Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI7054

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
165566
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kern van de stellingen van eiser is dat de ontbinding en beëindiging van het bestaan van de b.v. kennelijk in allerijl zijn bewerkstelligd om na het veroordelend arrest van het hof verhaal onmogelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 165566 / HA ZA 08-127

Vonnis van 29 april 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R. van Herwaarden te Leerdam,

tegen[ ]1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

handelend onder de naam [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats][ ]3. [gedaagde],

wonende te De Meern, gemeente Utrecht,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.D. van Vlastuin te Utrecht.

De rechtbank zal hierna eiser als [eiser] aanduiden en gedaagden gezamenlijk als [gedaagden].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 april 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 3 september 2008

- de akte uitlaten van [eiser] d.d. 28 januari 2009

- de akte uitlaten van [eiser] d.d. 25 februari 2009

- de akte van [gedaagden] van 11 maart 2009

- de akte uitlaten van [eiser] van 25 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Gedaagde sub 1, [geda[gedaagden] 1], is directeur van gedaagde sub 6, [gedaagde sub 6].

2.2. Op 21 maart 2000 is [betrokken bedrijf] (hierna [betrokken bedrijf]) opgericht. [gedaagde sub 6] was haar enig bestuurder en aandeelhouder.

2.3. [eiser] maakt op 13 mei 2000 f. 135.000,00 (€ 61.260,33) over op bankrekening nr. 36.42.97.883 van [betrokken bedrijf]. Op 8 mei 2000 had [betrokken bedrijf] een factuur aan [eiser] opgemaakt voor dit bedrag met als omschrijving: “Hierbij zenden wij u een nota in verband met een mogelijke participatie in [betrokken bedrijf].”

2.4. Op 1 juni 2000 treedt [eiser] als bedrijfsleider in dienst bij [betrokken bedrijf].

2.5. Bij exploit van 30 juni 2005 dagvaardt [eiser] [gedaagde sub 1]., [betrokken bedrijf] en [gedaagde sub 6] voor deze rechtbank. Hij vordert onder meer een verklaring voor recht dat de onder 2.3 bedoelde betaling onverschuldigd gedaan is.

2.6. Na afwijzing van zijn vorderingen stelt [eiser] hoger beroep in. Het hof doet uitspraak op 8 mei 2007 en veroordeelt [betrokken bedrijf] om aan [eiser] € 61.230,33 te betalen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2005. De uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Beide partijen stellen beroep in cassatie in.

2.7. De advocaat van [betrokken bedrijf] laat bij brief van 21 mei 2007 [eiser] weten dat [betrokken bedrijf] niet aan de uitspraak van het hof kan voldoen omdat zij al sinds 2003 alleen nog maar op papier bestaat, geen activa heeft en zal worden geliquideerd.

2.8. [betrokken bedrijf] wordt door een op 21 mei 2007 genomen besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders ontbonden. Op 21 mei 2007 worden bij het handelsregister haar ontbinding en ophouden te bestaan per 1 januari 2007 geregistreerd.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert het volgende.

a. Een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1]. als bestuurder van [betrokken bedrijf] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [betrokken bedrijf] in allerijl na het arrest van het hof te ontbinden, terwijl er nog baten aanwezig waren, in strijd met de waarheid mededeling aan het handelsregister te doen als bedoeld in art. 2:19 lid 4 BW en deze vennootschap feitelijk te laten ophouden te bestaan zonder inachtneming van de desbetreffende regelgeving.

b. Een verklaring voor recht dat gedaagde sub 3, [gedaagde sub 4], gedaagde sub 4, [gedaagde sub 5], en [gedaagde sub 6] zijn te vereenzelvigen met [betrokken bedrijf] zodat zij op dezelfde voet als en in plaats van deze b.v. gehouden zijn aan het arrest te voldoen.

c. Een verklaring voor recht dat alle gedaagden door het onttrekken van verhaalsmogelijkheden aan [betrokken bedrijf] en door elk ander onrechtmatig handelen dat in de dagvaarding wordt genoemd, onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld.

d. Hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot betaling van € 61.260,33.

e. Hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot betaling van € 7.913,52 aan samengestelde rente.

f. Hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van rente over de onder d en e genoemde bedragen.

g. Hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

h. Hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van rente daarover.

i. Veroordeling tot betaling van € 1.788,00.

j. Veroordeling in de proceskosten.

