Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI9908

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/973, 08/1905, 08/1906, 08/1907, 08/1908, 08/1909
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep. Vriendendienst of beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eerst toetsen of beroepsmatig rechtsbijstand is verleend. Proceskostenvergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/973, 08/1905, 08/1906, 08/1907, 08/1908, 08/1909

uitspraak ingevolge artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 5 maart 2009

inzake

[X], wonende te [Z], verzoekster,

gemachtigde: drs. [A],

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Verweerder heeft aan eiseres in de periode 30 augustus 2007 tot en met 24 september 2007 zes naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummers [p1], [p2], [p3], [p4], [p5], [p6], totaal ongeveer € 600.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar van 5 januari 2008 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 februari 2008, ingekomen bij de rechtbank op 15 februari 2008, heeft eiseres beroep ingesteld tegen die uitspraken op bezwaar. Nadien heeft verweerder bij brief van 16 mei 2008 te kennen gegeven dat de aanslagen ambtshalve zullen worden verminderd tot nihil.

Naar aanleiding daarvan heeft verzoekster bij brief van 19 mei 2008 het beroep ingetrokken. Daarbij is verzocht verweerder in de proceskosten en het griffierecht te veroordelen.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Verweerder heeft bij brieven van 27 juni en 20 oktober 2008 op dit verzoek gereageerd.

Verzoekster heeft daarop gereageerd bij brief van 2 oktober 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2009 te Arnhem.

Verzoekster is daar, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Verzoekster is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 28 oktober 2008 aan drs. [A] op het adres [a straat 1] te [Q], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit informatie van TNT Post (www.tracktrace.nl) is gebleken dat de brief op 8 november 2008 is afgehaald op de locatie [Q a straat 1]. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden. Namens verweerder is verschenen de heer

[B].

2. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag:

- of verzoekster in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten die zij voor de behandeling van het bezwaar en beroep heeft moeten maken en

- of verzoekster in aanmerking komt voor vergoeding van het griffierecht.

3. Beoordeling van het geschil

Verzoekster heeft verzocht om een vergoeding van de kosten die zij voor de behandeling van het bezwaar en beroep heeft moeten maken en om vergoeding van het griffierecht dat zij heeft betaald in verband met het instellen van het ingetrokken beroep.

Verzoekster heeft eerder in haar bezwaarschrift verzocht om een vergoeding voor de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb in de proceskosten veroordelen.

Verzoekster stelt dat verweerder vermoedelijk niet op zijn standpunt zou zijn teruggekomen zonder de bijstand van haar gemachtigde. Verzoekster wijst erop dat haar gemachtigde in zijn dagelijks leven als belastingadviseur werkzaam is en regelmatig cliënten in bezwaar- en beroepszaken tegen de belastingdienst bijstaat. Verzoekster wijst er voorts op dat ingevolge het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vergoedingen forfaitair worden vastgesteld. Volgens haar is daarom voor vergoeding van proceskosten het indienen van specificaties niet vereist.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen plaats is voor een proceskostenvergoeding omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verweerder zegt de stellige indruk te hebben dat door de gemachtigde, drs. [A], een vriendendienst is verleend. Verweerder wijst er in dit verband op dat de heer [A] weliswaar werkzaam is als belastingadviseur, maar dat daarvan niet blijkt uit de door hem namens verzoekster ingediende stukken en dat er door verzoekster geen nota’s zijn overgelegd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

Anders dan verzoekster kennelijk veronderstelt, is hier niet de vraag aan de orde tot welk bedrag proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, maar de daaraan voorafgaande vraag of er beroepsmatig rechtsbijstand is verleend en daarvoor kosten zijn gemaakt. Verzoekster heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake was. Voor het bewijs dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is niet voldoende dat verzoekster een visitekaartje heeft overgelegd van gemachtigde waaruit blijkt dat deze werkzaam is als consulent juridische zaken bij [C] Administratie- en Belastingadviesbureau, nu uit de namens verzoekster ingediende stukken niet blijkt dat gemachtigde uit hoofde van die functie optrad. Dit geldt temeer nu het kantooradres dat op het visitekaartje staat vermeld, te weten [b straat 1] in [R], een ander adres is dan het adres dat gemachtigde in zijn brieven aan verweerder en de rechtbank heeft gebruikt ([a straat 1] te [Q]). Dat de gemachtigde van verzoekster niettemin beroepsmatig is opgetreden, is door haar niet aannemelijk gemaakt. Dat verweerder door het optreden van haar gemachtigde alsnog aan haar bezwaren is tegemoetgekomen, is daarvoor niet voldoende. Reeds hierom kan het verzoek niet worden toegewezen.

Gelet op het vorenoverwogene dient het verzoek te worden afgewezen.

Wat betreft het griffierecht merkt de rechtbank het volgende op. Ingevolge artikel 8:41, vierde lid, van de Awb wordt, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door de desbetreffende rechtspersoon.

Verzoekster zal zich met het verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht van € 39 tot verweerder kunnen wenden.

4. Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2009

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.