Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI6870

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
175469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag van statutair directeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 175469 / HA ZA 08-1631

Vonnis van 27 mei 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E. van Otterloo te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.M. Leerink te Deventer.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 januari 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser in conventie] is geboren op 21 februari 1951 en thans dus 58 jaar oud.

2.2. [gedaagde in conventie] is opgericht in 1965. Alle aandelen in [gedaagde in conventie] worden gehouden door [aandeelhoudende onderneming] B.V. (hierna: [aandeelhoudende onderneming]), waarvan [directeur van de aandeelhoudende onderneming] (hierna: [directeur van de aandeelhoudende onderneming]) de directeur is. De aandelen in [aandeelhoudende onderneming] B.V. worden gehouden door Quatro Holding B.V., een vennootschap van [directeur van de aandeelhoudende onderneming].

2.3. [eiser in conventie] is met onderbrekingen vanaf 1977 werkzaam geweest voor en ten behoeve van [gedaagde in conventie] en is met ingang van 1 januari 2004 in dienst getreden bij haar als Algemeen Directeur. Het dienstverband gold voor onbepaalde tijd. De Algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde in conventie] (AVA) heeft [eiser in conventie] met ingang van 1 april 2004 benoemd tot statutair directeur van haar. Op 28 februari 2008 (volgens de brief d.d. 29 februari 2008 van Marktlink, prod. 2 bij dagvaarding) dan wel 29 februari 2008 (volgens [eiser in conventie]) heeft de AVA [eiser in conventie] met onmiddellijke ingang ontslagen als statutair directeur, is hij op non-actief gesteld en hem met onmiddellijke ingang de toegang tot het kantoor van [gedaagde in conventie] ontzegd en is de arbeidsovereenkomst van [eiser in conventie] opgezegd tegen 1 april 2008.

2.4. Op 29 februari 2008 schrijft de heer [betrokkene] van Marktlink Fusies & Overnames B.V. (hierna: Marktlink) aan [eiser in conventie]:

Ik wend mij tot u op verzoek van onze klant, de besloten vennootschap [ ] [gedaagde in conventie] B.V. te [woonplaats].

Op donderdag 28 februari jl. heeft er ten kantore van [ ] [gedaagde in conventie] B.V. een vergadering van aandeelhouders van die vennootschap plaatsgevonden waarbij u aanwezig was. Tijdens deze bijeenkomst is ondermeer de resultaatontwikkeling van de vennootschap aan de orde geweest, meer in het bijzonder het verlies over 2007 en de financiële gevolgen die dit heeft voor de aandeelhouder van de vennootschap. Voorts is uitgebreid stilgestaan bij uw positie van algemeen directeur (statutair bestuurder) welke positie u sinds 5 januari 2004 bekleedt.

U heeft aangegeven uw functie niet te voelen als die van algemeen directeur en ook niet zo te handelen.

De aandeelhouder van de vennootschap heeft geconstateerd dat er gedurende de afgelopen jaren verliezen worden gerealiseerd door de vennootschap, u uw positie van algemeen directeur niet aanwendt om daarin verandering teweeg te brengen en u er bovendien geen blijk van geeft dat u de ernstige financiële situatie waarin de vennootschap is komen te verkeren, onderkent. Naar aanleiding van de opmerking dat het zo niet werkt en dat het beter is er een streep onder te zetten, heeft u meegedeeld dat er dan maar op papier gezet moet worden wat de vennootschap en de aandeelhouder willen.

Een en ander heeft de aandeelhouder van [ ] [gedaagde in conventie] B.V. doen besluiten u staande de vergadering te ontslaan als statutair directeur van de vennootschap. Tegelijkertijd is uw arbeidsovereenkomst opgezegd tegen de eerst mogelijke termijn – met ingang van 31 maart 2008 derhalve – bent u op non-actief gesteld en is aan u per onmiddellijk de toegang tot het kantoor van de vennootschap ontzegd.

2.5. Naast [eiser in conventie] was tot 1 april 2008 ook [aandeelhoudende onderneming] bestuurder van [gedaagde in conventie]. Beide bestuurders waren zelfstandig bevoegd.

2.6. Het salaris van [eiser in conventie] bedroeg bij het einde van het dienstverband € 10.200,01 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, een 13de maanduitkering en een winstuitkering.