3.2. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 1]. heeft nagelaten gebruik te maken van de kredietfaciliteiten van [betrokken bedrijf] en de opheffing van [betrokken bedrijf] kennelijk in allerijl heeft bewerkstelligd om verhaal op haar en haar vaste activa, waaronder betonvlechtmachines, onmogelijk te maken. Daarbij heeft hij ten onrechte geen aangifte gedaan van het faillissement van deze b.v. Het resultaat van de procedure bij het hof leidde tot een situatie die een vereffenaar verplichtte tot een faillissementsaangifte. [gedaagde sub 1]. en [gedaagde sub 6], stelt [eiser], hebben niet gehandeld zoals het een vereffenaar betaamd en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. De aansprakelijkheid van gedaagde sub 2, [gedaagde sub 2], echtgenote van [gedaagde sub 1] baseert [eiser] op de stelling dat zij de rechterhand van [gedaagde sub 1]. is en in feite binnen [betrokken bedrijf] verantwoordelijk was voor de personeels- en geldzaken. Gedaagden sub 3 en 5, [gedaagde sub 3]. en [gedaagde sub 5], zijn volgens [eiser] aansprakelijk omdat [gedaagde sub 3]. [gedaagde sub 5] op 10 april 2003 heeft opgericht als een feitelijke voortzetting van [gedaagde sub 4] B.V. en [gedaagde sub 6]. Het kan niet anders, stelt [eiser], of ook [betrokken bedrijf] is bij deze voortzetting betrokken. Daarbij hebben zij en haar bestuurder geprofiteerd van haar ontmanteling. Voorts stelt [eiser] dat er misbruik is gemaakt van het identiteitsverschil tussen [gedaagde sub 6] en [betrokken bedrijf]. Op de stellingen van [eiser] gaat de rechtbank hieronder voor zover nodig nader in.

4. Het verweer

4.1. [gedaagden] voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat nadat het hof arrest had gewezen, om beslaglegging op het terrein waar [betrokken bedrijf] was gevestigd, te voorkomen, [betrokken bedrijf] is ontbonden en haar bestaan is beëindigd. Er was geen sprake van baten, stelt zij, zodat benoeming van een vereffenaar niet zinvol zou zijn geweest. Na 31 december 2005 is het eigen vermogen van [b[betrokken bedrijf] onafhankelijk van gemaakte keuzes tot nihil geslonken, onder meer ten gevolge van het bestaan van een bevoorrechte vordering van de Belastingdienst. Op de stellingen van [gedaagden] gaat de rechtbank hierna voor zover nodig nader in.

5. De beoordeling

5.1. Allereerst zal de rechtbank ingaan op een door [eiser] opgeworpen procedurele vraag.

5.2. Ter comparitie is in overleg met partijen bepaald dat gedaagden zoveel mogelijk administratieve gegevens van [betrokken bedrijf] over de periode vanaf april 2005 zullen verschaffen aan de advocaat van [eiser] ten einde deze in de gelegenheid te stellen de vordering nader te bezien. De achtergrond hiervan was, zo blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie, dat [gedaagden] bij herhaling heeft gesteld dat het financieel niet mogelijk was een voorziening te treffen in verband met de procedure tegen [eiser]. [gedaagden] heeft getalmd met het overhandigen van de hier bedoelde stukken aan [eiser]s advocaat en in de tussentijd, bij akte van 25 februari 2009, heeft [eiser] de conclusie van de Procureur Generaal bij de Hoge Raad in de zaak C07/11247 ([eiser]/[[ ] [gedaagde sub 1].) overgelegd, die strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarin aan [eiser] de vordering is ontzegd om [[ ] [gedaagde sub 1]. te veroordelen tot het betalen van € 61.260,33 met rente en kosten. Daarna, bij akte van 11 maart 2009, heeft [gedaagden] de ter comparitie bedoelde administratieve gegevens van [betrokken bedrijf] in het geding gebracht. [eiser] heeft vervolgens gesteld dat [gedaagden] hiermee te laat was en had moeten reageren op de conclusie van de Procureur Generaal. [eiser] verzoekt de rechtbank op grond daarvan geen acht te slaan op de overgelegde stukken en als de rechtbank dat wél doet, hem in de gelegenheid te stellen nog op die stukken te reageren.

5.3. De rechtbank acht [eiser]s standpunt onjuist en wijst zijn verzoek af. [gedaagden] mag laat geweest zijn bij het overleggen van de toegezegde stukken, maar de akte waarbij zij dit deed, is door de rolrechter toegelaten. Daarmee zijn de stukken in het geding gebracht. Het standpunt van [eiser] dat hij niet meer hoefde te reageren omdat [gedaagden] te laat haar gegevens verschafte en dat [gedaagden] had moeten reageren op de conclusie van de Procureur Generaal is in strijd met de eisen van een behoorlijke procesvoering. Die houden onder meer in dat tussen partijen gemaakte, procedurele afspraken worden nagekomen en dat partijen zelf bepalen of zij op overgelegde stukken reageren, niet dat zij bepalen wat de wederpartij behoort te doen.

