Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI6841

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
166381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Benoeming van 2 deskundigen (kaakchirurg en orthopedisch chirurg) ter beoordeling van schade na ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 166381 / HA ZA 08-219

Vonnis van 13 mei 2009

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASSMED MEDISCHE PRODUKTEN B.V.,

gevestigd te Doesburg,

eisers,

advocaat mr. M.P.H. van Maanen Winters te Zwolle,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NEDERLANDS BUREAU DER MOTORRIJTUIGENVERZEKERAARS,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe,

behandelend advocaat mr. K.J. van den Herik te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1], Assmed en het Bureau worden genoemd. Eisers zullen gezamenlijk met [eisers] worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 februari 2009

- de akte van [eisers]

- de antwoordakte van het Bureau.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Beide partijen hebben zich ingevolge het laatste tussenvonnis uitgelaten over de vakgebieden en de personen van de te benoemen medisch deskundigen. Over de vakgebieden van de te benoemen deskundigen zijn zij het eens, maar zij hebben elk andere personen voorgesteld.

kaakchirurg

2.2. [eisers] hebben voorgesteld te benoemen de kaakchirurg dr. W.A. Borstlap, verbonden aan het UMCN St. Radboud te Nijmegen als chef de policlinique van de polikliniek Mond-, Kaak- en Aangezichtchirurgie. Het Bureau heeft als deskundige voorgesteld de aan dezelfde polikliniek van dat ziekenhuis verbonden kaakchirurg prof. dr. S.J. Bergé.

2.3. Dr. Borstlap heeft de rechtbank desgevraagd laten weten in staat en bereid te zijn een deskundigenbericht in deze zaak uit te brengen. Prof. dr. Bergé bleek daartoe niet (zonder meer) bereid. Bij deze stand van zaken - de beide voorgestelde deskundigen zijn verbonden aan dezelfde polikliniek - zal de rechtbank tot benoeming van dr. Borstlap als deskundige overgaan. Het voorschot op het loon en de kosten van deze deskundige wordt in overleg met hem bepaald op EUR 1.190,00. Aangezien onduidelijkheid bestaat over de verschuldigdheid van omzetbelasting is zekerheidshalve een bedrag van EUR 190,00 aan omzetbelasting in dit voorschot opgenomen. Zoals in het vorige tussenvonnis al is beslist, zal het Bureau dit voorschot ter griffie moeten storten.

orthopedisch chirurg

2.4. [eisers] hebben de benoeming van de orthopedisch chirurg R.D. Donk, verbonden aan het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen voorgesteld. Het Bureau heeft in dit verband de namen genoemd van de orthopedisch chirurgen Ph.J. Edixhoven, verbonden aan Medisch Centrum Dekkerswald te Groesbeek of drs. J.H.J.P.M. Kortmann, verbonden aan Justus Medisch Centrum te Eindhoven.

2.5. Aangezien de voorstellen van de partijen voor de te benoemen orthopedisch chirurg niet alleen verschillen ten aanzien van de persoon, maar ook ten aanzien van het ziekenhuis waaraan zij zijn verbonden, zal de rechtbank hier geen van de voorgestelde personen benoemen, maar overgaan tot de benoeming van dr. H.W.B. Schreuder. Deze - eveneens aan het UMCN St. Radboud te Nijmegen verbonden - orthopedisch chirurg is onder meer gespecialiseerd in (traumatologie van) de wervelkolom. Hij heeft zich desverzocht bereid en in staat verklaard in deze kwestie een deskundigenbericht uit te brengen. Aan de hand van de opgave van de deskundige zal het door het Bureau ter griffie te storten voorschot op het loon en de kosten worden bepaald op EUR 2.618,00. Ook in dit bedrag is zekerheidshalve 19% omzetbelasting opgenomen.

IWMD-vraagstelling

2.6. Beide partijen hebben voorgesteld de deskundigen de vragen ter beantwoording voor te leggen die door de Interdisciplinaire Werkgroep Medisch Deskundigen (IWMD) van de VU is opgesteld. Het Bureau heeft daarbij opgemerkt dat de nieuwste versie hiervan ziet op vragen omtrent causaal verband bij ongevallen en bij uitstek geschikt is voor de onderhavige zaak. Hoewel de nieuwste versie van deze vraagstelling - van (inmiddels) maart 2009 - nog de status van concept heeft, is de rechtbank dit met het Bureau eens. De hierna (bij de beslissing) weer te geven IWMD-vragen zullen aan de deskundigen ter beantwoording worden voorgelegd.

2.7. Anders dan [eisers] kan het Bureau zich niet vinden in de suggestie van de rechtbank de te benoemen orthopedisch chirurg desgewenst een neuroloog van zijn keuze te laten raadplegen. De rechtbank zal deze mogelijkheid dan ook niet in de vraagstelling verdisconteren. Wel zal de rechtbank aan de orthopedisch chirurg de vraag voorleggen of die het - gelet op de uitkomst van zijn onderzoek - zinvol acht dat de rechtbank ook nog een neurologisch deskundigenonderzoek naar de oorzaak van [eiser sub 1]s klachten gelast.

medisch dossier [eiser sub 1]

2.8. [eisers] hebben bij hun akte gedeeltelijk voldaan aan het verzoek van de rechtbank het gehele medisch dossier van [eiser sub 1] over te leggen (zie rov. 4.11 van het laatste tussenvonnis). De overgelegde stukken dateren alle van ná het ongeval. In verband met de door de beide deskundigen te beantwoorden vraag (2 a t/m e, zie hierna) naar het eventueel bestaan van niet-ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen op hun vakgebieden, is echter ook het medisch dossier van [eiser sub 1] van vóór het ongeval relevant. Het ligt voor de hand dat de beide deskundigen over die informatie zullen willen beschikken. Het wordt echter aan de beide deskundigen zelf overgelaten de medische informatie bij [eiser sub 1] op te vragen waarover zij ten behoeve van hun onderzoek de beschikking wensen te hebben, in lijn met de recente jurisprudentie van de Hoge Raad hierover (zie. o.a. HR 22 februari 2008, RvdW 2008, 261).

