Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1228

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/127
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM7778, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op de datum van het besluit waarbij aan de vennootschap onder firma de boete op grond van de Wav is opgelegd, was voor derden kenbaar dat de vennootschap reeds was ontbonden. Daarom was de staatssecretaris niet meer bevoegd de boete op te leggen en is de boete bij het in beroep bestreden besluit ten onrechte gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/127

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 14 mei 2009

inzake

[naam], eiser,

vennoot van de voormalige vennootschap onder firma [naam V.O.F.],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door H. Yurdusen, gemachtigde,

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 3 december 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verder: de staatssecretaris) aan de vennootschap onder firma [naam V.O.F.] te [vestigingsplaats] (verder: [naam V.O.F.]) een boete van € 8.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door [naam V.O.F.] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is door eiser, vennoot van de voormalige [naam V.O.F.], beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder het verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 14 januari 2009. De behandeling is gevoegd met de zaken bij de rechtbank bekend onder de registratienummers AWB 08/125, 08/126 en 08/837. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door H. Yurdusen, werkzaam bij Ferman juridisch advies te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Hokke, werkzaam bij verweerders ministerie.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

De rechtbank heeft op 18 februari 2009 het onderzoek heropend en eiser verzocht nadere stukken te overleggen. Eiser heeft deze stukken overgelegd en verweerder heeft daarop gereageerd. Met toestemming van beide partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en vervolgens het onderzoek gesloten.

Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan in genoemde zaken.

3. Overwegingen

Naar aanleiding van een onderzoek op 3 december 2005 bij bakkerij [naam bakkerij] aan de [adres] (verder: bakkerij [naam bakkerij]), een nevenvestiging van [naam V.O.F.] is door [x] en [y], inspecteurs van de arbeidsinspectie, op ambtsbelofte een boeterapport opgemaakt, gedateerd 14 maart 2006.

Bij dit onderzoek werden in de bakkerij twee personen aangetroffen die arbeid verrichtten.

Hiervan bleek er één illegaal tewerkgesteld, omdat bakkerij [naam bakkerij] niet beschikte over een tewerkstellingsvergunning die geldig was op datum en plaats van de arbeid en/of voor de waargenomen arbeid voor de tewerkstelling van deze vreemdeling, aldus de rapporteurs.

Op de dag van dit onderzoek waren eiser en [z] de vennoten van [naam V.O.F.]

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aan [naam V.O.F.] bij besluit van 28 september 2006 opgelegde boete gehandhaafd. Aan deze boete heeft verweerder het eerdergenoemde boeterapport ten grondslag gelegd.

Standpunten van partijen

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat nu de ontbinding van [naam V.O.F.] heeft plaatsgevonden na de controle op 3 december 2005, de boete dient te worden opgelegd aan [naam V.O.F.]

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft zich tegen de opgelegde boete gekeerd.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1, onder m, van de Vreemdelingenwet 2000 is een vreemdeling eenieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder een tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wav wordt – voor zover hier van belang – als beboetbaar feit aangemerkt het niet naleven van artikel 2, eerste lid.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Wav kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, indien een beboetbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, de boete worden opgelegd aan:

1°. de rechtspersoon, of

2°. degene die opdracht heeft gegeven tot een handelen of nalaten waardoor in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit deze wet is gehandeld alsmede tegen hem die feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedraging, of

3°. de onder 1° en 2° genoemde tezamen.

Op grond van het derde lid, ten eerste, van dit artikel wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid met een rechtspersoon gelijkgesteld de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.

Ingevolge artikel 19b, eerste lid, van de Wav wordt geen boete opgelegd indien degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, is overleden.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat voor een rechtspersoon of een ingevolge artikel 18a, derde lid, van de Wav daarmee gelijkgestelde entiteit, anders dan voor natuurlijke personen in artikel 19b van de Wav het geval is, wettelijk niet is geregeld dat geen boete meer kan worden opgelegd wanneer aan het bestaan van de rechtspersoon of de daarmee gelijkgestelde entiteit een einde is gekomen. Volgens de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 523, nr. 3, p. 17) bij artikel 19b van de Wav is deze bepaling in navolging van artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de Wav opgenomen.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR) (zie onder meer zijn arresten van 24 september 2002, LJN: AE0553 en 15 oktober 2002, LJN: AE6870) moet het recht tot strafvordering tegen een rechtspersoon of een voor de toepassing van artikel 51 van het Sr daarmee gelijkgestelde entiteit als vervallen worden beschouwd, indien op het tijdstip dat een vervolging wordt aangevangen voor derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het handelsregister) dat een rechtspersoon of een daarmee gelijkgestelde entiteit is ontbonden, dan wel is opgehouden te bestaan. Dit laat onverlet de bevoegdheid om een vervolging in te stellen tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven of feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging.

Nu het in het onderhavige geval gaat om het opleggen van een boete, en dus om een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dient naar het oordeel van de rechtbank bij de toepassing van artikel 19b van de Wav aangesloten te worden bij de jurisprudentie van de HR over artikel 69 Sr. Hieruit volgt dat aan een rechtspersoon of een op grond van artikel 18a, derde lid, van de Wav daarmee gelijkgestelde entiteit geen boete kan worden opgelegd wanneer voor een derde kenbaar is dat een rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit – in dit geval: de vennootschap onder firma – op het moment van het nemen van het boetebesluit is ontbonden, dan wel is opgehouden te bestaan.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de onderneming [naam V.O.F] op 1 juni 2006 is ontbonden en per die datum voortgezet als eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak], welke onderneming wordt gedreven voor rekening van eiser. Bijgevolg had [naam V.O.F.] per 1 juni 2006 opgehouden te bestaan.

De rechtbank stelt voorts vast dat ten tijde van het besluit van 28 september 2006, waarbij aan [naam V.O.F.] de in geding zijnde boete is opgelegd, voor de staatssecretaris kenbaar was dat [naam V.O.F.] was ontbonden, dan wel dat hij daarmee bekend had kunnen zijn. Immers, uit het overgelegde gewaarmerkt afschrift blijkt dat van de ontbinding op 13 juni 2006 opgave is gedaan ter inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Centraal Gelderland.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris niet meer bevoegd was om op grond van de Wav aan [naam V.O.F.] een boete op te leggen. Deze boete is bij het bestreden besluit door verweerder dan ook ten onrechte gehandhaafd.

Nu verweerder, dan wel in casu de staatssecretaris, niet bevoegd was tot het opleggen van de in geding zijnde boete, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet hierin tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 28 september 2006 te herroepen.

Proceskosten

De kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Er is niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand (beroepschrift en het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het bestreden besluit;

III. herroept het besluit van 28 september 2006;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

VI. bepaalt voorts dat Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van

J.M.A. Koster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 14 mei 2009