Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1163

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/1550
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM1782, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling art. 19 lid 2 WRO ten behoeve van appartementengebouw in Doesburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/1550

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 19 juni 2009

inzake

[naam] en anderen, eisers,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg, verweerder,

alsmede

Stichting Woonservice IJsselland, partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te Doesburg.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 februari 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft verweerder vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex op de hoek Looiersweg-Esdoornlaan te Doesburg.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Voorts heeft Stichting Woonservice IJsselland (verder: vergunninghoudster) zich gesteld als partij in het geding.

Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 27 maart 2009. Eiser [naam] is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Putker en mr. J.J.M. van der Pool. Namens vergunninghoudster is [naam] verschenen.

3. Overwegingen

Eiser [naam] heeft bij schrijven van 17 maart 2008 op persoonlijke titel beroep ingesteld. Het aanvullende beroepschrift van 25 maart 2008 is echter ingediend namens 69 bewoners van de wijk De Ooi. Hoewel dit aanvullende beroepschrift nog binnen de beroepstermijn is ingediend, is de identiteit van de personen namens wie het beroep mede is ingediend niet in dit aanvullende beroepschrift en evenmin op andere wijze binnen de beroepstermijn kenbaar gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze identiteit ook in de bezwarenprocedure niet kenbaar is gemaakt. Eerst bij schrijven van 13 maart 2009 heeft eiser [naam] 42 verklaringen overgelegd waaruit de identiteit van de genoemde 69 bewoners blijkt.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 18 mei 2005 (www.rechtspraak.nl, LJN: AT5683), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb hersteld kan worden. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat de identiteit van degenen voor wie [naam] beroep heeft ingesteld, niet binnen de beroepstermijn kenbaar is geworden. Voor zover het beroep is ingediend namens anderen dan [naam], moet het dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor zover het beroep door [naam] (verder te noemen: eiser) op persoonlijke titel is ingediend, is het wel ontvankelijk.

Het bestreden besluit heeft betrekking op een verleende vrijstelling en bouwvergunning. Voor zover eiser gronden heeft aangevoerd tegen het bestemmingsplan "Molenveld en De Ooi", de feitelijke bouwwerkzaamheden, de verleende kapvergunning en de feitelijke kap van bomen, vallen deze buiten de grenzen van het geding. Verweerder is in het bestreden besluit terecht tot dezelfde conclusie gekomen. De rechtbank merkt daarbij op dat een voorwaarde aan de bouwvergunning zoals door eiser gewenst, inhoudende dat van de vrijstelling en vergunning geen gebruik zou mogen worden gemaakt totdat deze onherroepelijk zijn, om op die wijze het door vergunninghouder verkregen voordeel door de gestelde illegale kap teniet te doen, niet tot de mogelijkheden behoort. Dat volgt uit artikel 56 (oud) van de Woningwet, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders aan de bouwvergunning slechts voorwaarden mogen verbinden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen. De rechtbank zal dan ook niet nader op de gronden aangaande de kap van bomen ingaan.

Het bouwplan waarvoor vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de voormalige Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning is verleend, voorziet in een appartementengebouw van 17 woningen op de hoek van de Looiersweg en de Esdoornlaan te Doesburg.

Ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, blijft de Woningwet zoals die gold vóór 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 9.1.10 van deze wet blijft het recht zoals dat gold vóór 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat gold ten tijde van belang

- zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang mag een bouwvergunning slechts, en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met het Bouwbesluit, de bouwverordening of het bestemmingsplan, het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand of voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en niet is verleend.

Op de grond waarop het bouwplan is geprojecteerd is het uitbreidingsplan "De Ooi, partiële herziening 1964" van kracht. Op het perceel waarop het bouwplan is gesitueerd is deels de bestemming "benzinestation" en deels de bestemming "parkeerplaats" van toepassing. Een appartementencomplex is niet in overeenstemming met deze bestemmingen.

Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO (oud).

Ingevolge dit artikellid, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, tweede en derde volzin, van de WRO (oud) wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: GS) heeft (laatstelijk) bij besluit van 15 november 2005, de lijst van categorieën van gevallen ex artikel 19, tweede lid, van de WRO (oud) vastgesteld. Daarbij hebben GS onder meer als categorie aangewezen: (bouw)projecten voor woonfuncties, mits niet gesitueerd op een bedrijventerrein.

Blijkens de algemene voorwaarden mag voor de in de lijst genoemde mogelijkheden onder meer (voor zover in dit geding relevant) geen gebruik worden gemaakt indien het project:

- in strijd is met relevante wetgeving onder meer op het gebied van water, natuur, milieu, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid en rijksbeleid;

- onevenredig afbreuk doet aan of onevenredig hinder/beperkingen oplevert voor aangrenzende of nabije functies en bestemmingen;

- zich niet verdraagt met aangrenzende activiteiten en bestemmingen.

In de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de vrijstelling dient gemotiveerd aangegeven te worden dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Tevens dient in de onderbouwing de economische uitvoerbaarheid aangetoond te worden.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 19, tweede lid, van de WRO een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft. Dat betekent dat, indien aan de voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling is voldaan, de rechtbank zich dient te beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen.

In de keuze om ten behoeve van het bouwplan vrijstelling te verlenen en het bewuste terrein (aangeduid als het Texacoterrein) buiten het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan "Molenveld en De Ooi" te laten, kan geen aanleiding worden gevonden om verlening van vrijstelling onrechtmatig te achten. De bevoegdheid tot verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO is niet beperkt tot gevallen waarin voor het bewuste gebied tevens een bestemmingsplan in voorbereiding is. Voorts heeft de Afdeling in haar uitspraak van 15 oktober 2008, inzake de goedkeuring van dat bestemmingsplan, reeds geoordeeld dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde begrenzing van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht. De Afdeling heeft daarbij in aanmerking genomen dat de gemeenteraad en gedeputeerde staten van Gelderland met de vrijstellingsprocedure hebben ingestemd.

De omstandigheid dat het gebied waarop de vrijstelling ziet inmiddels nagenoeg het gehele gebied beslaat dat, als gevolg van deze begrenzing, thans nog wordt bestreken door het Uitbreidingsplan "De Ooi, partiële herziening 1964", vormt geen grond om de vrijstelling onrechtmatig te achten. Nog daargelaten dat op de gronden waarop thans het bestemmingsplan "Molenveld en De Ooi" vigeert, ten tijde van het bestreden besluit nog het uitbreidingsplan vigeerde, verzet artikel 19 zich niet tegen toepassing op een (nagenoeg) compleet bestemmingsplangebied. Dat geldt te minder bij een relatief beperkte omvang van een plangebied.

Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de groene strook tussen het appartementengebouw en de dode arm van de Oude IJssel (de groenstrook), nu deze van belang wordt geacht in het kader van een goede stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan, ten onrechte geen onderdeel van de vrijstelling uitmaakt. De omstandigheid dat de groenstrook niet is opgenomen in het bestemmingsplan "Molenveld en De Ooi", maakt dat niet anders. Door onthouding van goedkeuring aan dit bestemmingsplan, voor zover dat op het bewuste gebied zag, is in zoverre het Uitbreidingsplan "De Ooi" van kracht gebleven. De groenstrook is niet in strijd met dit uitbreidingsplan, zodat daarvoor geen vrijstelling is vereist.

Volgens vaste jurisprudentie worden aan de ruimtelijke onderbouwing van een project minder zware eisen gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op het bestaande planologische regime geringer is. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet van een ernstige inbreuk worden gesproken. Weliswaar zijn er onmiskenbaar verschillen tussen hetgeen het geldende bestemmingsplan mogelijk maakt - kort gezegd: een benzinestation en een parkeerplaats - en het appartementengebouw dat met de vrijstelling mogelijk wordt gemaakt, maar die verschillen maken op zichzelf nog niet dat de inbreuk op het planologische regime als ernstig moet worden beschouwd. Die inbreuk heeft naar het oordeel van de rechtbank niet als ernstig te gelden, nu op het perceel al bebouwing van betekenis mogelijk was en nu het appartementengebouw qua functie aansluit bij de naastgelegen woonwijk. Wel is de rechtbank van oordeel dat, hoewel in het bestemmingsplan geen maximale bouwhoogte is opgenomen, de hoogte van het appartementengebouw wezenlijk afwijkt van de redelijkerwijs te verwachten hoogte van een tankstation. In de stedenbouwkundige uitgangspunten, weergegeven in hoofdstuk 4 van de ruimtelijke onderbouwing, is naar het oordeel van de rechtbank echter in voldoende mate ingegaan op de keuze voor deze hoogte. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat in de ruimtelijke onderbouwing, hoewel enigszins summier, is ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan.

Eiser bestrijdt dat de stedenbouwkundige uitgangspunten zoals geformuleerd in hoofdstuk 4 van de ruimtelijke onderbouwing, gebaseerd zijn op het bestemmingsplan "Esdoornlaan-Looiersweg 2001". Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat dit bestemmingsplan ook geen basis kan bieden voor het afleiden van stedenbouwkundige voorschriften voor het Texacoterrein.

De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing een opsomming wordt gegeven van stedenbouwkundige uitgangspunten die voor de ontwikkeling van de locatie zijn geformuleerd. Deze zijn gebaseerd op het bestemmingsplan "Esdoornlaan-Looiersweg 2001", en in overleg met de welstandscommissie verder aangescherpt.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van deze uitgangspunten niet van belang in hoeverre deze daadwerkelijk hun grondslag vinden in het bestemmingsplan "Esdoornlaan-Looiersweg 2001". In het kader van een vrijstelling staat het verweerder vrij om, toegespitst op het specifieke project, stedenbouwkundige uitgangspunten te formuleren aan de hand waarvan beoordeeld wordt of verlening van vrijstelling aanvaardbaar wordt geacht. Daarbij is niet vereist dat het gaat om reeds eerder vastgelegde en geformaliseerde uitgangspunten. De vraag of aan de stedenbouwkundige uitgangspunten zoals neergelegd in het bestemmingsplan Esdoornlaan-Looiersweg 2001 op zichzelf voldoende gewicht toekomt om verlening van vrijstelling te kunnen rechtvaardigen, is dan ook niet relevant. De toetsing van de aanvaardbaarheid van de vrijstelling en de daaraan ten grondslag gelegde stedenbouwkundige uitgangspunten dient zich toe te spitsen op de vraag of deze niet in strijd komen met ander beleid of regelgeving en ook overigens niet onredelijk zijn.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verlening van vrijstelling zich niet verhoudt met het gestelde in de Structuurvisie Doesburg (verder: de structuurvisie), het Groenstructuurplan van de gemeente Doesburg (verder: het groenstructuurplan), het Beeldkwaliteitsplan Doesburg (verder: het beeldkwaliteitsplan), het Landschapsbeleidsplan voor de gemeente Doesburg (verder: het landschapsbeleidsplan) en het Ontwikkelingsprogramma Doesburg ISV (verder: het ontwikkelingsprogramma).

De structuurvisie is een weergave van het gemeentelijke ruimtelijke beleid. De structuurvisie bevat geen bindende bestemmingen. Verweerder is niet rechtstreeks gebonden aan hetgeen in de structuurvisie staat, maar moet de inhoud daarvan wel als relevant feit in de belangenafweging betrekken. Voor het groenstructuurplan, waarin het gemeentelijke ruimtelijke groenbeleid is neergelegd, geldt hetzelfde.