2.7. Bij kort gedingvonnis van 14 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het volgende beslist – met verbetering van enkele kennelijke typfouten –:

5.1. veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan [eiser in conventie] bij wijze van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 47.669,82 bruto (zevenenveertigduizendzeshonderdnegenenzestig euro en tweeëntachtig eurocent), wegens achterstallig salaris over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2007, vermeerderd met de wettelijke rente en wettelijke verhoging daarover vanaf het tijdstip van opeisbaarheid in de zin van de artikelen 7:625 lid 1 BW respectievelijk 6:83 aanhef en sub 1 jo 6:119 BW tot het tijdstip van algehele betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan [eiser in conventie] bij wijze van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.368,00 bruto (dertienhonderdachtenzestig euro), wegens achterstallig salaris over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2008, vermeerderd met de wettelijke rente en wettelijke verhoging daarover vanaf het tijdstip van opeisbaarheid in de zin van de artikelen 7:625 lid 1 BW respectievelijk 6:83 aanhef en sub 1 jo 6:119 BW tot het tijdstip van algehele betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde in conventie] om binnen een week na betekening van dit vonnis zorg te dragen voor afgifte van [eiser in conventie] van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening van het pro rata deel van de dertiende maanduitkering en het pro rata deel van de vakantietoeslag over het jaar 2008,

5.4. veroordeelt [gedaagde in conventie] om ingeval zij (na betekening van dit vonnis) in gebreke mocht blijven aan de veroordeling onder 5.3 te voldoen, aan [eiser in conventie] een dwangsom te betalen van € 500,- per dag, echter met een maximum van € 15.000,-,

5.5. veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan [eiser in conventie] te betalen het bedrag dat zij op grond van de specificatie zoals onder 5.3. bedoeld aan hem verschuldigd is,

5.6. veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan [eiser in conventie] bij wijze van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag dat overeenkomt met twee bruto maandsalarissen inclusief 8% vakantietoeslag en 13e maanduitkering, zijnde € 23.732,02 bruto (drieëntwintigduizendzevenhonderdtweeëndertig euro en twee eurocent), in verband met de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2008 tot het tijdstip van algehele betaling,

5.7. veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie] tot op heden begroot op EUR 3.041,44,

5.8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.8. [eiser in conventie] heeft [betrokkene 2] van Cognitor Accountancy & Interimmanagement een analyse laten uitvoeren van de cijfers over 2004 tot en met 2007 van [gedaagde in conventie], [aandeelhoudende onderneming] en B.V. Quattro Holding, de persoonlijke vennootschap van [directeur van de aandeelhoudende onderneming].Plastics. Van het rapport dat op 19 augustus 2008 is uitgebracht, luidt de conclusie:

Na raadpleging van diverse bronnen en bevindingen van dit onderzoek komen wij tot de navolgende conclusie:

De branche kent een algehele krimpende tendens. Bij [ ] [gedaagde in conventie] B.V. is de omzet zelfs teveel achtergebleven. Daarnaast is de huur voor onroerende en roerende zaken welke [ ] [gedaagde in conventie] B.V. aan haar moedermaatschappij [aandeelhoudende onderneming] B.V. vergoedt onzakelijk te noemen. Dit heeft in deze situatie een extra groot (negatief) effect op het resultaat van [ ] [gedaagde in conventie] B.V., zeker bij achterblijvende omzet, is hierdoor een verliessituatie ontstaan.

Wanneer wij dit resultaat corrigeren naar in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke huur, is er bij [ ] [gedaagde in conventie] B.V. geen sprake meer van een verliessituatie en realiseert [aandeelhoudende onderneming] B.V. nog immer een meer dan goed rendement op haar beleggingen in onroerende zaken.

In het directie-overleg is in het kader van kostenbeheersing de huurverlaging aan de orde geweest, echter dit was geen optie voor de directeur-grootaandeelhouder.

B.V. Quattro Holding presenteert in haar geconsolideerde jaarrekening: in 2006 een resultaat voor vennootschapsbelasting van € 1.760.000 en een eigen vermogen van € 7.700.000. De groep vennootschappen samengevoegd tot één geheel, waarbij interne doorbelastingen zijn geëlimineerd, geeft dus een zeer positief beeld.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser in conventie] vordert samengevat –

- de veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van € 250.000,00 bruto

- een verklaring voor recht dat [gedaagde in conventie] haar verplichting krachtens artikel 2 lid 3 van de arbeidsovereenkomst d.d. 10 december 2003 niet is nagekomen dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser in conventie] en aansprakelijk is voor alle schade die [eiser in conventie] als gevolg daarvan heeft geleden,

- de veroordeling van [gedaagde in conventie] tot schadevergoeding die [eiser in conventie] als gevolg daarvan heeft geleden, op te maken bij staat,

- de veroordeling van [gedaagde in conventie] in de kosten van dit geding.

