Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1352

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/3017
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd om aan eiseres met ingang van 1 april 2008 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden. Verweerder neemt primair het standpunt in dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt omdat eiseres heeft geweigerd om aan haar re-integratie mee te werken. Daarmee heeft zij volgens verweerder hardnekkig geweigerd om te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, haar door of namens de werkgever verstrekt, in de zin van artikel 7:678, tweede lid, aanhef en onder j, van het Burgerlijk Wetboek (BW), wat haar te verwijten valt. Subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden omdat de dienstbetrekking is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/3017

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[Naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door A.H. van Bergen,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 juni 2008, uitgereikt door het Uwv te Arnhem.

2. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2008 heeft verweerder geweigerd om aan eiseres met ingang van 1 april 2008 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 december 2008. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door A.H. van Bergen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. de Weijer.

3. Overwegingen

Uit de gedingstukken is de rechtbank onder andere het volgende gebleken. Per 10 december 2007 heeft eiseres zich ziek gemeld bij haar werkgever, [werkgever] B.V. te [plaats] (hierna: de werkgever). Op 14 januari 2008 heeft zij een gesprek gehad met de bedrijfsarts. Blijkens zijn brief van 16 januari 2008 heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat eiseres nog beperkingen op psychomentaal vlak had, maar dat een start met re-integratie mogelijk was en herstel zou bevorderen. Hij adviseerde dat zij 4 uur in de week op arbeidstherapeutische basis zou gaan werken. Blijkens de brief stond op 16 januari 2008 een gesprek tussen eiseres en de werkgever gepland, waarna de re-integratie van start kon gaan. Eiseres is op dit gesprek niet verschenen. Bij brief van 16 januari 2008 heeft de werkgever eiseres medegedeeld dit op te vatten als een weigering om te re-integreren en dit gedrag bij volharding daarvan uit te leggen als werkweigering, hetgeen zou resulteren in ontslag. De werkgever volhardde daarom ook in de opschorting van de loonbetaling per 7 januari 2008. Eiseres en de werkgever hebben aan het Uwv verzocht om een deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen van eiseres te geven. Bij brief van 10 maart 2008 heeft het Uwv medegedeeld na onderzoek van oordeel te zijn dat het werk dat de werkgever aan eiseres heeft aangeboden, voor haar passend is en dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De werkgever heeft bij brief van 12 maart 2008 eiseres verzocht om onmiddellijk contact met hem op te nemen om per 14 maart 2008 met haar aangepaste werkzaamheden te beginnen. Ook aan dit verzoek heeft eiseres geen gevolg gegeven. Na diverse brieven over en weer hebben zij op 28 maart 2008 uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst gesloten tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met ingang van 1 april 2008. Daarbij heeft de werkgever zich bereid verklaard om het loon over de maand maart 2008 uit te betalen. Vervolgens heeft eiseres een WW-uitkering aangevraagd, welke haar is geweigerd bij het besluit van 24 april 2008.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden. Verweerder neemt primair het standpunt in dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt omdat eiseres heeft geweigerd om aan haar re-integratie mee te werken. Daarmee heeft zij volgens verweerder hardnekkig geweigerd om te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, haar door of namens de werkgever verstrekt, in de zin van artikel 7:678, tweede lid, aanhef en onder j, van het Burgerlijk Wetboek (BW), wat haar te verwijten valt. Subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden omdat de dienstbetrekking is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd.

Bij faxbericht van 15 december 2008 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht op WW-uitkering heeft omdat niet is voldaan aan de zogenaamd referte-eis als bedoeld in artikel 17 van de WW. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt niet gehandhaafd omdat eiseres over de maand maart 2008 loon heeft ontvangen.

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en bestrijdt het standpunt van verweerder dat zij verwijtbaar werkloos is geworden. Op deze stelling en de overige stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

Artikel 24, tweede lid, van de WW luidt met ingang van 1 oktober 2006 als volgt:

De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:

a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt;

b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

In paragraaf 1 van de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 van verweerder wordt het volgende opgemerkt:

“Een beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever (dat wil zeggen dat de werknemer er niet om heeft gevraagd) leidt alleen tot verwijtbare werkloosheid als er een arbeidsrechtelijke dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW aan ten grondslag ligt. (…) Indien na onderzoek door UWV onduidelijk blijft of werkgever dan wel werknemer het initiatief heeft genomen, gaat UWV er vanuit dat het initiatief aan de kant van de werkgever ligt. Wanneer de werknemer het initiatief neemt tot beëindiging van de dienstbetrekking zal beoordeeld worden of voortzetting van de werkgever te vergen is geweest.”

Voor zover over het antwoord op de vraag wie het initiatief tot beëindiging van de dienstbetrekking heeft genomen onduidelijkheid bestaat, dient verweerder op grond van deze beleidsregels uitsluitend te toetsen aan de a-grond van artikel 24, tweede lid, van de WW. De rechtbank ziet in de gedingstukken onvoldoende grond om te concluderen dat het initiatief om tot beëindiging te komen, in het onderhavige geval bij de werknemer heeft gelegen. Aan een beoordeling van de b-grond komt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet toe.