‘eigen-schuld’-verweer

2.9. Het Bureau heeft aangegeven dat het het bewijs van zijn stelling dat [eiser sub 1] tijdens het ongeval de autogordel niet droeg wil leveren door middel van een deskundigenbericht, uit te brengen door een verkeersdeskundige. Daartoe zal aan de verkeersdeskundige bekend moeten zijn wat het type auto van [eiser sub 1] was, wat er feitelijk is gebeurd en wat het door het ongeval veroorzaakte letsel is, aldus het Bureau. Als deskundige heeft het Bureau de heer N.L. Bosscha van Bosscha ongevallenanalyse B.V. te Waddinxveen voorgesteld. In zijn akte heeft het Bureau ook een voorstel gedaan voor de aan de te benoemen verkeersdeskundige te stellen vragen.

2.10. De vraag of benoeming van een verkeersongevallendeskundige ter levering van het hiervoor genoemde bewijs zinvol is, kan op dit moment nog niet worden beantwoord. Eerst dient te worden vastgesteld van welke feiten omtrent de toedracht van de botsing en van welke medische ongevalsgevolgen de verkeersdeskundige moet uitgaan. Er is daarom aanleiding eerst de medische deskundigenberichten van dr. Borstlap en dr. Schreuder af te wachten. Voorts wordt aan [eisers] verzocht in zijn conclusie na (medische) deskundigenberichten in te gaan op de door het Bureau omtrent de toedracht van het ongeval (nrs. 6 tot en met 10 van de conclusie van antwoord) gestelde feiten. Ook wordt [eisers] verzocht bij die gelegenheid te reageren op de door het Bureau voorgestelde verkeersdeskundige en vragen. In zijn antwoordconclusie na (medische) deskundigenberichten zal het Bureau hierop mogen reageren. Daarna zal de rechtbank beslissen omtrent de feitelijke toedracht van het ongeval en de vraag of in dat verband nog getuigenverhoren en/of een deskundigenbericht nodig zijn.

2.11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. beveelt een onderzoek door een kaakchirurg en een orthopedisch chirurg ter beantwoording van de volgende vragen (door ieder van hen afzonderlijk):

(Algemene toelichting : Deze vraagstelling is bedoeld om juristen die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.)

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en aanbeveling 2.2.7 RMSR)

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose (aanbeveling 2.2.10 en aanbeveling 2.2.15 RMSR)

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17, aanbeveling 2.2.18 en aanbeveling 2.2.19 RMSR)

g. Welke beperkingen op uw vakgebied ondervindt de onderzochte naar uw oordeel in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven?

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

(Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2b en 2c) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR).)

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.18 en aanbeveling 2.2.19 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.18 en aanbeveling 2.2.19 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

3. OVERIG (aanbeveling 2.2.11 RMSR)

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

b. (te beantwoorden door dr. Schreuder) Acht u het zinvol, gezien uw onderzoeksbevindingen, dat betrokkene ook nog door een (door de rechtbank te benoemen) neuroloog wordt onderzocht ter vaststelling van de ongevalsgevolgen?

3.2. benoemt tot deskundigen om dit onderzoek - ieder voor zich - te verrichten:

1. dr. W.A. Borstlap, kaakchirurg (adres: UMCN St. Radboud, Polikliniek Mond-, Kaak- en Aangezichtchirurgie, Huispostnr. 590, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen, tel. 024-3614561),

2. dr. H.W.B. Schreuder, orthopedisch chirurg (adres: UMCN St. Radboud, Polikliniek Orthopedie/Heelkunde, Huispostnr. 357, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen, tel 024-3613918, fax 024-3540230),

3.3. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundigen zal toezenden,

3.4. bepaalt dat [eisers] voor 27 mei 2009 (kopieën van) de overige processtukken en - voor zover mogelijk - de andere door de deskundigen noodzakelijk geachte stukken aan de deskundigen zal doen toekomen,

3.5. bepaalt dat het Bureau voor 27 mei 2009 als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundigen in totaal € 3.808,00 (inclusief omzetbelasting) ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

3.6. bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundigen hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundigen pas dan met hun onderzoek behoeven te beginnen,

3.7. bepaalt dat de deskundigen zich met vragen over het onderzoek kunnen wenden tot de rechter-commissaris mr. C.M.E. Lagarde,

3.8. bepaalt dat de plaats en de tijd waar en wanneer de deskundigen tot het onderzoek zullen overgaan, zullen worden vastgesteld door de deskundigen in overleg met de raadslieden van de partijen,

3.9. bepaalt dat de deskundigen ieder hun schriftelijk en ondertekend bericht zullen inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 1 oktober 2009,

3.10. bepaalt dat de deskundigen tegelijk met dit schriftelijk bericht elk hun declaratie ter griffie zullen indienen onder vermelding van het zaak- en rolnummer,

3.11. bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het schriftelijk bericht moeten doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.12. verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 oktober 2009 voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht, tevens akte uitlating omtrent hetgeen is overwogen in rov. 2.10, aan de zijde van [eisers] of voor bepaling datum vonnis,

3.13. verstaat dat hoger beroep van dit vonnis (behoudens het provisioneel deel ervan) alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

3.14. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.B. ter Heide en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2009.

Coll.: CL