Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI9983

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/499 en 08/500
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het belastbare feit voor de BPM doet zich voor op het moment van het ter registratie aanbieden van de auto in het kentekenregister en niet op het moment waarop aangifte BPM wordt gedaan. Omdat op het moment van ter registratie aanbieden de schade aan de auto was hersteld, is terecht en tot het juiste bedrag BPM nageheven. De boete vervalt omdat sprake is van een pleitbaar standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/40.2.3
FutD 2009-1371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/499 en 08/500

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 maart 2009

inzake

[X], wonende te [Z] eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 26 januari 2005 aan eiser een naheffingsaanslag (aanslagnummer [0] belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.324 (hierna ook: naheffingsaanslag 1), alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 1.162 (hierna ook: boetebeschikking 1).

Verweerder heeft eveneens met dagtekening 26 januari 2005 aan eiser een naheffingsaanslag (aanslagnummer [0]) BPM opgelegd van € 1.938 (hierna ook: naheffingsaanslag 2), alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 969 (hierna ook: boetebeschikking 2).

Verweerder heeft, voor wat betreft naheffingsaanslag 1 en boetebeschikking 1, bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 3 december 2007 naheffingsaanslag 1 verminderd tot € 1.751 en boetebeschikking 1 verminderd tot € 875.

Verweerder heeft, voor wat betreft naheffingsaanslag 2 en boetebeschikking 2, bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 3 december 2007 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 11 januari 2008, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [A] en mr. [B]. Namens verweerder is verschenen mr. [C].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van eiser gevoegde bijlagen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is autohandelaar en gespecialiseerd in het merk BMW. Eiser heeft in Duitsland twee auto’s gekocht, een BMW 520i en een BMW 320i (hierna: de auto’s).

Eiser heeft deze auto’s vanuit Duitsland naar zijn bedrijfsterrein in Nederland vervoerd. Vervolgens is op 6 juli 2004 aan [D] taxatie en expertise te [Q] (hierna: [D]) de opdracht verstrekt de auto’s te taxeren. [D] heeft de auto’s op 9 juli 2004 geïnspecteerd en op 27 juli 2004 taxatierapporten opgemaakt. Hierin is onder meer vermeld dat de auto’s tijdens de inspectie in gedeeltelijk ontmantelde staat verkeerden. Op beide auto’s waren niet aanwezig:

- de complete voorbumper;

- de complete achterbumper;

- de zitmeubels;

- de portierbekledingen;

- de koplampen;

- de rechter spiegel;

- de velgen en de banden; en

- van het dashboard:

o de radio

o het aircopaneel

o het middenpaneel

[D] heeft de waarde van de auto’s vastgesteld, rekening houdend met de waardedruk als gevolg van de schade.

Eiser heeft vervolgens op basis van de door [D] getaxeerde waarde aangifte BPM voor de auto’s gedaan. Het op aangifte voldane bedrag voor de BMW 520i is € 2.410 en voor de BMW 320i € 2.223.

Op 1 en 2 september 2004 heeft verweerder bij eiser een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de voor de auto’s gedane aangiften BPM. De auto’s stonden nog op het bedrijfsterrein van eiser en de schade was op dat moment hersteld. Van het onderzoek is op 24 september 2004 een rapport opgemaakt.

Op 3 en 11 september 2004 (zie bijlage 6 bij de verweerschriften) is door de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: RDW) aan de auto’s een Nederlands kenteken toegekend.

Op 26 januari 2005 zijn de naheffingsaanslagen BPM en boetebeschikkingen aan eiser opgelegd. Hierbij is het bedrag aan BPM berekend zonder rekening te houden met de waardevermindering van de auto’s als gevolg van de schade.

3. Geschil

In geschil is of aan eiser voor de auto’s terecht naheffingsaanslagen BPM en boetebeschikkingen zijn opgelegd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser de BPM op grond van de wet tot het juiste bedrag heeft voldaan, maar dat sprake is van fraus legis. Verweerder is van mening dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen terecht aan eiser zijn opgelegd.

Eiser stelt zich op het standpunt dat van fraus legis geen sprake is en dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikking moeten worden vernietigd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

In artikel 1 van de Wet op belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (wettekst 2004) (hierna: Wet BPM) is, voor zover hier van belang, bepaald:

‘ (…)

1. Onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen” wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto’s (…).

2. De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto (…) in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

(…)’

In artikel 3 Wet BPM is, voor zover hier van belang, bepaald:

‘ (…)

1. Onder personenauto wordt in deze wet (…) verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen (…)’

In artikel 5 Wet BPM is, voor zover hier van belang, bepaald:

‘ (…)

1. Met betrekking tot een geregistreerde personenauto (…) wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld.

(…)’

In artikel 6 Wet BPM is, voor zover hier van belang, bepaald:

‘ (…)

1. De belasting moet op aangifte worden voldaan.

2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen:

a. moet de belasting, indien deze verschuldigd is:

1° ter zake van de registratie, worden betaald voordat het kenteken op naam is gesteld;

(…)

b. wordt de aangifte gelijktijdig met de betaling gedaan.

(…)’

In artikel 7 Wet BPM is, voor zover hier van belang, bepaald:

‘(…)

1. Indien de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, is, in afwijking van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld.