Eiser heeft naar voren gebracht dat de omgeving waarbinnen het Texacoterrein zich bevindt in de structuurvisie de aanduiding "ecologische structuur" heeft gekregen. In het bestreden besluit heeft verweerder echter betekenis toegekend aan het feit dat op 29 maart 2001 de begrenzing van het zoekgebied voor de Ecologische Verbindingszone is vastgesteld door de gemeenteraad, en dat het Texacoterrein daarbuiten is gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de vaststelling van deze begrenzing door verweerder terecht is aangemerkt als een nadere concretisering van het algemene beleid zoals neergelegd in de structuurvisie. Gelet op die nadere concretisering volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat niettemin onverkort betekenis toekomt aan de aanduiding "ecologische structuur" in de structuurvisie.

Hetzelfde heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden voor de aanduiding van het Texacoterrein als "moerasvegetatie" in het groenstructuurplan. Deze aanduiding is aangegeven op de kaart met de visie op de hoofdgroenstructuur voor wat betreft de ecologie (blz. 58), zodat de begrenzing van het zoekgebied voor de Ecologische Verbindingszone ook geacht kan worden een nadere concretisering van dit beleid in te houden.

De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de nabije ligging van de ecologische hoofdstructuur en dat het waterschap Rijn en IJssel bij brief van 22 februari 2007 te kennen heeft gegeven dat het bouwplan volgens haar geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone.

Aan het feit dat in het groenstructuurplan waarden zijn toegekend aan de nabijgelegen Dode Arm van de Oude IJssel en de zogeheten Lage Linie kan naar het oordeel van de rechtbank ook voor het overige niet een zodanig gewicht worden toegekend dat op grond daarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerder in redelijkheid de vrijstelling niet had kunnen verlenen.

Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het landschapsbeleidsplan aan verlening van vrijstelling in de weg zou staan. De rechtbank stelt vast dat voor het Texacoterrein in de bij het landschapsbeleidsplan behorende kaart geen aanduiding is opgenomen. Reeds daarom bestaat geen aanleiding om, zoals eiser heeft gesteld, de visie die ten aanzien van de Lage Linie is geformuleerd, gelet op de vergelijkbare ligging van het Texacoterrein van overeenkomstige toepassing te achten. Voorts vindt de rechtbank in het landschapsbeleidsplan geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de waarden van de Lage Linie bebouwing op nabijgelegen gronden in de weg staat.

Ten aanzien van het ontwikkelingsprogramma merkt de rechtbank op dat dit programma niet beoogt om planologische keuzes neer te leggen ten aanzien van de vraag waar wel, en waar geen bebouwing wenselijk wordt geacht. Het enkele feit dat het Texacoterrein in dit ontwikkelingsprogramma niet is aangewezen als locatie voor de ontwikkeling van woningbouw mag dan ook niet worden uitgelegd als een keuze om dit terrein van woningbouw te vrijwaren.

Het Beeldkwaliteitsplan vormt, in samenhang met de welstandsnota, een toetsingskader voor de beoordeling of is voldaan aan redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft aan zijn besluit het positieve, gemotiveerde advies van de welstandscommissie van 7 november 2006 ten grondslag gelegd. Eiser heeft betoogd dat de welstandscommissie onvoldoende rekening heeft gehouden met de aanduiding van het gebied in de welstandsnota als "natuurgebied en uiterwaarden", met de criteria uit het beeldkwaliteitsplan en met het gestelde in de structuurvisie en het groenstructuurplan.

Ingevolge vaste jurisprudentie mag verweerder, hoewel hij niet aan het welstandsadvies gebonden is en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders het niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hadden mogen leggen.

