Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI9063

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
179689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldvordering in kort geding.

Voorschot op schade na verkeersongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 179689 / KG ZA 09-18

Vonnis in kort geding van 2 juni 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.W. Janssens te Bunschoten,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

NEDERLANDS BUREAU DER MOTORRIJTUIGVERZEKERAARS,

gevestigd te Rijswijk,

gedaagde,

advocaat mr. L.K. de Haan te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en NBM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de wijziging van eis

- de pleitnota van NBM.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 11 oktober 2008 heeft zich een verkeersongeval voorgedaan op de Rijksweg A2-A27, waarbij waren betrokken een personenauto bestuurd door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) met als bijzitter [eiseres] en een Belgische personenauto bestuurd door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).

2.2. Daarbij is de door [betrokkene 1] bestuurde auto aan de linkervoorzijde aangereden door de door [betrokkene 2] bestuurde auto die van rijstrook wisselde zonder [betrokkene 1] voor te laten gaan en daarbij ook een doorgetrokken streep overschreed, waardoor de auto van [betrokkene 1] met grote kracht tegen de vangrail is gebotst.

2.3. [betrokkene 2] was tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij de Belgische verzekeringsmaatschappij Nationale Suisse Verzekeringen. Deze Belgische maatschappij wordt op grond van de “groene kaart-regeling” en de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: de WAM) in Nederland vertegenwoordigd door NBM.

2.4. [eiseres] heeft zich na het ongeval onder medische behandeling gesteld.

2.5. Fysiotherapeut M.G. van de Hoef heeft bij [eiseres] krachtverlies in de linkerhand en bewegingsbeperking van de nek bij het draaien naar links geconstateerd. Hij heeft na drie behandelingen de behandeling gestaakt omdat de klachtenpatroon van [eiseres] verergerde en heeft haar doorverwezen naar de huisarts. De huisarts heeft na onderzoek [eiseres] doorverwezen naar de neuroloog.

2.6. [eiseres] is onderzocht door neuroloog dr. R.P.J. van Eijkelenburg. In het rapport van 28 januari 2008 stelt hij bij [eiseres] beperkte nekmobiliteit vast en concludeert hij dat er sprake is van “radiculaire pijnklachten C6 beiderzijds bij een puilende discus C5-C6 zonder aangetoonde wortelcompressie”. Voorts schrijft hij: “In hoeverre haar klachten te maken hebben met het auto-ongeval is moeilijk te zeggen. Er is enkel een tijdsrelatie tussen haar klachten en het ongeval.” Voor verdere pijnbehandeling heeft de neuroloog [eiseres] doorverwezen naar de pijnpolikliniek.

2.7. Daar is [eiseres] onderzocht door anesthesioloog dr. S.J. Shaikhani. In het rapport van 31 maart 2009 constateert Shaikhani drukpijn langs de wervelkolom niveau C3 t/m C7 rechts. Hij ziet drie verschillende mogelijkheden als verklaring voor de pijnklachten van [eiseres]: discopathie (aandoening van tussenwervelschijf), een radiculair syndroom (zenuwwortelprikkeling) of een cervicale facetten syndroom (aandoening van de kleine wervel gewrichten). Hij stelt voor de behandeling aan te vangen met lokale pijnstilling.

2.8. In april 2009 is [eiseres] door de sociale dienst vanwege haar beperkingen afgekeurd voor de arbeidsmarkt. Zij is voor één jaar vrijgesteld van de sollicitatieplicht.

[eiseres] ontvangt thans van de sociale dienst een bijstandsuitkering van netto € 971,82 per maand.

2.9. NBM heeft inmiddels de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend.

2.10. [eiseres] is thans nog onder medische behandeling en er is nog geen zicht op een medische eindsituatie.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert na wijziging van eis samengevat - veroordeling van NBM tot betaling van een bedrag van € 20.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op de uiteindelijk te vergoeden schade die het gevolg is van het ongeval op

11 oktober 2008, met veroordeling van NBM in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2. [eiseres] stelt dat zij als gevolg van de aanrijding letsel heeft opgelopen, bestaande uit cervicale pijnklachten en misselijkheid, hetgeen ondermeer krachtverlies van de armen tot gevolg heeft. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat NBM gehouden is de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, die het gevolg is van het bij het ongeval opgelopen letsel te vergoeden. [eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben omdat zij in ernstige financiële nood verkeert doordat zij vanwege haar medische beperkingen niet kan werken en niet rond kan komen van haar bijstandsuitkering.

