Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI8747

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
177695 / KG ZA 08-745
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. Tot de ontbonden en nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap van partijen behoort de voormalig echtelijke woning. De man heeft herhaaldelijk toezeggingen gedaan aan de vrouw dat hij de betreffende woning zal overnemen, echter tot op heden heeft hij dit niet gerealiseerd. De vrouw vordert thans in een kort geding procedure; een voorschot op de verdeling van de gemeenschap; dat de man stukken overlegt waaruit blijkt dat hij de woning kan overnemen; de man te veroordelen dat hij ervoor zorg zal dragen dat de woning, binnen een door de vrouw gestelde termijn aan hem geleverd zal worden; een vergoeding uit overbedeling; een machtiging tot het te gelden maken van de woning; een gebruiksvergoeding en een verbod tot aan aanbrengen van wijzigingen aan de aan partijen toebehorende onroerende zaak onder verbeurte van een dwangsom.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op het gedrag van de man er vooralsnog vanuit gegaan dient te worden dat de man de financiering van de echtelijke woning niet kan realiseren, het verzoek van de vrouw betreffende het voorschot, alsmede de vordering uit overbedeling wijst de voorzieningenrechter dan ook af. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering betreffende een gebruikersvergoeding en de machtiging tot het te gelde maken van de woning, zich niet lenen voor een kort gedingprocedure, dit onder andere gezien het definitieve karakter van deze voorzieningen. Het verzoek van de vrouw de man te verbieden wijzigingen aan de echtelijke woning toe te brengen zonder haar toestemming onder verbeurte van een dwangsom, wijst de voorzieningenrechter toe.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 170
Burgerlijk Wetboek Boek 3 174
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 177695 / KG ZA 08-745

Vonnis in kort geding van 9 april 2009

in de zaak van

[XXX],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. E.J.H.M. Vroemen te Nijmegen,

tegen

[YYY],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

voorheen advocaat mr. J.W.C. Giebels te Nijmegen,

thans zonder advocaat in persoon ter zitting verschenen.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de brief met bijlagen namens de vrouw, ingekomen op 12 december 2008,

- de brief met bijlagen namens de vrouw, ingekomen op 5 februari 2009;

- de wijziging c.q. vermeerdering van eis namens de vrouw, ingekomen op 20 februari 2009,

- het faxbericht namens de man, ingekomen op 25 februari 2009,

- de pleitnotitie van de vrouw,

- de brief namens de vrouw, ingekomen op 27 maart 2009,

- de behandeling ter terechtzitting op 26 februari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 31 januari 2008 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke echtscheiding op 28 april 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Bij voornoemde beschikking is onder meer bepaald dat de vrouw tegenover de man gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking het recht heeft in de echtelijke woning te blijven wonen en de zaken die bij die woning en tot de inboedel daarvan behoren, te blijven gebruiken. Bij voornoemde beschikking is tevens bepaald dat partijen met elkaar over dienen te gaan tot verdeling van de t tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap.

2.3. De vrouw heeft tot 1 augustus 2008 in de echtelijke woning gewoond. Voornoemde woning behoort thans nog tot de ontbonden en nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap waarin partijen gehuwd zijn geweest.

2.4. De voorzieningenrechter heeft na afloop van de behandeling ter zitting in overleg met partijen de beslissing in deze zaak pro forma aangehouden voor een periode van vier weken, en de man de gelegenheid geboden aan te tonen dat de financiering betreffende de overname van de echtelijke woning door hem zo goed als rond is zoals hij ter zitting heeft gesteld. Nu de man van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, zal de voorzieningenrechter vonnis wijzen.

3. Het geschil

3.1. De vrouw wenst de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter:

I. de man zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de vrouw een bedrag ter grootte van € 58.750,- te betalen, althans enig ander door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op de verdeling van de gemeenschap;

II. de man zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, stukken over te leggen aan de vrouw waaruit volgt dat een of meerdere financiële instellingen bereid zijn om aan de man een hypothecaire geldlening te verstrekken waarmee hij in staat zal zijn om de thans in eigendom aan partijen toebehorende onroerende zaak staande en gelegen te ([postcode]) [woonplaats] aan [straat] volledig in eigendom over te nemen;

III. de man - in geval hij tijdig heeft voldaan aan de onder II genoemde verplichting- zal veroordelen om ervoor te zorgen dat de thans in eigendom aan partijen toebehorende (voornoemde) onroerende zaak binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis aan de man zal zijn geleverd door middel van een daartoe bestemde notariële akte en dat die notariële akte eveneens binnen 21 dagen zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of deel van een dag dat de man in gebreke blijft om te voldoen aan deze verplichting;

IV. de man - in het geval hij (tijdig) heeft voldaan aan de onder III genoemde verplichting- zal veroordelen om bij levering van de (voornoemde) onroerende zaak aan de man, over te gaan tot betaling van een vergoeding aan de vrouw wegens overbedeling uit hoofde van de toedeling van deze onroerende zaak aan de man, zijnde een bedrag van € 58.750,- minus het bedrag dat de man (eventueel) reeds aan de vrouw bij wijze van voorschot op de verdeling van de gemeenschappelijke boedel heeft voldaan;

V. de vrouw - in het geval dat de man niet (tijdig) heeft voldaan en/of zal voldoen aan de onder II en/of III en/of IV genoemde verplichtingen- zal machtigen tot het door middel van verkoop te gelde maken van voornoemde onroerende zaak, en voorts te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop aan een derde en de daarop volgende eigendomsoverdracht tegen een redelijke prijs te bepalen door een door de voorzieningenrechter te benoemen makelaar, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of deel van een dag dat de man in gebreke blijft om te voldoen aan de verplichting zijn medewerking te verlenen aan de verkoop aan een derde en de daarop volgende eigendomsoverdracht tegen een redelijke prijs;

VI. zal bepalen dat de man, voor iedere maand dat hij uitsluitend gebruik maakt van de gemeenschappelijk aan partijen in eigendom toebehorende voornoemde onroerende zaak, een bedrag ter grootte van € 293,75 aan de vrouw dient te voldoen als vergoeding voor het gebruik van voornoemde woning, zulks vanaf het moment dat de vrouw de onroerende zaak verlaten heeft tot het moment dat de man de woning ingevolge punt III van de dagvaarding overgenomen dan wel tot het moment dat de man de onroerende zaak verlaten heeft;

VII. de man zal verbieden om op enigerlei wijze wijzigingen te brengen in en/of aan en/of op de voornoemde aan partijen gemeenschappelijk toebehorende onroerende zaak, zulks op straffe van een dwangsom ter grootte van € 500,- althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, met een maximum van € 100.000,- voor elke dag of deel van de dag dat de man hieraan niet voldoet;

VIII. de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. De man heeft ter zitting verweer gevoerd. De man stelt dat hij vanaf 1 augustus 2008 bezig is de financiering betreffende de overname van de voormalige echtelijke woning rond te krijgen. De man stelt dat hem dit aanvankelijk niet gelukt is wegens een BKR registratie op zijn naam, maar dat inmiddels wel de mogelijkheid bestaat een hypothecaire geldlening af te sluiten. De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding.

4. De beoordeling

4.1. Indien sprake is van spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken, wanneer enerzijds onverwijld handelen geboden is en anderzijds de loop van en de beslissing in de gewone procedure niet kan worden afgewacht.

4.2. De vrouw stelt dat de spoedeisendheid van de procedure voortvloeit uit de omstandigheid dat de man keer op keer verzuimt om tot een algehele verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap te komen, met name met betrekking tot de woning. De vrouw stelt dat zij er financieel belang bij heeft dat er met betrekking tot de woning een regeling getroffen wordt. Zij voert hiertoe aan dat zij een beperkt inkomen heeft en dat de bijdrage die zij van de man ontvangt ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen niet toereikend is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, alsmede dat zij een eigen woning wil kopen voor haar en de kinderen, waarvoor zij thans ook de financiële middelen mist. Voorts stelt de vrouw dat de man verbouwingswerkzaamheden aan de woning is gestart, op grond waarvan de vrouw het eveneens wenselijk acht dat de verdeling betreffende de woning spoedig afgewikkeld wordt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het spoedeisend belang uit deze stellingen voort. De vrouw kan derhalve in haar vorderingen worden ontvangen.

4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is uit hetgeen ter zitting door partijen is verklaard, genoegzaam komen vast te staan dat de man bij herhaling niet heeft voldaan aan zijn toezeggingen om de toedeling van de voormalig echtelijke woning aan hem te financieren en mee te zullen werken aan verdeling en levering van de woning aldus dat hij daarvan eigenaar zou worden. Ter gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft de man opnieuw de toezegging gedaan dat hij zou meewerken aan verdeling en levering omdat inmiddels voor hem de mogelijkheid bestaat een hypothecaire geldlening af te sluiten. Van de hem geboden gelegenheid die toezegging te onderbouwen, heeft de man geen gebruik gemaakt, zodat het ervoor dient te worden gehouden dat hij de toedeling van de woning aan hem niet kan financieren. Aldus resteert voor partijen niets anders dan een andere wijze van verdeling overeen te komen dan hun voor ogen stond, welke verdeling op vordering van (één der) partijen zonodig in een bodemprocedure door de rechter kan worden vastgesteld.

4.4. De vrouw vordert dat de man aan haar een voorschot zal betalen, vooruitlopend op de verdeling van de ontbonden gemeenschap. Daarbij gaat zij ervan uit dat de man de voormalig echtelijke woning toegedeeld zal krijgen. Nu de man, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet heeft aangetoond dat hij toedeling van de woning aan hem kan financieren, dient vooralsnog ervan te worden uitgegaan dat hij die financiering niet kan realiseren en dat de woning ofwel aan de vrouw zal worden toegedeeld, ofwel aan derden zal worden verkocht. Daarbij heeft de voorzieningenrechter acht geslagen op eerdere toezeggingen dienaangaande door de man die hij kennelijk niet waar heeft kunnen maken. Indien van toedeling van de woning aan de man geen sprake is, kan evenmin sprake zijn van een door hem te betalen voorschot. De voorzieningenrechter wijst de desbetreffende vorderingen van de vrouw, zoals geformuleerd onder I tot en met IV, dan ook af.

4.5. De vordering van de vrouw, samengevat inhoudend de vaststelling van een door de man aan haar te betalen gebruiksvergoeding voor het uitsluitend gebruik door hem van de gemeenschappelijke voormalig echtelijke woning, is een vordering die zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet leent voor een beoordeling in het kader van een kort gedingprocedure, dit reeds gezien het definitieve karakter van de gevraagde voorziening en het door de man gevoerde verweer dat hij die woning slechts gebruikt voor de omgangsregeling met de kinderen. Een dergelijke vordering dient in een bodemprocedure, bijvoorbeeld een procedure ex artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de rechtbank te worden beoordeeld Dit geldt evenzeer voor wat betreft de vordering van de vrouw om haar te machtigen de gemeenschappelijke woning te gelde te maken. Naast genoemde procedure biedt overigens artikel 3:174 BW de vrouw de mogelijkheid om middels een verzoekschrift op korte termijn een rechterlijke toestemming voor tegeldemaking te verkrijgen. De desbetreffende vorderingen van de vrouw, zoals geformuleerd onder V en VI zullen dan ook worden afgewezen.

4.6. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man zonder haar instemming vooraf, met verbouwingswerkzaamheden betreffende de echtelijke woning is gestart. Nu krachtens het bepaalde in artikel 3:170 BW dergelijke werkzaamheden slechts mogen worden uitgevoerd indien beide partijen daarmee instemmen en de man kennelijk uit eigen beweging reeds wijzigingen aan de woning heeft aangebracht, acht de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw zoals geformuleerd onder VII toewijsbaar, inclusief de gevorderde dwangsom in geval van niet-nakoming, nu niet is uit te sluiten dat de man een prikkel nodig heeft om aan dit vonnis te voldoen, nu hij er tot nu toe geen blijk van heeft gegeven dat hij afspraken nakomt. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de te verbeuren dwangsommen gemaximeerd dienen te worden tot een bedrag van € 20.000,00.

4.7. Nu deze procedure voortvloeit uit het door de echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

De beslissing

De voorzieningenrechter

verbiedt de man om op enigerlei wijze wijzigingen te brengen in en/of aan en/of op de onroerende zaak die aan partijen gemeenschappelijk in eigendom toebehoort, welke staande en gelegen is te ([postcode]) [woonplaats] aan [straat], zulks op straffe van een dwangsom ter grootte van € 500,00 voor elke dag of deel van een dag dat de man dit verbod overtreedt, echter met een maximum van € 20.000,00,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Luiten en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Banga op 9 april 2009.

De griffier De voorzieningenrechter