Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1346

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
08/1699 WSFBSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB-Groep moet aan student alle gegevens verstrekken waarop herziening van aanvullende beurs is gebaseerd.

Inkomensgegevens van ouders mogen niet om privacyredenen worden achtergehouden.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.9
Wet studiefinanciering 2000 3.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2010/188
RSV 2009/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 08/1699 WSFBSF

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Tiel,

eiser,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep)

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2008, meegedeeld bij Bericht Studiefinanciering 2007, nr. 4, heeft verweerster de aan eiser over de maanden april tot en met december 2007 toegekende aanvullende beurs herzien en nader vastgesteld op een lager bedrag per maand, alsmede ten laste van eiser een kortlopende schuld van € 694,17 vastgesteld.

Bij besluit van 26 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerster het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft mr. J.T.E. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, beroep ingesteld op in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 maart 2009, waar verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 3.8 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is bepaald dat de hoogte van de aanvullende beurs afhankelijk is van het ouderlijk inkomen en wordt vastgesteld volgens de in de artikelen 3.9 tot en met 3.13 van deze wet neergelegde berekeningswijze.

Er wordt een veronderstelde ouderlijke bijdrage berekend op basis van het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders in het peiljaar. Het peiljaar is het tweede jaar voorafgaand aan

het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt. Het toetsingsinkomen is gebaseerd op het door de Belastingsdienst vastgestelde verzamelinkomen. Zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar nog niet kan worden bepaald, wordt door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.

2.2. De aanvullende beurs van eiser voor de periode april tot en met december 2007 is aanvankelijk berekend met inachtneming van een (veronderstelde) bijdrage van zijn vader van € 40,17 per maand. Dit bedrag werd berekend op basis van een van de Belastingdienst ontvangen voorlopige opgave van het verzamelinkomen van eisers vader in het peiljaar 2005. Na controle van de fiscale inkomensgegevens is de bijdrage opnieuw berekend op basis van het verzamelinkomen dat door de Belastingdienst is vastgesteld voor de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2005. Dat inkomen bleek hoger dan het inkomen volgens aangifte. Aldus werd de (veronderstelde) bijdrage van eisers vader nader berekend op € 117,30 per maand. Dit heeft geleid tot de thans in geding zijnde herziening van eisers aanvullende beurs in 2007 naar een lager bedrag per maand. Deze verlaging bedraagt € 77,13 per maand conform de verhoging van de ouderlijke bijdrage per maand met dat bedrag. Bijgevolg is ten laste van eiser een schuld van 9 x € 77,13 = € 694,17 vastgesteld.

2.3. In zijn bezwaarschrift heeft eiser aangevoerd dat hem niet duidelijk is op basis van welke gegevens is vastgesteld dat hij in 2007 teveel studiefinanciering heeft ontvangen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster een globale toelichting gegeven en voorts meegedeeld dat zij niet méér informatie over eisers vader kan verstrekken omwille van privacyoverwegingen. Tegen deze weigering om nadere gegevens te verstrekken heeft eiser zich in beroep gekeerd. Volgens eiser heeft hij recht op kennisneming van alle gegevens op basis waarvan zijn studiefinanciering is herzien.

2.4. De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat verweerster de (nieuwe) berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, met inbegrip van de daarbij gehanteerde concrete inkomensgegevens van eisers vader, niet in het bestreden besluit heeft opgenomen dan wel in een bijlage heeft toegevoegd. In de door verweerster aan de rechtbank toegezonden stukken is die berekening echter wel opgenomen (stuk 13), alsmede een bericht aan eisers vader met vermelding van diens verzamelinkomen 2005 en toetsingsinkomen (stuk 12).

Verweerster heeft de rechtbank niet verzocht om beperking van de kennisneming van deze stukken. Dit strookt met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 februari 2007, LJN: BA1016, waarin is beslist dat beperking van de kennisneming van een berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, waarin inkomensgegevens zijn verwerkt, niet gerechtvaardigd is. Daartoe heeft de Raad overwogen dat aan het privacygevoelige karakter van die gegevens niet een zodanig gewicht toekomt dat beperking van de kennisneming opweegt tegen het belang van betrokkene bij inachtneming van het verdedigingsbeginsel.

2.5. Voortbouwend op deze uitspraak van de Raad is de rechtbank van oordeel dat aan de privacyoverwegingen van verweerster in een geval als het onderhavige niet een zodanig gewicht toekomt dat het niet verstrekken van relevante inkomensgegevens opweegt tegen het belang van de betrokken student bij kennisneming van alle gegevens op basis waarvan zijn studiefinanciering in voor hem ongunstige zin is herzien. In een geval als het onderhavige dienen deze gegevens reeds bij de beslissing op bezwaar te worden verstrekt, zodat de betrokken student – mede ter voorkoming van een beroepsprocedure – terstond kan nagaan op welke inkomensgegevens de herziening van de studiefinanciering berust en of op daarop een juiste berekening is toegepast.

2.6. Dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan het vereiste dat het dient te berusten op een voor de belanghebbende kenbare motivering. Het besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.7. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

Nadat eiser in beroep alsnog kennis heeft kunnen nemen van de berekening van de ouderlijke bijdrage en de daarbij gehanteerde inkomensgegevens, heeft hij de juistheid van die berekening en gegevens niet verder betwist. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat die berekening niet in overeenstemming is met de in de artikelen 3.9 tot en met 3.13 van de Wsf 2000 voorgeschreven berekeningswijze. Evenmin is gebleken dat is uitgegaan van onjuiste inkomensgegevens. Voor zover namens eiser is aangevoerd dat niet is onderzocht of er omstandigheden als vermeld in artikel 6 e.v. van het Besluit studiefinanciering aan de orde zijn, moet deze beroepsgrond worden verworpen, aangezien voor een financiële loskoppeling in de situaties waarop die bepalingen betrekking hebben, door de student een afzonderlijke aanvraag moet worden ingediend, zoals blijkt uit artikel 3.14, eerste lid, van de Wsf 2000.

Er is voorts geen grond voor het oordeel dat verweerster in dit geval in redelijkheid geen toepassing heeft kunnen geven aan de haar op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 toekomende bevoegdheid tot herziening van de studiefinanciering, indien op basis van onjuiste gegevens de veronderstelde ouderlijke bijdrage te laag is vastgesteld. Verweerster heeft dan ook terecht op grond van artikel 7.4 van de Wsf 2000 vastgesteld dat eiser de teveel betaalde toelage moet terugbetalen.

2.8. Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerster in de proceskosten van eiser. Ter zake van verleende rechtsbijstand wordt 1 punt toegekend met een wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;

- gelast de IB-Groep het betaalde griffierecht van € 39,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de IB-Groep.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.