3.3. Het Nederlands Bureau voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang bij de vordering blijkt voldoende uit de stellingen van [eiseres].

4.2. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat. In een geval als dit, waarin [eiseres] stelt het geld dringend zelf nodig te hebben, zal zoals NBM op zichzelf terecht heeft gesteld het restitutierisico groter zijn, maar kan dat anders dan daarbij is betoogd niet reeds daarom een dwingende grond opleveren voor afwijzing van het gevorderde, nu het steeds moet gaan om een afweging van alle belangen tussen partijen (vgl. HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602 en HR 14 juni 2002, NJ 2002, 395).

4.3. Vast staat dat het verkeersongeval is ontstaan omdat [betrokkene 2] artikel 54 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) heeft overtreden door bij het wisselen van rijstrook de door [betrokkene 1] bestuurde personenauto niet voor te laten gaan en hem in staat te stellen zijn weg ongehinderd te vervolgen. Daarbij heeft [betrokkene 2] eveneens in strijd gehandelend met het op het wegdek aangebrachte verkeersteken door de doorgetrokken streep te overschrijden (artikel 76 RVV) . Derhalve heeft [betrokkene 2] onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] als inzittende van de door [betrokkene 1] bestuurde auto en dient [betrokkene 2] de schade die [eiseres] dientengevolge lijdt, te vergoeden. Voor deze aansprakelijkheid was [betrokkene 2] verzekerd en [eiseres] kan haar schade krachtens de WAM rechtstreeks op NBM verhalen.

4.4. NBM betwist echter dat de pijnklachten en beperkingen van [eiseres] het gevolg zijn van het ongeval en stelt dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt van een causaal verband daartussen. NBM motiveert haar betwisting met verwijzing naar een korte memo van 7 mei 2009 van medisch adviseur dr. R.M. Wiersma waarin staat dat de “(pijn)klachten in en vanuit de nekregio na 11/10/2008, waartoe een in medische zin vastgesteld of te benoemen letsel of aandoening in causale relatie met het ongeval niet is vastgesteld”.

4.5. Uit de overgelegde medische informatie van de neuroloog en anesthesioloog blijkt dat [eiseres], kort samengevat, radiculaire pijnklachten heeft bij een puilende tussen¬wervelschijf C5-C6. Dat deze klachten niet of nauwelijks te objectiveren zijn leidt er niet toe dat het bestaan van deze klachten niet kan worden aangenomen en niet als ongevalsgevolg zijn aan te merken. Uitgangspunt is dat in een geval als het onderhavige (een post whiplash syndroom) niet al te hoge eisen aan het bewijs van het oorzakelijke verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten kunnen worden gesteld. Het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten staat niet in de weg aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Het vereiste oorzakelijke verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten kan ook gebaseerd worden op het bestaan van klachten die weliswaar naar hun aard subjectief zijn doch waarvan niettemin objectief kan worden vastgesteld dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn (vgl. HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433).

4.6. Nu gesteld noch gebleken is dat die klachten niet aanwezig, niet reëel, ingebeeld, voorgewend, en overdreven zijn, wordt voorshands uitgegaan van een causaal verband tussen de gezondheidsklachten van [eiseres] en het ongeval. Daartoe is mede van belang dat NBM met de korte memo van medisch adviseur Wiersma onvoldoende heeft betwist dat de gezondheidsklachten van [eiseres] het gevolg zijn van het ongeval, mede ook omdat Wiersma daarin geen acht heeft geslagen op het voordien verschenen, maar nadien verzonden rapport van de anesthesioloog. Voorts is niet onbelangrijk dat [eiseres] twee adviezen van L. Kalb, verzekeringsarts-medisch adviseur, d.d. 4 februari 2009 en 3 maart 2009 en een advies van F. van Wingarden, arts-medisch adviseur, d.d. 15 mei 2009 heeft overgelegd, die uitvoeriger zijn dan het advies van Wiersma, waarin de beide medische adviseurs wel alle beschikbare medische informatie hebben betrokken en tot de conclusie komen dat er wel een causaal verband bestaat tussen de gezondheidsklachten en beperkingen van [eiseres] en het ongeval. Tot slot acht de voorzieningenrechter voor het aannemen van een causaal verband tussen de gezondheids¬klachten van [eiseres] en het ongeval relevant dat NBM niet heeft weersproken dat de klachten van [eiseres] eerst zijn ontstaan na het ongeval en dat [eiseres] voorheen geen last had van soortgelijke bij een whiplash passende gezondheidsklachten.