3.2. [gedaagde in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde in conventie] vordert samengevat –

- te verklaren voor recht dat [gedaagde in conventie] geen achterstallig salaris met wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd is

- de veroordeling van [eiser in conventie] tot terugbetaling van een bedrag van € 78.554,73 met wettelijke rente

- te verklaren voor recht dat [eiser in conventie] onrechtmatig heeft gehandeld door het vonnis van 14 mei 2008 te executeren

- [eiser in conventie] te veroordelen tot betaling van de schade veroorzaakt door die executie

- te verklaren voor recht dat [eiser in conventie] in verzuim verkeert met betrekking tot de teruggave van de auto

- [eiser in conventie] te veroordelen tot teruggave van die auto

- [eiser in conventie] te veroordelen tot betaling van de schade veroorzaakt door dat verzuim

- te verklaren voor recht dat [eiser in conventie] zijn taken als directeur onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 BW en artikel 14 lid 2 van de arbeidsovereenkomst

- [eiser in conventie] te veroordelen tot betaling van de schade veroorzaakt door die onbehoorlijke taakvervulling

- [eiser in conventie] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 300.000,00 op die schade

- [eiser in conventie] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.4. [eiser in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Zijn vordering tot betaling van een bedrag van € 250.000,00 bruto baseert [eiser in conventie] op de stelling dat [gedaagde in conventie] de arbeidsovereenkomst met [eiser in conventie] onregelmatig en kennelijk onredelijk, want in strijd met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen en normen, heeft beëindigd.

4.2. Ter onderbouwing daarvan voert hij het volgende aan. [directeur van de aandeelhoudende onderneming] heeft eind 2007 buiten medeweten van [eiser in conventie] Marktlink Fusies & Overnames B.V. (hierna: Marktlink) opdracht gegeven om een kandidaat voor [gedaagde in conventie] te werven voor een zogeheten “turnaround process” met als doel de onderneming weer winstgevend te maken. Na een bespreking met de heer [betrokkene] van Marktlink heeft [eiser in conventie] desgevraagd een vragenlijst ingevuld. Op 25 februari 2008 is [eiser in conventie] telefonisch uitgenodigd voor een bespreking op 28 februari 2008, waarbij de vragenlijst zou worden besproken. Bij die bespreking waren [directeur van de aandeelhoudende onderneming] en ook de heren [betrokkene] en Jongeneel van Marktlink aanwezig. [eiser in conventie] werd gevraagd naar de redenen van de slechte resultaten van [gedaagde in conventie] en welke initiatieven hij dacht te gaan ontplooien om die resultaten te verbeteren. [directeur van de aandeelhoudende onderneming] gaf er blijk van geen vertrouwen in [eiser in conventie] te hebben. [betrokkene] voornoemd heeft daaraan de conclusie verbonden dat partijen maar een regeling moesten treffen en [eiser in conventie] gevraagd zijn sleutels in te leveren en het pand te verlaten. Vervolgens heeft Marktlink in een brief van 29 februari 2008 aan [eiser in conventie] geschreven dat de aandeelhouders van [gedaagde in conventie] hadden besloten hem met onmiddellijke ingang te ontslaan als statutair directeur van [gedaagde in conventie] en de arbeidsovereenkomst met hem op te zeggen.

4.3. De kern van het verwijt dat [eiser in conventie] aan [gedaagde in conventie] maakt, is dat hem tevoren niet is medegedeeld dat op 28 februari 2008 een AVA zou plaatsvinden, dat hij geen agenda voor die vergadering heeft ontvangen en dus niet wist dat zijn ontslag althans zijn functioneren op de agenda stond. Hij heeft zich daarop dus niet kunnen voorbereiden, heeft geen juridisch advies kunnen inroepen, is niet gehoord en heeft geen raadgevende stem kunnen uitbrengen.

4.4. Hetgeen [eiser in conventie] feitelijk aanvoert, zoals hiervoor in r.ov. 4.2 en 4.3 is weergegeven, heeft [gedaagde in conventie] niet dan wel ongemotiveerd weersproken. Evenmin heeft [gedaagde in conventie] de uitnodiging voor en het verslag van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) in het geding gebracht, hoewel dat wel op haar weg lag. Daarmee staan de in r.ov. 4.2 weergegeven stellingen van [eiser in conventie] vast.