Ten aanzien van de gehanteerde a-grond overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van het gewijzigde artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW dient een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt en is de wijze waarop het dienstverband is beëindigd niet doorslaggevend. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf, welk artikel, zoals eveneens uit die wetsgeschiedenis blijkt, niet los kan worden gezien van artikel 7:677 van het BW. Met het oog op de rechtszekerheid ligt het in de rede om aan deze artikelen in het kader van de WW geen andere toepassing te geven dan tot uitdrukking komt in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hiermee is de uitkomst van de hantering van die maatstaf echter nog niet gegeven. Artikel 7:678 van het BW geeft immers geen uitputtende opsomming van feiten en omstandigheden die als dringende reden moeten worden aangemerkt, terwijl daarnaast, mede gelet op de samenhang met artikel 7:677 van het BW, ook indien zich een omstandigheid voordoet die als dringende reden zou kunnen worden aangemerkt, nog niet vaststaat dat deze voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Dat zal steeds per individueel geval dienen te worden beoordeeld. Tot de elementen die moeten worden gewogen bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden behoren, gelet op het vorenstaande, de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd zal tot slot in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt (zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 februari 2009, LJN: BH2390).

Ingevolge artikel 7:660a, aanhef en onder c, van het BW is de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, verplicht passende arbeid als bedoeld in artikel 658a, vierde lid, van het BW te verrichten waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt. Nu de inhoud van deze bepaling aansluit op verweerders standpunt dat eiseres heeft geweigerd om mee te werken aan haar re-integratie, zal de rechtbank beoordelen of eiseres deze bepaling heeft geschonden en zo ja, of deze schending een dringende reden voor ontslag in de zin van artikel 7:678 van het BW oplevert.

De rechtbank is op grond van de gedingstukken van oordeel dat eiseres artikel 7:660a, aanhef en onder c, van het BW heeft geschonden. Eiseres is in staat geacht om op arbeidstherapeutische basis te werken en zij is daartoe door de werkgever ook in de gelegenheid gesteld. Het Uwv heeft in zijn deskundigenoordeel de conclusie getrokken dat het werk dat de werkgever aan eiseres heeft aangeboden, voor haar passend is en dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het door verweerder in beroep ingestelde nader onderzoek heeft geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd en ook eiseres heeft geen objectieve informatie ingebracht die tot een ander oordeel kan leiden.

Ten aanzien van de vraag of dit een dringende reden voor ontslag oplevert, overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 7:629, zesde lid, van het BW is de werkgever bevoegd de betaling van het in het eerste lid bedoeld loon (loon bij ziekte) op te schorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen. Deze bepaling is bij de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz, Stb. 1996, 134) ingevoerd.

Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan de niet-naleving van dergelijke voorschriften op zichzelf geen ontslag op staande voet rechtvaardigen (zie bijvoorbeeld HR 8 oktober 2004, LJN: AO9549). De Hoge Raad leidt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wulbz af dat het de bedoeling van de wetgever is geweest, aan overtreding van controlevoorschriften slechts de in die bepaling opgenomen sanctie van opschorting van de loonbetaling te verbinden. De Memorie van Toelichting (TK 1995/96, 24 439, nr.3, blz. 20 en 21) vermeldt immers daarover:

“(...) dat de huidige regeling in het BW de werkgever mogelijkheden biedt controlevoorschriften te geven. Deze binden de werknemer niet in die zin dat hij rechtstreeks gedwongen kan worden de voorschriften na te leven; zo kan de werknemer te allen tijde weigeren zich te doen controleren. De werkgever kan aan zo’n weigering echter consequenties verbinden in de sfeer van de loondoorbetaling.”

en

“De hoofdlijn blijft, in de lijn van de Wet TZ, dat enerzijds de werkgever zekere voorschriften mag geven en anderzijds de werknemer niet rechtstreeks tot naleving daarvan kan worden gedwongen, maar bij overtreding rekening moet houden met gevolgen voor de loondoorbetaling.”

Ingevolge artikel 7:629, derde lid, aanhef en onder c, van het BW heeft de werknemer het in het eerste lid bedoeld recht (loondoorbetaling bij ziekte) niet voor de tijd gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a, vierde lid, niet verricht.

Hoewel in de totstandkomingsgeschiedenis van laatst genoemde bepaling een vergelijkbaar aanknopingspunt als hiervoor bedoeld ontbreekt, moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat ook de enkele overtreding van artikel 7:660a, aanhef en onder c, van het BW geen dringende reden voor ontslag oplevert, nu daaraan als sanctie het verval van de loonaanspraak tijdens ziekte wordt verbonden. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de kantonrechter van de rechtbank Alkmaar van 26 juni 2002 (LJN: AG7951) en van 9 november 2007 van de Sector kanton van deze rechtbank (LJN: BB8122).

Ook uit het systeem van de wet leidt de rechtbank af dat de enkele overtreding van artikel 7:660a, aanhef en onder c, van het BW geen dringende reden voor ontslag oplevert. Ingevolge artikel 7:670b, eerste lid, van het BW zijn de artikelen 670 en 670a (de opzegverboden) niet van toepassing bij een opzegging wegens een dringende reden. In artikel 7:760b, derde lid, aanhef en onder b, van het BW is vervolgens bepaald dat artikel 670, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing is, indien de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, zonder deugdelijke grond weigert passende arbeid als bedoeld in artikel 658, vierde lid, te verrichten waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt. Laatstgenoemde bepaling zou overbodig zijn indien schending van artikel 7:660a, aanhef en onder c, van het BW op zichzelf reeds als een dringende reden voor ontslag kon worden aangemerkt.

Een en ander betekent dat de enkele schending van artikel 7:660a, aanhef en onder c, van het BW naar het oordeel van de rechtbank geen dringende reden oplevert. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 24 van de WW. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Nu niet gebleken is van door eiseres gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.H.A.C.M. Bouwens, voorzitter, en mrs. E. Klein Egelink en G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op .

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: