Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ0734

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/2376
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging bestuurlijke boete op grond van de Meststoffenwet. De laadlocaties volgens het vervoersbewijs en de elektronische AGR/GPS-gegevens komen niet met elkaar overeen, waarmee sprake is van overtreding van artikel 55, vierde lid, in verbinding met artikel 56, eerste lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Overschrijding van de redelijke termijn. De termijn vangt aan op de dag dat eiseres van de overtreding in kennis is gesteld en een boete is aangezegd, nu zij daaraan in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. Matiging van de boete met 10%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/2376

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 28 april 2009

inzake

[naam transport BV], eiseres,

gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie,

tegen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 mei 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2007 heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete ten bedrage van € 300 op grond van de Meststoffenwet opgelegd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 19 januari 2009. Namens eiseres is aldaar [X], directeur van eiseres, verschenen, bijgestaan door mr. Remie. Verweerder heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag, dat de boete terecht is opgelegd. Bij een controle op 5 februari 2007 is geconstateerd dat gegevens met betrekking tot het laden van dierlijke meststoffen niet met elkaar overeenkwamen. Volgens het betreffende vervoersbewijs was geladen bij [naam], [adres1], maar volgens de elektronische AGR/GPS-gegevens was geladen op het adres [adres2]. In strijd met artikel 55, vierde lid, in verbinding met artikel 56, eerste lid, onder c, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

zijn de gegevens niet op de juiste wijze vastgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres voor het vastleggen van de juiste gegevens verantwoordelijk is. De stelling van eiseres, dat de software van de AGR/GPS-apparatuur niet heel toegankelijk is, maakt niet dat haar van de overtreding geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en voert daartoe kort gezegd aan dat verweerder zich er van moet vergewissen dat de overtreding aan haar te wijten is. Blijkens het rapport van de Algemene Inspectiedienst moet de apparatuur een foute opname hebben gedaan. De apparatuur is zeer ontoegankelijk en de software die bij de (nieuwe) apparatuur wordt geleverd, geeft niet aan wat er precies wordt geregistreerd. In plaats van het opleggen van een boete had verweerder moeten volstaan met het geven van een waarschuwing.

Op deze stelling en de overige stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

In artikel 34 van de Meststoffenwet is bepaald dat bij of krachtens maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent het opmaken, bewaren, overleggen en afdragen van gegevens door natuurlijke personen, rechtspersonen of samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen of rechtspersonen die meststoffen produceren, verhandelen of gebruiken.

In artikel 52, eerste lid, aanhef en onder d, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over de gegevens die met de in onderdeel c bedoelde apparatuur moeten worden vastgelegd en de wijze waarop die gegevens moeten worden vastgelegd, bewaard en verstrekt.

In artikel 55, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet is bepaald dat de vervoerder er zorg voor draagt dat op het tijdstip van het laden en lossen van drijfmest door de AGR-apparatuur de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, onderscheidenlijk de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel automatisch worden vastgelegd en met de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.

In artikel 56, eerste lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet is bepaald dat artikel 55 van overeenkomstige toepassing is op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat de gegevens, bedoeld in het vierde lid, van dat artikel, niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder elektronisch in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Meststoffenwet kan onze Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

In artikel 52 van de Meststoffenwet is bepaald dat onze Minister geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

In artikel 61 van de Meststoffenwet is bepaald dat onze Minister de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Hij houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge Bijlage I bij de Beleidsregel bestuurlijke boetes Meststoffenwet bedraagt de boete bij het niet of niet op juiste wijze vastleggen van vervoersgegevens met behulp van AGR/GPS-apparatuur door de vervoerder € 300.

Tussen partijen is niet in geschil dat de laadlocaties volgens het vervoersbewijs en de elektronische AGR/GPS-gegevens niet met elkaar overeenkomen. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een overtreding van artikel 55, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verbinding met artikel 56, eerste lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de overtreding eiseres niet kan worden verweten. Verweerder heeft bij brief van 8 januari 2009 medegedeeld dat bij raadpleging van de database van laad- en losmeldingen niet is gebleken dat ter zake van het betreffende transport een storingsindicatie in de gebruikte AGR/GPS-apparatuur is afgegeven, wat er op wijst dat de gebruikte apparatuur naar behoren functioneerde. Eiseres heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat haar geen verwijt treft. In dit verband heeft verweerder terecht opgemerkt dat op eiseres de verantwoordelijkheid rust dat de betreffende gegevens juist zijn.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was om de boete aan eiseres op te leggen.

Gelet op het bepaalde in artikel 61 van de Meststoffenwet moet de boete worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De stelling van eiseres, dat het door verweerder gehanteerde boetebeleid rechtsongelijkheid in de hand werkt, deelt de rechtbank dan ook niet. Verder heeft verweerder in het verweerschrift uiteengezet dat het geven van een waarschuwing niet past binnen het lik-op-stukbeleid dat hij voert. Overeenkomstig zijn boetebeleid heeft verweerder een boete opgelegd van € 300. Gelet op het met het boetebeleid te dienen doel acht de rechtbank het beleid van verweerder in zoverre onredelijk noch onevenredig. Omstandigheden die verweerder er toe hadden moeten brengen om van boeteoplegging af te zien dan wel de hoogte van de boete te matigen, zijn de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank is niettemin van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Volgens vaste rechtspraak is de redelijke termijn overschreden indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals de Hoge Raad in het arrest van 22 april 2005 (LJN: AO9006) heeft overwogen, voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. De rechtbank stelt de aanvang van de termijn vast op de dag dat eiseres van de overtreding in kennis is gesteld en een boete is aangezegd, te weten 16 februari 2007, nu zij daaraan in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. De beslechting van het geschil in eerste aanleg is geëindigd met de uitspraak van deze rechtbank en heeft langer dan twee jaar geduurd. Omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat de redelijke termijn niet is verstreken, zoals de complexiteit van de zaak, de invloed van eiseres en/of haar gemachtigde op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door verweerder is behandeld en de wijze waarop de zaak door de rechtbank is behandeld, zijn niet gebleken. Nu het voorgaande leidt tot het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en de boete met 10% matigen tot een bedrag van € 270.

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, omdat de overschrijding van de redelijke termijn door eiseres niet is aangevoerd en de rechtbank in de overschrijding een aanzienlijk aandeel heeft. Voor een veroordeling van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat daarom evenmin aanleiding.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij een boete is opgelegd van € 300;

stelt de boete vast op een bedrag van € 270 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 285 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, en mrs. J.A. van Schagen en J.M. Neefe, rechters, in tegenwoordigheid mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 28 april 2009