4.5. Uit het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat [gedaagde in conventie] op de door [eiser in conventie] aangevoerde gronden heeft gehandeld in strijd met de artikelen 2:8 en 2:227 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW).

4.6. Tussen partijen bestaat verschil van inzicht over de wijze waarop [eiser in conventie] als directeur functioneerde. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

4.7. [gedaagde in conventie] had een tweehoofdige directie, bestaande uit [eiser in conventie] en – in de persoon van [directeur van de aandeelhoudende onderneming] – [aandeelhoudende onderneming]. Zij beiden waren uit dien hoofde in gelijke mate verantwoordelijk voor het bedrijf van [gedaagde in conventie]. Voor zover [gedaagde in conventie] zou willen betogen dat die verantwoordelijkheid vooral op [eiser in conventie] rust, meer dan op [aandeelhoudende onderneming], vindt dat geen steun in de feiten.

4.8. [gedaagde in conventie] verwijt [eiser in conventie] met name dat [gedaagde in conventie] verliezen lijdt en dat hij als directeur onvoldoende ondernam om daarin verandering te brengen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat [eiser in conventie] zich vooral bezighield, naar hij onweersproken heeft gesteld, met de technische aangelegenheden en [directeur van de aandeelhoudende onderneming] met de commerciële aangelegenheden. Met behoud van ieders verantwoordelijkheid als directeur lijkt het verbeteren van de financiële resultaten dan ook vooral op de weg van [aandeelhoudende onderneming] te hebben gelegen.

4.9. [gedaagde in conventie] stelt dat [directeur van de aandeelhoudende onderneming] in 2006 is getroffen door een burnout en daardoor zijn werkzaamheden voor [gedaagde in conventie] heeft moeten beëindigen, zodat hij vanaf september 2006 ook het directieoverleg niet meer heeft kunnen bijwonen. Dit moge zo zijn, het is kennelijk niet zo dat [directeur van de aandeelhoudende onderneming] zich nadien niet meer rechtstreeks met [gedaagde in conventie] bemoeide: immers, tijdens directie-overleggen was kennelijk de echtgenote van [directeur van de aandeelhoudende onderneming] regelmatig namens hem aanwezig en in een directieoverleg van 25 januari 2007 heeft een zekere [betrokkene 3] namens [directeur van de aandeelhoudende onderneming] medegedeeld dat aan [eiser in conventie] over 2005 en 2006 geen dertiende maand en geen indexering zou worden uitbetaald en dat over 2007 een algemene prijscompensatie van 1,5% zou gelden.

4.10. Namens [gedaagde in conventie] heeft [directeur van de aandeelhoudende onderneming] ter comparitie verklaard dat [eiser in conventie] de hoogte van de huur nooit bij hem ter sprake heeft gebracht en dat met betrekking tot die huur een bestendige gedragslijn wordt gevolgd die ver in het verleden al door zijn vader is ingezet. Niet is echter weersproken hetgeen in het in r.ov. 2.8 genoemde rapport van Cognitor Accountancy & Interimmanagement met betrekking tot die huur wordt gesteld, waarmee vaststaat dat

- de huur voor onroerende en roerende zaken die [gedaagde in conventie] aan [aandeelhoudende onderneming] betaalt, onzakelijk is te noemen en een extra groot (negatief) effect op het resultaat van [gedaagde in conventie], waardoor een verliessituatie ontstaan,

- wanneer de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke huur zou worden betaald, er bij [gedaagde in conventie] geen sprake zou zijn van een verliessituatie en [aandeelhoudende onderneming] nog immer een meer dan goed rendement op haar beleggingen in onroerende zaken zou realiseren.

Er valt dan ook niet in te zien dat [eiser in conventie] van de financiële resultaten een rechtens relevant verwijt te maken valt.

4.11. Daarbij komt dat dergelijke verwijten hem nimmer formeel, dat wil zeggen in een functionerings- of beoordelingsgesprek, ter kennis zijn gebracht.

4.12. [gedaagde in conventie] heeft nog aangevoerd dat [eiser in conventie] tijdens de AVA op 28 maart 2008 heeft gezegd dat hij zich geen algemeen directeur voelde en ook niet als zodanig handelde. [eiser in conventie] betwist dat hij dat heeft gezegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde in conventie] die stelling onvoldoende onderbouwd, in het bijzonder doordat hij, zoals reeds eerder is overwogen, het verslag van die AVA niet heeft overgelegd. Die stelling wordt dan ook verworpen.

