alvorens ontslag wegens ongeschiktheid gegeven mocht worden.

Verweerder is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Bij uitspraak van 23 augustus 2006, registratienummer 05/4902 AW, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd en geoordeeld dat het verwijt dat eiser treft niet is dat sprake is geweest van daadwerkelijke belangenverstrengeling en van pogingen om deze aan het zicht te onttrekken maar dat hij zich onvoldoende heeft gerealiseerd dat zijn werkzaamheden via de BV de schijn van belangenverstrengeling opriepen en dat hij ook deze schijn behoorde te vermijden. Naar het oordeel van de CRvB moet deze inschattingsfout op zichzelf als ernstig worden aangemerkt en doet die twijfel rijzen aan de geschiktheid voor de functie, maar er is onvoldoende aanleiding eiser niet eerst met de onjuistheid van zijn handelen te confronteren en hem een kans op verbetering te geven.

Bij brief van 20 december 2006 heeft verweerder aan eiser verontschuldigingen aangeboden voor het feit dat eiser ten onrechte op grond van artikel 8:6 van de AGN is ontslagen. Voorts blijkt uit deze brief dat partijen na de uitspraak van de CRvB hebben geprobeerd een minnelijke regeling te treffen. Omdat dit niet is gelukt heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld andere, bij zijn opleiding en ervaring passende werkzaamheden te gaan verrichten. Mocht eiser het niet meer kunnen opbrengen om binnen de organisatie te functioneren, dan wordt eiser door verweerder in de gelegenheid gesteld om gebruik te maken van een pré-FPU-regeling. Voorts wijst verweerder eiser erop dat als terugkeer niet mogelijk blijkt en eiser niet kiest voor de FPU-regeling, verweerder zal overgaan tot ontslagverlening op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO, onder toekenning van de minimaal verplichte uitkering.

Bij brief van 13 december 2007 heeft verweerder het voornemen geuit om eiser onder toepassing van artikel 8:8 CAR/UWO eervol te ontslaan.

Bij brief van 27 december 2007 heeft eiser zijn zienswijze tegen dit voornemen schriftelijk kenbaar gemaakt.

Bij besluit van 10 maart 2008 heeft verweerder eiser onder toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO met ingang van 1 april 2008 eervol ontslag verleend. Verweerder kent daarbij geen hogere vergoeding toe dan de aanvullende en aansluitende uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Toen een beslissing op bezwaar uitbleef heeft eiser hiertegen bij brief van 3 oktober 2008 beroep ingesteld.

Op 24 juni 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de bezwarencommissie personele aangelegenheden (hierna: de commissie). Op diezelfde datum heeft de commissie haar advies uitgebracht. De commissie acht het verlenen van ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO onvermijdelijk omdat een herstel van de arbeidsverhouding niet is te verwachten. Omdat de commissie meent dat sprake is van gedeelde verwijtbaarheid is zowel de minimale uitkering als een volledige schadeloosstelling niet redelijk. Een vergoeding van de totale advocaatkosten van eiser en een eenmalige uitkering van € 50.000 acht de commissie redelijk. Dit laatste bedrag is gebaseerd op de verwachte inkomstenderving gedurende het ontslag tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd (3 jaar van ongeveer € 17.000 per jaar).

Hangende het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar heeft verweerder alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het ontslagbesluit en gegrond voor zover het is gericht tegen de hoogte van de ontslagvergoeding. Het advies van de commissie om aanvullende vergoedingen toe te kennen wordt door verweerder overgenomen en eiser wordt een vergoeding toegekend van maximaal € 53.000,- voor de feitelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand alsmede een vergoeding van € 50.000,- als aanvulling op het inkomen. Voorts heeft verweerder eiser een bedrag van € 644,- toegekend voor de proceskosten in de bezwaarprocedure.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen en voert, kort samengevat, aan dat als al sprake is van een onwerkbare situatie als bedoeld in artikel 8:8 van de CAR/UWO, deze eerst en vooral is gecreëerd en in stand gehouden door verweerder. Naar de mening van eiser dient een volledige schadevergoeding uitgangspunt te zijn bij de toe te kennen ontslagvergoeding, en schiet de geboden vergoeding zonder meer te kort omdat eiser ook te maken heeft met rente- en pensioenschade.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van besluit I (AWB 08/4566)

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de daartoe gestelde termijn van artikel 7:10 van de Awb een beslissing heeft genomen op het ingediende bezwaarschrift.

Voorts wordt vastgesteld dat verweerder hangende het beroep op 24 oktober 2008 alsnog op het bezwaar heeft beslist.

Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij geen processueel belang (meer) heeft bij een afzonderlijke beoordeling van de rechtmatigheid van het uitblijven van een tijdige beslissing op het gemaakte bezwaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het niet tijdig beslissen door verweerder levert wel voldoende grondslag op voor een veroordeling van verweerder tot vergoeding van de aan het indienen van het beroepschrift verbonden proceskosten, te waarderen op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op het voorstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan onderhavige kwestie de gewichtsfactor “zeer licht” toe te kennen zodat de wegingsfactor 0,25 wordt toegepast. Voor vergoeding komt dan ook in aanmerking een bedrag van € 80,50.

Ten aanzien van besluit II (AWB 08/5410)

De rechtbank is van oordeel dat het bij brief van 3 oktober 2008 ingestelde beroep, gelet op het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb geacht kan worden mede te zijn gericht tegen besluit II.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO bepaalt dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

Ingevolge artikel 8:8, derde lid van de CAR/UWO zoals dit luidde ten tijde van het ontslag, treft het college in geval van ontslag op grond van dit artikel een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten met dien verstande dat de betrokkene minimaal recht heeft op een aanvullende en een aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het verleende ontslag op grond van artikel 8:8 CAR/UWO tussen partijen niet (langer) in geschil is. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat een ontslag door de omstandigheden onvermijdelijk is geworden en dat hij zich hier, onder protest, bij neer moet leggen. De rechtbank constateert op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat sprake is van dermate verstoorde verhoudingen dat ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO gerechtvaardigd is.

De rechtbank stelt voorts vast dat, anders dan eiser betoogt, ingevolge artikel 10a:38 van de CAR/UWO hoofdstuk 10a van de CAR/UWO op de onderhavige situatie van toepassing is omdat eiser met ingang van 1 april 2008, derhalve vòòr 1 juli 2008, is ontslagen.

Verweerder heeft de aanvullende en aansluitende uitkering van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO bij het bestreden besluit II aangevuld met een vergoeding van maximaal € 53.000,- voor de feitelijk gemaakte juridische kosten van rechtsbijstand alsmede een vergoeding van € 50.000,- als aanvulling op het inkomen.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aanvullende ontslagvergoeding die aan eiser in het kader van het ontslag ‘op andere gronden’ is toegekend, redelijk is te achten. Hierbij dient te worden beoordeeld welk aandeel partijen hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid.

Uit de hierboven genoemde uitspraak van de CRvB volgt dat - en dat wordt door verweerder ook erkend - verweerder eiser in eerste instantie ten onrechte zonder het aanbieden van een verbetertraject heeft ontslagen op grond van artikel 8:6 van de AGN. Vervolgens bleek terugkeer van eiser in zijn oude functie ten gevolge van een reorganisatie niet meer mogelijk. Op grond hiervan heeft verweerder een aandeel gehad in het ontstaan van de onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding en kon verweerder niet volstaan met het toekennen van een alleen uitkering op grond van artikel 10a van de CAR/UWO.

Daargelaten nog hetgeen de CRvB in zijn uitspraak over de gedragingen van eiser heeft overwogen, komt naar het oordeel van de rechtbank uit de gedingstukken naar voren dat eiser bij de diverse pogingen om werkzaamheden te hervatten, een niet altijd even welwillende houding heeft aangenomen, bijvoorbeeld ten aanzien van het verzoek van verweerder om zijn BV op te heffen. Door aan de opheffing van zijn BV zonder meer de voorwaarde te verbinden dat de notariskosten door verweerder zouden worden vergoed, heeft eiser zich onvoldoende welwillend opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank was het opheffen van de BV een alleszins redelijk verzoek van verweerder, gelet op hetgeen de CRvB daarover in zijn uitspraak heeft overwogen. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de kwestie in de publiciteit kennelijk de nodige aandacht heeft gekregen en ook voor enige commotie heeft gezorgd. De toelichting van eiser dat hij geen financiële middelen (meer) had om de notariskosten die gemoeid waren met de opheffing van zijn BV - waarmee zoals eiser ter zitting heeft aangegeven zo’n € 2.300 was gemoeid - acht de rechtbank in het onderhavige geval ontoereikend.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben beide partijen dan ook een aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Met het toekennen van aanvullende vergoedingen heeft verweerder zelf ook al aangenomen dat zij een aandeel daarin heeft gehad. Met zijn verzoek om volledige schadeloosstelling miskent eiser dat ook hij een (niet verwaarloosbaar) aandeel heeft gehad in het (ontstaan en) voortbestaan van de onherstelbaar verstoorde verhoudingen. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat het bij een regeling zoals hier aan de orde niet gaat om een schadevergoeding, waarmee de financiële gevolgen van het ontslag geheel worden weggenomen. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2007 (LJN: AZ6774).

Alle omstandigheden in aanmerking genomen kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met de bij het bestreden besluit II toegekende financiële regeling.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit II geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Gelet hierop bestaat voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb dan ook geen grond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten van € 80,50 en wijst de gemeente Nijkerk aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. A.M. Overbeeke, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 7 mei 2009