4.7. Gelet het voorgaande moet voorshands worden aangenomen dat de gezondheidsklachten van [eiseres] het gevolg zijn van het ongeval, zodat NBM aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. NBM is dan ook gehouden de door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden.

4.8. Vervolgens dient de vraag naar de omvang van de schade beantwoord te worden.

Partijen verschillen van mening over de omvang van de schade. [eiseres] heeft de volgende schadeposten opgevoerd:

verlies van arbeidsvermogen € 17.887,25

kosten voor cursussen € 697,50

kosten voor huishoudelijke hulp € 2.586,17

vervoerskosten € 105,00

ziektekosten € 82,50

kosten voor oppas € 250,00

smartengeld PM

wettelijke rente PM

buitengerechtelijke kosten € 4.800,00

totale schade € 26.408,42 + PM

4.9. Daaruit volgt dat de grootste schadepost het verlies van verdienvermogen is. [eiseres] heeft dit gebaseerd op de door haar met [bedrijf] Koeriers te Houten op

7 oktober 2008 gesloten arbeidsovereenkomst voor de functie van office manager.

De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd met ingang van 14 oktober 2008 tot

14 april 2009 voor een netto salaris van € 2.700,00 per vier weken. [eiseres] stelt dat door het ongeval en de daaruit voor haar voortvloeiende arbeidsongeschiktheid [bedrijf] de arbeidsovereenkomst voor de aanvang van de werkzaamheden heeft opgezegd, waardoor zij inkomensschade lijdt voor de duur van de overeenkomst tot een bedrag van 6,625 x

€ 2.700,00 = € 17.887,25.

4.10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst een aantal opmerkelijkheden bevat die de betrouwbaarheid daarvan niet ten goede komen. Het forse salaris van € 2.700,00 netto per vier weken voor de functie van office manager bij een eenmanszaak als [bedrijf] roept vragen op. Ook is het de vraag of een eenmanszaak wel de behoefte heeft aan een voltijds office manager en zo’n dure office manager überhaupt kan betalen. Voorts is het wel heel toevallig dat de arbeidsovereenkomst op 7 oktober 2008, dus vier dagen voor het ongeval, tussen [eiseres] en [bedrijf], het bedrijf van [betrokkene 1] - de bestuurder van de bij het ongeval betrokken auto waarin ook [eiseres] zat - tot stand is gekomen. Gelet op al deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de begroting van het verlies van arbeidsvermogen van [eiseres] niet uitgegaan kan worden van deze “misgelopen” arbeidsovereenkomst met [bedrijf]. Wel is van belang dat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat zij door de sociale dienst vanwege haar gezondheidklachten en beperkingen arbeidsongeschikt is bevonden en dat zij voor één jaar is vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Er is derhalve een duidelijke aanwijzing dat [eiseres] voorlopig niet kan werken. Uit haar curriculum vitae volgt dat zij in verleden veel kortstondige banen heeft gehad en bijna altijd heeft gewerkt, zodat daaruit een zekere arbeids¬historie volgt. Zij heeft voorts onbetwist gesteld dat zij voor het ongeval als schoonmaakster en als oppas werkte en daarmee rond de € 1.200,00 netto per maand verdiende, zodat haar verlies van verdienvermogen in redelijkheid aan dat bedrag gerelateerd kan worden.

4.11. Wat betreft de kosten verband houdende met de werkgerelateerde cursussen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat die kosten verschuldigd zijn en ten laste van haar komen. Dat er vervoerkosten, ziektekosten, kosten voor huishoudelijke hulp en oppas zijn gemaakt acht de voorzieningenrechter wel aannemelijk. Dat er daarnaast buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt spreekt ook voor zich. Over de hoogte daarvan zal nog discussie kunnen volgen. Ook acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat [eiseres] in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade die afhankelijk zal zijn van de medische eindtoestand van [eiseres].

4.12. Binnen het beperkte beoordelingskader van het kort geding ziet de voorzieningen¬rechter, uitgaande van de hierboven besproken schadeposten, dan ook aanleiding voor het toekennen van een in redelijkheid en billijkheid te bepalen voorschot op de uiteindelijke schadevergoeding. Het voorschot zal, mede met het oog op het aanwezige restitutierisico, worden bepaald op € 7.500,00.

4.13. NBM zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- betaald vast recht € 78,25

- in debet gesteld vast recht € 234,75

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.214,44

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt NBM om aan [eiseres] als voorschot op de schadevergoeding te betalen een bedrag van € 7.500,00 (zevenduizendvijfhonderd euro),

5.2. veroordeelt NBM in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.214,44, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 2 juni 2009.