4.13. Een en ander leidt tot de conclusie dat het ontslag kennelijk onredelijk moet worden geoordeeld, mede omdat geen enkele financiële regeling ten behoeve van [eiser in conventie] is getroffen. Weliswaar is juist, zoals [gedaagde in conventie] aanvoert, dat het enkele feit dat een afvloeiingsregeling ontbreekt, onvoldoende is om het ontslag van een statutair directeur onredelijk te doen zijn, maar het ontbreken van een afvloeiingsregeling kan, mede in het licht van de leeftijd en de kansen op de arbeidsmarkt van de betrokkene, wel een factor zijn die bij dat oordeel gewicht in de schaal legt. Voor wat betreft dat laatste geldt dat mede gezien de leeftijd van [eiser in conventie] zijn kansen op de arbeidsmarkt als negatief moeten worden bestempeld, zeker gezien de huidige economische situatie.

4.14. Aan [eiser in conventie] komt in verband met die kennelijk onredelijke beëindiging een vergoeding toe. Deze vergoeding is, anders dan de vergoeding ingeval van ontbinding, een schadevergoeding. Daarop heeft de zogenaamde kantonrechtersformule geen betrekking en evenmin de Corporate Governance Code. Gezien de ernst van de gevolgen van het ontslag voor [eiser in conventie] bepaalt de rechtbank die vergoeding, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, op een bedrag van € 140.000,00 bruto.

4.15. Artikel 2 lid 3 van de arbeidsovereenkomst d.d. 10 december 2003 regelt de aanspraak van [eiser in conventie] op een winstuitkering. [eiser in conventie] stelt dat hij nooit een winstuitkering heeft ontvangen, hoewel hij daarop wel recht had nu de winsten van [gedaagde in conventie] op ongeoorloofde wijze werden afgeroomd. [gedaagde in conventie] heeft onweersproken gesteld dat voor de berekening van de door [gedaagde in conventie] aan [aandeelhoudende onderneming] verschuldigde vergoeding reeds jarenlang, in elk geval van voor de indiensttreding van [eiser in conventie] als statutair directeur, dezelfde systematiek wordt gehanteerd. Deze systematiek is dus niet tijdens het dienstverband van [eiser in conventie] aangepast. Bovendien heeft [eiser in conventie] wel gesteld maar niet onderbouwd dat die systematiek onrechtmatig of anderszins ongeoorloofd was. Ook als juist is dat deze systematiek onvoordelig uitpakte voor [gedaagde in conventie] (en dus voor [eiser in conventie]), is dat onvoldoende om daartoe te kunnen concluderen. De onderdelen van de vordering die betrekking hebben op de winstuitkering, zullen dan ook worden afgewezen.

4.16. Nu partijen over en weer ten dele in het ongelijk gesteld zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna te melden.

in reconventie

achterstallig salaris c.a.

4.17. De omvang van de aanspraken op salaris c.a. van [eiser in conventie] wordt bepaald door de inhoud van zijn arbeidsovereenkomst. [gedaagde in conventie] erkent dat volgens die arbeidsovereenkomst onder meer aanspraak bestaat op een dertiende maand en op een winstuitkering, terwijl het salaris jaarlijks wordt geïndexeerd.

4.18. [gedaagde in conventie] stelt dat in een directieoverleg van 20 januari 2005 [directeur van de aandeelhoudende onderneming] heeft medegedeeld dat vanwege de slechte resultaten geen indexatie plaatsvindt en geen bonus over 2004 zou worden uitgekeerd en dat in een directieoverleg van 25 januari 2007 door een zekere [betrokkene 3] namens [directeur van de aandeelhoudende onderneming] is medegedeeld dat aan [eiser in conventie] over 2005 en 2006 geen dertiende maand en geen indexering zou worden uitbetaald en dat over 2007 een algemene prijscompensatie van 1,5% zou gelden. Er was dus sprake van eenzijdige besluiten van een der directeuren, naar moet worden aangenomen namens [gedaagde in conventie], en niet van voorstellen, zoals [gedaagde in conventie] deze besluiten betitelt.

4.19. Daaromtrent overweegt de rechtbank dat voorop staat dat een werkgever niet eenzijdig arbeidsvoorwaarden kan wijzigen, ook niet als het de arbeidsvoorwaarden van een statutair directeur betreft. Van instemming met deze besluiten is niet gebleken. Integendeel, volgens het verslag van het directieoverleg van 25 januari 2007 heeft [eiser in conventie] uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de in dat directieoverleg bekend gemaakte besluiten. Uit de goedkeuring van de jaarrekeningen kan die instemming niet worden afgeleid. Dat [eiser in conventie], zoals [gedaagde in conventie] subsidiair stelt, afstand van recht zou hebben gedaan, wordt in het geheel niet onderbouwd, zodat moet worden geconcludeerd dat daarvan al evenmin sprake is geweest.

