Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ0687

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
AWB 06/4569
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging bestuurlijke boete op grond van de Meststoffenwet. Bij het laden van een vrachtwagen met vaste kippenmest, bestemd om buiten Nederland te worden gebracht, is in strijd met het bepaalde in artikel 78, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet geen monster uit de lading genomen.

Overschrijding van de redelijke termijn. De termijn vangt aan op de dag dat eiseres een boete is aangezegd, nu zij daaraan in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. Matiging van de boete met 10%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 06/4569

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 28 april 2009

inzake

[naam transport BV], eiseres,

gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie,

tegen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 juli 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2006 heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete op grond van de Meststoffenwet opgelegd ten bedrage van € 300.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 19 januari 2009. Namens eiseres is aldaar [X], directeur van eiseres, verschenen, bijgestaan door mr. Remie. Verweerder heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, dat bij een controle door de Algemene Inspectiedienst op 24 april 2006 is geconstateerd, dat op 22 april 2006 bij het laden van een vracht vaste kippenmest met een bestemming buiten Nederland geen bemonstering heeft plaatsgevonden.

Eiseres kan zich niet met de boeteoplegging verenigen en heeft het besluit gemotiveerd bestreden. Op haar stellingen zal de rechtbank in het navolgende ingaan.

Artikel 51, eerste lid, van de Meststoffenwet bepaalt dat onze Minister een overtreder een bestuurlijke boete kan opleggen.

Ingevolge artikel 78, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet (hierna: de Uitvoeringsregeling) geschiedt de bemonstering van een vracht vaste mest door de vervoerder. Hij stelt een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die handmatig evenredig verspreid uit de betrokken vracht meststoffen worden genomen. Ingevolge het derde lid geschiedt, indien de vaste mest bestemd is om buiten Nederland te worden gebracht, de in het tweede lid genoemde bemonstering tijdens het laden van het transportmiddel.

Artikel 52 van de Meststoffenwet bepaalt dat onze Minister geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

In artikel 61 van de Meststoffenwet is bepaald dat onze Minister de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Hij houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Op grond van artikel 2 van de Beleidsregel bestuurlijke boetes Meststoffenwet wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit overeenkomstig artikel 51, eerste lid, van de Meststoffenwet kan opleggen, vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in Bijlage I voor de desbetreffende overtreding is vermeld.

In Bijlage I Hoogte bestuurlijke boetes Meststoffenwet is de hoogte van de bestuurlijke boete voor het overtreden van artikel 78, derde lid, van de Uitvoeringsregeling bepaald op € 300.

Tussen partijen is niet in geschil dat op 22 april 2006 door de chauffeur, noch door een andere medewerker van eiseres bij het laden van een vrachtwagen met vaste kippenmest, bestemd om buiten Nederland te worden gebracht, een monster uit die lading is genomen. Daarmee heeft eiseres als vervoerder gehandeld in strijd met artikel 78, derde lid, van de Uitvoeringsregeling.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de overtreding haar niet kan worden toegerekend, aangezien het niet mogelijk is zonder overtreding van wettelijke voorschriften een monster als bedoeld in artikel 78 van de Uitvoeringsregeling te nemen. Eiseres heeft daarbij gewezen op het feit dat het nemen van een monster tijdens het laden van de mest op de hoge vrachtwagen uiterst riskant is en strijd oplevert met de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet). Ook heeft eiseres gesteld dat het op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren de chauffeur niet is toegestaan de kippenstal te betreden om een monster te nemen van de door hem te laden mest. Eiseres stelt dat zij niet strafbaar is nu zij heeft gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Subsidiair doet zij een beroep op overmacht.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het is de rechtbank op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken, dat eiseres op geen enkele manier de mest tijdens het laden kon bemonsteren. Indien de juiste maatregelen met betrekking tot de hygiëne worden getroffen kan de lading mest binnen de kippenstal worden bemonsterd. Ook indien voorzieningen voor bemonstering buiten de stal worden getroffen, is deze wijze van bemonstering mogelijk zonder daarmee in strijd te komen met de Arbowet. Nu het niet zo is dat eiseres niet anders kon doen dan zij heeft gedaan, faalt ook het beroep op overmacht.

Eiseres betoogt verder dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan door op het eerst mogelijke moment, namelijk bij het lossen van de mest op de voorgeschreven wijze een monster te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze werkwijze van eiseres niet dat zij daarmee overeenkomstig de wettelijke voorschriften handelt, aangezien artikel 78, derde lid, van de Uitvoeringsregeling dwingend voorschrijft dat de bemonstering bij het laden van de mest dient te gebeuren.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de overtreding eiseres niet kan worden verweten. Verweerder was dan ook bevoegd om de boete aan eiseres op te leggen.

Gelet op het bepaalde in artikel 61 van de Meststoffenwet moet de boete worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De stelling van eiseres, dat het door verweerder gehanteerde boetebeleid rechtsongelijkheid in de hand werkt, deelt de rechtbank dan ook niet. Verweerder heeft overeenkomstig zijn boetebeleid een boete opgelegd van € 300. Gelet op het met het boetebeleid te dienen doel acht de rechtbank het beleid van verweerder in zoverre onredelijk noch onevenredig. Omstandigheden die verweerder er toe hadden moeten brengen om van boeteoplegging af te zien dan wel de hoogte van de boete te matigen, zijn de rechtbank niet gebleken. De aangevoerde aanloopproblemen, in verband met de kort voor de overtreding in werking getreden gewijzigde Meststoffenwet, zijn voor risico van eiseres.

De rechtbank is niettemin van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Volgens vaste rechtspraak is de redelijke termijn overschreden indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals de Hoge Raad in het arrest van 22 april 2005 (LJN: AO9006) heeft overwogen, voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. De rechtbank stelt de aanvang van de termijn vast op de dag dat eiseres een boete is aangezegd, te weten 24 april 2006, nu zij daaraan in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zouden worden opgelegd. De beslechting van het geschil in eerste aanleg is geëindigd met de uitspraak van deze rechtbank en heeft langer dan twee jaar geduurd. Omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat de redelijke termijn niet is verstreken, zoals de complexiteit van de zaak, de invloed van eiseres en/of haar gemachtigde op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door verweerder is behandeld en de wijze waarop de zaak door de rechtbank is behandeld, zijn niet gebleken. Nu het voorgaande leidt tot het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en de boete met 10% matigen tot een bedrag van € 270.

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, omdat de overschrijding van de redelijke termijn door eiseres niet is aangevoerd en de rechtbank in de overschrijding een aanzienlijk aandeel heeft. Voor een veroordeling van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat daarom evenmin aanleiding.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij een boete is opgelegd van € 300;

stelt de boete vast op een bedrag van € 270 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 281 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, en mrs. J.A. van Schagen en J.M. Neefe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 28 april 2009