(…)’

De rechtbank is op grond van de volgende overwegingen van oordeel dat de naheffingsaanslagen tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Anders dan partijen veronderstellen doet het belastbare feit voor de heffing van BPM zich niet voor op het moment dat aangifte wordt gedaan, maar op het moment dat een personenauto ter registratie wordt aangeboden in het kentekenregister (zie artikel 1, tweede lid, Wet BPM). Op het moment van registratie was de schade aan de auto’s hersteld. Verweerder is bij het opleggen van de naheffingsaanslagen dan ook terecht uitgegaan van de waarde van de auto’s nadat deze zijn hersteld. Nu eiser ter zitting heeft verklaard in dat geval in te kunnen stemmen met de berekeningswijze van verweerder, moet aangenomen worden dat de naheffingsaanslagen BPM tot het juiste bedrag zijn berekend.

Voor zover tevens in geschil is of de naheffingsaanslagen terecht op naam van eiser zijn gesteld, overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat eiser de BPM op aangifte heeft voldaan en dat dit, gelet op het hiervoor overwogene, te weinig is. Indien het kenteken op naam van eiser is gesteld, is hij belastingplichtige en kan de BPM die door hem te weinig op aangifte is voldaan, worden nageheven op grond van het bepaalde in artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Indien het kenteken niet op zijn naam is gesteld, maar hij deze belasting op grond van het bepaalde in artikel 7 Wet BPM namens de kentekenhouder heeft voldaan, kan aan hem eveneens op grond van artikel 20, eerste lid, AWR een naheffingsaanslag worden opgelegd (zie Hoge Raad 11 april 2003, nr. 36.822, BNB 2003/264). Gelet hierop zijn de naheffingsaanslagen terecht aan eiser opgelegd.

Aan vorenstaande oordelen doet niet af dat de auto’s op het moment van de voldoening op aangifte van de BPM nog beschadigd waren. Voor het standpunt van partijen dat de staat waarin de auto’s ten tijde van de aangifte verkeerden van belang is om de heffingsgrondslag voor de BPM te bepalen, is geen steun in het recht te vinden. Tevens stelt de rechtbank vast dat de auto’s op dat moment nog geen personenauto waren in de zin van artikel 3 Wet BPM, nu de velgen en banden ontbraken.

Aan eiser zijn tevens boeten opgelegd op grond van het bepaalde in artikel 67f AWR, omdat het volgens verweerder aan zijn opzet is te wijten dat te weinig belasting is betaald.

Verweerder, op wie in deze de bewijslast rust, heeft aangevoerd dat eiser wist of redelijkerwijs had kunnen weten/begrijpen dat als gevolg van het doen van aangifte met een taxatierapport dat is opgemaakt voor auto’s die gestript zijn, hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verschuldigde BPM niet juist wordt vastgesteld. Verweerder voert in dit verband tevens aan dat eiser zelf de hand heeft gehad in het (laten) strippen van de auto’s.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de boetebeschikkingen als volgt.

Partijen stellen zich (blijkbaar) op het standpunt dat eiser de BPM, gelet op het bepaalde in de Wet BPM, bij het doen van de aangiften tot het juiste bedrag heeft voldaan. Verweerder stelt zich vervolgens op het standpunt dat de te weinig geheven BPM op grond van fraus legis kan worden nageheven. Dit omdat hij van mening is dat eiser de auto’s heeft gestript, dan wel heeft laten strippen. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hem geen voorbeelden uit de jurisprudentie bekend zijn waarin hierover is beslist.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande – en met name gelet op hetgeen door verweerder naar voren is gebracht – van oordeel dat het standpunt van eiser, dat hij tot het juiste bedrag op aangiften BPM heeft voldaan, niet bij voorbaat onverdedigbaar is. Ook verweerder gaat hier immers vanuit. Nu sprake is van een pleitbaar standpunt dienen de boetebeschikkingen te worden vernietigd.

5. Proceskosten

Eiser heeft verzocht om vergoeding van de integrale proceskosten omdat, naar de rechtbank begrijpt, verweerder bij het doen van de uitspraken op bezwaar voor wat betreft de boetes geen rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is alleen plaats wanneer een bestuursorgaan een besluit neemt of handhaaft terwijl duidelijk is dat dit besluit geen stand zal houden (HR 13 april 2007, nr. 41.235, BNB 2007/260). Om als bijzonder in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit te kunnen gelden is tevens vereist dat de door eiser ten behoeve van de procedure bij de rechtbank gemaakte proceskosten in enig verband met die omstandigheid staan (HR 21 maart 2008, nr. 43.066, BNB 2008/158).

Nu gesteld noch gebleken is dat de proceskosten van eiser hoger zijn geworden doordat verweerder bij het doen van de uitspraak op bezwaar geen rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, is de rechtbank van oordeel dat van een bijzondere omstandigheid in voornoemde zin geen sprake is. Voor de in de beroepsfase beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand dient dan ook een forfaitaire kostenvergoeding te worden toegekend. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voorzover deze de boetebeschikkingen betreffen;

- vernietigt de boetebeschikkingen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 143 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2009

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. E.C.G. Okhuizen en mr. R.A.V. Boxem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.