Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ0737

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/4109
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging bestuurlijke boetes op grond van de Meststoffenwet. Bij vervoer van vracht dierlijke meststoffen was het gebruikte transportmiddel in strijd met het bepaalde in artikel 49, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet niet uitgerust met apparatuur voor automatische gegevensregistratie (AGR) en satellietvolgapparatuur (GPS).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/4109

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 28 april 2009

inzake

[naam transport BV], eiseres,

gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie,

tegen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 augustus 2007.

2. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 12 juni 2007 heeft verweerder aan eiseres twee bestuurlijke boetes opgelegd op grond van de Meststoffenwet, beide ten bedrage van € 300.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 19 januari 2009. Namens eiseres is aldaar [X], directeur van eiseres, verschenen, bijgestaan door mr. Remie. Verweerder heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag, dat de boetes terecht aan eiseres zijn opgelegd. Bij een controle op 26 april 2007 is geconstateerd dat eiseres een vracht dierlijke meststoffen heeft vervoerd en dat het gebruikte transportmiddel in strijd met artikel 49, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet niet was uitgerust met apparatuur voor automatische gegevensregistratie (AGR) en satellietvolgapparatuur (GPS). Het standpunt van eiseres dat zij in het strijd met het verbod op “ne bis in idem” twee maal voor hetzelfde feit wordt beboet, deelt verweerder niet. Het gaat immers om overtredingen van twee afzonderlijke voorschriften. Verder dienen de voorschriften verschillende doelen en is de strekking van het verwijt daarom niet gelijk. De verplichte aanwezigheid van AGR-apparatuur, waardoor zonder tussenkomst van menselijk handelen een elektronische, eenduidige koppeling wordt gelegd tussen vervoersbewijs, vracht en monster, verzekert dat de samenstelling van monsters niet door menselijk ingrijpen wordt beïnvloed, monsters niet worden verwisseld etcetera. De verplichte aanwezigheid van GPS-apparatuur verzekert dat de mesttransporten beter kunnen worden gevolgd.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres er verantwoordelijk voor is dat het vervoer van meststoffen conform de voorschriften geschiedt, omdat zij op het betreffende vervoersbewijs als vervoerder staat vermeld en zij als intermediair haar onderneming bij verweerder heeft laten registreren. Dat niet eiseres zelf, maar een ander transportbedrijf het transport feitelijk heeft verricht, doet daaraan niet af.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het standpunt, dat beide boetes voor hetzelfde feit, en daarmee in strijd met het verbod op “ne bis in idem”, zijn opgelegd. Het vervoeren zonder de voorgeschreven apparatuur moet als één beboetbaar feit worden beschouwd. Verder voert zij aan dat niet zij maar een ander bedrijf de overtreding heeft begaan omdat dat bedrijf feitelijk de vracht heeft vervoerd, zodat dat bedrijf verantwoordelijk is voor het hebben van de apparatuur. Op deze stellingen en de overige stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Meststoffenwet kunnen, in het belang van een doelmatige afvoer van mestoverschotten of de bescherming en verbetering van het milieu, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot (onder andere) het vervoeren van dierlijke meststoffen.

In artikel 48 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet is bepaald dat dierlijke meststoffen worden vervoerd door een intermediair die zijn onderneming in het kader waarvan het vervoer plaatsvindt overeenkomstig artikel 38 ter registratie heeft aangemeld.

In artikel 49, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet is bepaald dat het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde apparatuur voor automatische gegevensregistratie.

In artikel 49, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet is bepaald dat het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met satellietvolgapparatuur.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Meststoffenwet kan onze Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

In artikel 52 van de Meststoffenwet is bepaald dat onze Minister geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

In artikel 53 van de Meststoffenwet is bepaald dat onze Minister geen bestuurlijke boete oplegt indien aan de overtreder wegens hetzelfde feit reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd.