[gedaagde in conventie] heeft nog aangevoerd dat gezien de financiële positie waarin zij verkeerde, van [eiser in conventie] als directeur verwacht mocht worden dat hij met de salarismaatregelen zou instemmen. Wat daarvan ook zij, bij gebreke van een dergelijke instemming houdt hij aanspraak op het overeengekomen salaris c.a.

4.20. [eiser in conventie] heeft dan ook aanspraak op betaling conform de overeengekomen arbeidsvoorwaarden. De vordering te verklaren voor recht dat [gedaagde in conventie] geen achterstallig salaris met wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd is en de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 78.554,73, zullen worden afgewezen.

de executie van het vonnis van 14 mei 2008

4.21. Uit het vorenstaande volgt dat de executie van het vonnis van 14 mei 2008 niet onrechtmatig is geweest en dat de daartoe strekkende verklaring voor recht en gevorderde veroordeling tot schadevergoeding zullen worden afgewezen.

de auto

4.22. [eiser in conventie] beroept zich op zijn opschortingsrecht. Daartoe is onder meer het bestaan van een opeisbare vordering vereist (art. 6:52 BW). [eiser in conventie] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde in conventie] nog altijd dwangsommen en wettelijke rente aan hem verschuldigd is. Daarmee staat vast dat [eiser in conventie] een opeisbare vordering op [gedaagde in conventie] heeft, zodat hij terecht een beroep doet op zijn opschortingsrecht. Dat wordt niet anders indien [eiser in conventie] aanvankelijk de teruggave van de auto heeft toegezegd, nu het hem immers vrijstaat op een dergelijke toezegging terug te komen en alsnog zijn opschortingsrecht in te roepen. De onderdelen van de vordering die betrekking hebben op de auto, zullen worden afgewezen.

onbehoorlijke taakvervulling

4.23. [gedaagde in conventie] baseert haar vordering tot betaling van € 300.000,- op artikel 2:9 BW en op artikel 14 lid 2 van de arbeidsovereenkomst. Beide bepalingen komen erop neer dat [eiser in conventie] gehouden is zijn taak op een behoorlijke wijze te vervullen.

Van aansprakelijkheid kan in dit verband slechts sprake zijn bij een onmiskenbare tekortkoming, dat is een tekortkoming waarover geen redelijk oordelend en verstandig ondernemer twijfelt.

4.24. De verwijten die [gedaagde in conventie] aan [eiser in conventie] maakt, komen er in de kern op neer dat [eiser in conventie] tekortgeschoten is in de uitvoering van zijn taken en nakoming van zijn verantwoordelijkheden als statutair directeur. Met name verwijt [gedaagde in conventie] aan [eiser in conventie] dat [gedaagde in conventie] sinds 2004 financiële verliezen leed en dat hij onvoldoende deed om dat tij te keren.

4.25. Of en in hoeverre die verwijten gegrond zijn, kan in dit verband in het midden blijven. Immers, hetgeen [gedaagde in conventie] heeft gesteld ter onderbouwing van deze vordering is, ook indien de juistheid van die verwijten geheel of gedeeltelijk in rechte zou komen vast te staan, verre van voldoende om tot toewijzing van de vordering te kunnen leiden. De onderdelen van de vordering die op de onbehoorlijke taakvervulling betrekking hebben, zullen dan ook worden afgewezen.

4.26. De rechtbank voegt daaraan ten overvloede toe dat vele van de verwijten die [gedaagde in conventie] aan het adres van [eiser in conventie] maakt – bijvoorbeeld in de vorm van de bevindingen van de heer Sluiter (antwoord/eis, punt 40) – in gelijke mate aan het adres van [aandeelhoudende onderneming] kunnen worden gemaakt.

conclusie

4.27. De vordering zal dan ook worden afgewezen met veroordeling van [gedaagde in conventie] in de kosten van dit geding. Deze bedragen tot heden € 2.000,00 wegens salaris advocaat (2 x € 2.000,00 x 50%).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde in conventie] aan [eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 140.000,00 bruto als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van dagvaarding tot de dag der voldoening,

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten des dat elke partij zijn eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van [eiser in conventie] en tot aan dit vonnis begroot op € 2.000,00,

verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009.