Ingevolge de meest recente jurisprudentie van de Afdeling, volgend uit de uitspraak van 6 mei 2009 (LJN: BI2952), is het enkele feit dat een aanvrager of een derde-belanghebbende geen tegenadvies van een deskundig te achten persoon of instantie overlegt, op zichzelf echter onvoldoende voor het oordeel dat het college het welstandsadvies, ook wanneer dit niet naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, zonder nadere toelichting ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn oordeel dat het betreffende bouwplan al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Indien een aanvrager of derde-belanghebbende gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria, kan dit eveneens aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit neemt niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

De rechtbank overweegt dat uit de enkele aanduiding van het perceel als "natuurgebied en uiterwaarden" op de bij de welstandsnota behorende kenmerkenkaart, niet mag worden afgeleid dat het gebied welstandshalve ook slechts een zodanige functie zou mogen hebben en dat bebouwing ter plaatse zoveel mogelijk zou moeten worden tegengegaan. Daar komt bij dat, nu bebouwing op het perceel planologisch mogelijk is, bebouwing niet op grond van welstandscriteria kan worden tegengegaan.

De rechtbank is van oordeel dat de gronden die eiser in bezwaar en beroep, met verwijzing naar criteria uit het beeldkwaliteitsplan, tegen het welstandsadvies heeft ingebracht, overwegend criteria betreffen die een stedenbouwkundige beoordeling vergen. Uit het advies van de welstandscommissie kan niet worden afgeleid dat onjuiste criteria zijn toegepast. Voorts blijkt dat de welstandscommissie zich rekenschap heeft gegeven van de omgeving van het bouwplan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bezwaren van eiser tegen het welstandsadvies, nu hij deze niet vergezeld heeft doen gaan van een tegenadvies, niet kunnen slagen.

Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het bouwplan een verstoring van aanwezige flora en fauna met zich zal brengen. Volgens eiser had verweerder zich niet mogen baseren op de quickscan Flora en Fauna van 9 november 2005, omdat ten tijde van het uitvoeren van het onderzoek reeds sprake was van verstoring door aannemingswerkzaamheden.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag naar eventuele verstoring van flora en fauna primair van belang is in het kader van de Flora- en faunawet (Ffw). Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (o.m. haar uitspraak van 14 maart 2007, LJN: BA0643) volgt dat de vraag of voor de uitvoering van een project een ontheffing of vrijstelling nodig is op grond van de Flora- en faunawet (Ffw), en zo ja, of deze ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, aan de orde komt in een eventueel te voeren procedure op grond van die wet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen vrijstelling voor het project had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid ervan in de weg zou staan.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunt om dergelijke uit de Ffw voortvloeiende op voorhand blijkende beletselen aan te kunnen nemen. De quickscan geeft daartoe geen aanleiding. Eiser heeft zijn stelling dat de conclusies in deze quickscan, gelet op de omstandigheden tijdens het veldonderzoek, niet houdbaar zijn, niet onderbouwd met een tegenrapport van een deskundig te achten persoon of instantie.

Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid merkt de rechtbank op dat hieraan in de ruimtelijke onderbouwing aandacht is besteed. Eiser heeft bestreden dat de economische uitvoerbaarheid voldoende is aangetoond, maar heeft dit standpunt niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiser in zijn standpunt te volgen.

De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat is voldaan aan de voorwaarden om vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. Anders dan eiser heeft gesteld is daarvoor, nu de vrijstelling is gebaseerd op categorie 1 van de provinciale vrijstellingenlijst, geen formeel positief advies van gedeputeerde staten vereist. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing een voldoende motivering bevat en dat verweerder, mede gelet op het toepasselijke beleid en de instemming met het plan door gedeputeerde staten, het waterschap Rijn en IJssel en de Inspecteur VROM, na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen. Met inachtneming van die vrijstelling is niet gebleken van een weigeringsgrond om de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep, voor zover dat door eiser op eigen titel is ingediend, dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep dat is ingesteld door anderen dan [naam], niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep van [naam] ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post als voorzitter, mr. A.A.J. de Gier en mr. A.M.C.C. Tubbing als rechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2009 in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 19 juni 2009