In artikel 61 van de Meststoffenwet is bepaald dat onze Minister de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Hij houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge Bijlage I bij de Beleidsregel bestuurlijke boetes Meststoffenwet bedraagt de boete indien een transportmiddel niet is uitgerust met AGR-apparatuur € 300. Indien een transportmiddel niet is uitgerust met GPS-apparatuur, bedraagt de boete eveneens € 300.

Uit het rapport van 3 mei 2007 blijkt dat de controleurs van de Algemene Inspectiedienst bij de controle op 26 april 2007 in de cabine van het transportmiddel geen AGR- en GPS-apparatuur hebben aangetroffen. Ook de Poolse chauffeur heeft blijkens het rapport desgevraagd verklaard dat het transportmiddel niet met deze apparatuur was uitgerust.

Eiseres heeft in het bezwaarschrift noch in het beroepschrift betwist dat het transportmiddel niet met de apparatuur was uitgerust. Ter zitting is namens eiseres kort gezegd verklaard dat de apparatuur zich in de cabine moest bevinden, dat de Poolse chauffeur geen Nederlands sprak en dat de AID voor een tolk zorg had moeten dragen. Mede in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting niet is vertegenwoordigd en op deze stellingen niet heeft kunnen reageren, zijn deze stellingen naar het oordeel van de rechtbank te laat en in strijd met een goede procesorde naar voren gebracht. De rechtbank laat deze stellingen daarom buiten beschouwing en stelt op grond van het rapport van 3 mei 2007 vast dat het transportmiddel in strijd met artikel 49, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet niet was uitgerust met AGR- en GPS-apparatuur.

Voor zover eiseres van mening is dat deze voorschriften geen redelijk doel dienen, merkt de rechtbank op dat deze imperatief zijn voorgeschreven en dat de rechtbank geen ruimte ziet om de noodzaak van de voorschriften te toetsen.

De stelling van eiseres, dat een ander vervoersbedrijf het vervoer feitelijk heeft verricht, kan de rechtbank niet tot het oordeel brengen dat eiseres niet als overtreder van de voorschriften kan worden aangemerkt. Verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat eiseres op het betreffende vervoersbewijs als vervoerder wordt vermeld en dat zij, en niet het andere vervoersbedrijf, als intermediair haar onderneming bij verweerder heeft laten registreren. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat eiseres daarmee verantwoordelijk is voor naleving van de voorschriften. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 9 juli 2007 (LJN: BB0923).

Het standpunt van eiseres, dat beide boetes voor hetzelfde feit, en daarmee in strijd met het verbod op “ne bis in idem”, zijn opgelegd, deelt de rechtbank niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel, dat de bepalingen in artikel 49, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet twee afzonderlijke voorschriften betreffen. In artikel 15 noch in artikel 34 van de Meststoffenwet zijn voorschriften over het vervoeren van dierlijke meststoffen opgenomen. Voorts kunnen deze voorschriften afzonderlijk van elkaar worden overtreden. Dat, naar ter zitting is gesteld, de AGR- en de GPS-apparatuur zich in de praktijk in één kastje bevinden, doet daar niet aan af. Voorts deelt de rechtbank het standpunt dat de voorschriften een verschillend doel dienen en dat de strekking van het verwijt daarom niet gelijk is.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de overtredingen eiseres niet kunnen worden verweten. Verweerder was daarom bevoegd om de boetes aan eiseres op te leggen.

Gelet op het bepaalde in artikel 61 van de Meststoffenwet moet de boete worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De stelling van eiseres, dat het door verweerder gehanteerde boetebeleid rechtsongelijkheid in de hand werkt, deelt de rechtbank dan ook niet. Verweerder heeft overeenkomstig zijn boetebeleid twee boetes van € 300 opgelegd. Gelet op het met het boetebeleid te dienen doel acht de rechtbank het beleid van verweerder in zoverre onredelijk noch onevenredig. Omstandigheden die verweerder er toe hadden moeten brengen om van boeteoplegging af te zien dan wel de hoogte van de boetes te matigen, zijn de rechtbank niet gebleken.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, en mrs. J.A. van Schagen en J.M. Neefe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 28 april 2009