5.4. De consequenties uit het voorgaande zijn naar het oordeel van de rechtbank dat wel acht geslagen moet worden op de overgelegde stukken, waarbij er rekening mee moet worden gehouden dat dit ook volgens [eiser] de ter comparitie bedoelde stukken zijn, en dat [eiser] ze niet inhoudelijk heeft betwist. Er is, nu [eiser] de mogelijkheid om te reageren op [gedaagden]’s stukken desbewust niet heeft benut, geen reden hem alsnog in de gelegenheid te stellen op de stukken te reageren.

5.5. Vooralsnog mag aan de conclusie van de Procureur Generaal geen andere waarde worden gehecht dan aan die van het standpunt van een derde ten aanzien van de procedure bij de Hoge Raad. Een conclusie is geen arrest.

5.6. Overigens staat de persoonlijke aansprakelijkheid van [ ] Veenstra op grond van onrechtmatig handelen zoals in deze conclusie omschreven, een materie die het hof volgens de Procureur Generaal ten onrechte niet in zijn beoordeling betrokken heeft, op zichzelf los van de zaak die thans ter beoordeling voorligt.

5.7. De rechtbank komt nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak.

5.8. Kern van de stellingen van [eiser] is dat de ontbinding en beëindiging van het bestaan van [betrokken bedrijf] op 21 mei 2007 kennelijk in allerijl zijn bewerkstelligd om verhaal onmogelijk te maken.

5.9. De rechtbank is van oordeel dat niet uitgesloten is dat zulk handelen onrechtmatig jegens [eiser] geacht moet worden als, zoals [eiser] stelt, een vereffenaar tot faillissementsaangifte had moeten overgaan. De rechtbank acht het handelen echter in beginsel niet onrechtmatig als er geen twijfel aan kan bestaan dat een ander besluit dan dat tot ontbinding zonder vereffening geen ander, gunstiger gevolg had kunnen hebben voor de situatie van [eiser].

5.10. Samengevat stelt [gedaagden] thans dat [betrokken bedrijf] geen vaste activa in eigendom had en dat zij in 2005 een vordering op [gedaagde sub 6] had van € 52.561,00, dat daarvan ‘de bedrijfskosten en crediteuren van de [betrokken bedrijf] (zijn) voldaan’ en dat de Belastingdienst de enige substantiële crediteur was. Zij concludeert dat het aanwezige actief met inachtneming van de wettelijke rangorde – voldoening van vóór 8 mei 2008 opeisbare vorderingen gevolgd door voldoening van de bevoorrechte schuld aan de fiscus – is aangewend.

5.11. Dit blijkt ten dele uit het proces-verbaal van de comparitie, ten dele uit de conclusie van antwoord. De door [gedaagden] omschreven situatie is als volgt. [gedaagden] heeft uit ruim € 52.000,00 aan vorderingen, die in 2006 geïnd zijn, de opeisbare, kortlopende schulden betaald; er was geen ruimte voor een voorziening in verband met de uitkomst van de procedure tegen [eiser]. [gedaagde sub 4] heeft € 18.000,00 aan advocaat- en proceskosten in de procedure tegen [eiser] betaald. Op 11 mei 2007 bestond nog een bevoorrechte schuld aan de Belastingdienst van € 23.818,00. Deze is eveneens door [gedaagde sub 4] betaald.

5.12. [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat [betrokken bedrijf] inactief was vanaf 1 januari 2004.

5.13. De onder 5.10 en 5.11 bedoelde gegevens worden door de overgelegde stukken, die door [eiser] inhoudelijk niet weersproken zijn (5.4), gestaafd.

5.14. Gelet op het voorgaande moet de rechtbank er in deze procedure van uitgaan dat [betrokken bedrijf] inderdaad niet in staat is geweest om op 21 mei 2007 – of tussen 8 en 21 mei 2007 – een voorziening te treffen voor het geval zij [eiser] zou moeten betalen en dat er geen sprake is geweest van ontoelaatbare selectieve betalingen.

5.15. [eiser] stelt in de dagvaarding dat bij [betrokken bedrijf] machines stonden “die niet zomaar kunnen zijn overgedragen”, maar reageert niet op de overgelegde stukken die weerspreken dat [betrokken bedrijf] machines in eigendom had. Haar standpunt dat [betrokken bedrijf] machines aan verhaal heeft onttrokken moet dan ook als een veronderstelling worden gepasseerd.

5.16. Uit het voorgaande volgt dat [eiser]s stelling dat de ontbinding gevolgd had moeten worden door een vereffening en een faillissementsaangifte onjuist is.

5.17. Dat de bestuurder van [betrokken bedrijf] er, zoals [eiser] stelt, voor had kunnen zorgen dat haar een krediet werd verschaft met behulp waarvan zij een voorziening te zijnen behoeve had kunnen treffen, blijkt niet uit de inmiddels verschafte gegevens. [eiser] onderbouwt deze stelling niet met feiten waaruit de mogelijkheid van kredietverschaffing kan volgen. De rechtbank passeert daarom deze stelling.

5.18. De stelling van [eiser] dat er sprake is van betalingsonwil van de bestuurder zolang niet vast staat dat [betrokken bedrijf] niet in staat was te betalen, verwerpt de rechtbank in haar algemeenheid omdat zij procestechnisch onjuist is. Waar het [eiser] is die zijn vordering grondt op de stelling dat [betrokken bedrijf] in staat was om te betalen c.q. een voorziening te treffen en dat er sprake is geweest van betalingsonwil van de bestuurder omdat dit niet gebeurde, dient hij deze stelling te onderbouwen met, zo nodig te bewijzen, feiten. Overigens komt de rechtbank aan behandeling van de vraag naar betalingsonwil – waarvan blijkens mededelingen van [gedaagden] in feite sprake was – niet toe omdat gebleken is dat [gedaagden] niet in staat was te betalen.

5.19. Aan de stelling van [eiser] dat [gedaagde sub 1]. en [gedaagde sub 6] in strijd met de waarheid op 21 mei 2007 mededeling hebben gedaan aan de Kamer van Koophandel en daarmee onrechtmatig hebben gehandeld, komt naar het oordeel van de rechtbank gezien het voorgaande geen zelfstandige betekenis toe, daargelaten het antwoord op de vraag hoe het doen van een onjuiste mededeling van ontbinding en ophouden te bestaan, die immers geen recht schept, onrechtmatig tegenover een schuldeiser kan zijn.

5.20. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] “door op dezelfde locatie verder te gaan met de machines en andere activa van de ontmantelde vennootschap ([betrokken bedrijf], de rechtbank) en door het op onrechtmatige wijze overgehevelde vermogen van deze vennootschap te benutten voor dezelfde activiteiten onder één of twee nieuwe handelsnamen” bewust heeft geprofiteerd van de onrechtmatige bevoordeling van twee nieuwe ondernemingen, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 5] B.V.. Hieraan ligt de stelling ten grondslag dat er sprake is van onrechtmatige vermogensoverheveling, maar daarvoor geldt, zoals reeds is overwogen, dat [eiser] niet aangeeft door overheveling van welke vermogensbestanddelen verhaal onmogelijk is gemaakt, zodat de stelling als een veronderstelling verworpen moet worden. Daarom verwerpt de rechtbank ook dit betoog over de grondslag van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2].

5.21. De door [eiser] gestelde aansprakelijkheid van [[ ] [gedaagde sub 3]. en [gedaagde sub 5] B.V. is eveneens gebaseerd op onrechtmatige overheveling van vermogensbestanddelen van [betrokken bedrijf], en wel naar [gedaagde sub 5] B.V., zodat ook op dit onderdeel het betoog van [eiser] verworpen moet worden.

5.22. De personele verwevenheid van [betrokken bedrijf], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] betekende, zo stelt [eiser], dat zij alle mogelijkheden hadden om verhaalsobjecten van de ene vennootschap naar de andere te schuiven. Deze mogelijkheid betekent echter, ook in samenhang met de naar [eiser]s mening plotselinge ontbinding van [betrokken bedrijf] en het voortzetten van haar activiteiten door andere vennootschappen nog niet dat op enig concreet moment onrechtmatig is gehandeld jegens [eiser]. De situatie mag, gelet op [gedaagden]’s standpunt dat zij [eiser] niet wilde betalen, aanleiding geven tot de veronderstelling dat [gedaagden] die betaling heeft willen beletten. Het betoog van [eiser] houdt echter, gelet op het feit dat zij onweersproken heeft gelaten dat [betrokken bedrijf] geen machines heeft overgeheveld, geen feiten in die mits bewezen, tot de conclusie leiden dat gelet op de voortgang van de procedure tegen [eiser], onrechtmatig is gehandeld door geen voorziening voor zijn betaling te treffen. Hetzelfde geldt voor de “ernstige verdenking dat er sprake is van een familiecomplot” die [eiser] stelt te koesteren.

5.23. Uit het voorgaande volgt dat de vordering tegen alle gedaagden moet worden afgewezen. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking meer.

5.24. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- vast recht € 1.820,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 4.055,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 4.055,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2009.